**1.** De van het hoofdbedieningsverdeelwerk deel uitmakende leidingen naar de boorgatafsluiters zijn zo flexibel dat beschadiging door het bewegen van de boorinstallatie niet plaatsvindt.
**2.** De in het eerste lid bedoelde leidingen kunnen te allen tijde de maximale druk weerstaan die in het hoofdbedieningsverdeelwerk kan optreden.
**3.** Het smoorverdeelstuk en de hiermee verbonden aan- en afvoerleidingen zijn zo verankerd dat krachten tengevolge van het aan- en afvoeren van gassen of vloeistoffen kunnen worden opgenomen zonder schade te veroorzaken aan het verdeelstuk of aan de aan- of afvoerleidingen.
**4.** De leidingen van de beveiligingsinstallatie en de erbij behorende afsluiters voor en direct achter de smoorverdeelstukken kunnen tenminste dezelfde werkdruk weerstaan als de in artikel 8.3.1.4, eerste lid, onderdelen b en c, bedoelde boorgatafsluiters.
Hoofdstuk 8 › Afdeling 8.3 › § 8.3.1
Artikel 8.3.1.8
Artikel 8.3.1.8
Onderdeel van Mijnbouwregeling· Ondernemingspraktijk
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2003