Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 8 › Afdeling 8.1

Artikel 8.1.1

Artikel 8.1.1

Onderdeel van Mijnbouwregeling· Ondernemingspraktijk

Deze tekst geldt sinds 1 april 2019

1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: put: boorgat dat na aanleg, inrichting en afwerking in gebruik is genomen; spuitend produceerbare put: een put waaruit door in de productieve laag of lagen heersende drukken zonder kunstmatige opvoermethoden kan worden geproduceerd; niet-spuitend produceerbare put: een put waaruit slechts kan worden geproduceerd met gebruikmaking van kunstmatige opvoermethoden; spuitkruis (x-mas tree): bovengrondse afwerking met afsluiters en zijuitlaten, al dan niet geïntegreerd, die wordt geïnstalleerd nadat het boorgat is aangelegd; hoofdbedieningsverdeelwerk: samenstel van opslagvaten, voorraadtank, pompen en verdeel- en regelkleppen met inbegrip van de leidingen met behulp waarvan de boorgatbeveiliging wordt bediend; bedieningspaneel: hulpmiddel voor het op afstand bedienen van het hoofdbedieningsverdeelwerk; compressielichaamafsluiter: gereedschap waarin zich een elastisch lichaam bevindt, dat zodanig kan worden vervormd door uitzetting, dat het een boorgat kan afsluiten, ook waar boorgereedschap aanwezig is; afgehangen verbuizing: een verbuizing die afhangt in een eerder aangebrachte verbuizing en niet doorloopt naar het aardoppervlak; mechanische plug: een op afstand te bedienen constructie die in een boorgat wordt ingelaten tot op een vooraf bepaalde plaats en, na activering, het boorgat volledig en duurzaam afdicht; drukhoudende serie der verbuizing: verbuizing bedoeld om ingesloten drukken uit het boorgat te beheersen; zone met stromingspotentieel: serie gesteentelagen van waaruit een gas-of vloeistofstroom naar of van gesteentelagen buiten de zone of naar het oppervlak kan plaatsvinden; afsluiting: een maatregel die voorkomt dat gassen of vloeistoffen uit een put kunnen stromen; verwachte maximale druk onder een permanente afsluiting: de hoogste druk die redelijkerwijze verwacht kan worden na buitengebruikstelling van een put; sluitlaag: gesteentelaag die een onderliggende zone met stromingspotentieel afsluit. 2. Voorts wordt in deze afdeling onder zeebodem mede begrepen: de bodem van oppervlaktewater.

Rechtspraak bij dit artikel