**1.** Indien de feitelijke ligging van een pijpleiding die is aangelegd in de territoriale zee of het continentaal plat afwijkt van de ligging zoals deze in de vergunning is aangegeven, verstrekt de beheerder aan Onze Minister de gegevens van de feitelijke ligging ervan binnen vier weken na de aanleg van de pijpleiding. Indien er kennelijk geen risico op schade is, kan Onze Minister de vergunning dienovereenkomstig wijzigen.
**2.** Op de voorbereiding van de beschikking tot aanpassing als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Hoofdstuk 6 › § 6.3
Artikel 98
Artikel 98
Onderdeel van Mijnbouwbesluit· Ondernemingspraktijk
Deze tekst geldt sinds 11 juli 2007