Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 9 › § 9.4

Artikel 143

Artikel 143

Onderdeel van Mijnbouwbesluit· Ondernemingspraktijk

Deze tekst geldt sinds 1 juli 2023

1. Indien ten aanzien van de te splitsen vergunning of één van de samen te voegen vergunningen een overeenkomst als bedoeld in artikel 81, onderdeel d, respectievelijk artikel 81, onderdeel e, respectievelijk artikel 86a, eerste lid, van de wet tot stand is gekomen, verleent de in artikel 81, onderdeel a, bedoelde vennootschap en de vergunninghouders van de op grond van artikel 135 of 137 te verlenen vergunning of vergunningen medewerking aan de totstandkoming van een overeenkomst waarvan de voorwaarden gelijkluidend zijn aan die van eerder bedoelde overeenkomst. 2. De in het eerste lid laatstbedoelde overeenkomst behoeft de instemming van Onze Minister. 3. Tot het tijdstip waarop de instemming wordt verleend, verricht de vergunninghouder geen winningswerkzaamheden. Tot dat tijdstip behoeven besluiten als bedoeld in de artikelen 91, onderdeel c, en 97, tweede lid, van de wet de instemming van de aangewezen vennootschap. 4. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op het verzoek tot instemming, bedoeld in het tweede lid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel