**1.** De topafsluiting wordt aangebracht:
op land: in de nabijheid van het maaiveld, waarbij rekening wordt gehouden met de herinrichting van het terrein;
onder oppervlaktewater: in de nabijheid van de bodem, indien een risico op nadelige gevolgen voor het milieu aanwezig is.
**2.** Het putmateriaal wordt verwijderd:
op land tot een diepte van 3 meter onder het maaiveld of dieper als de herinrichting van het terrein dat vereist;
onder oppervlaktewater tot een diepte van 6 meter onder de bodem, met dien verstande dat een grotere diepte dan 6 meter wordt aangehouden, indien de mogelijkheid van verandering van de bodem daar aanleiding toe geeft.
Hoofdstuk 8 › Afdeling 8.5 › § 8.5.3
Artikel 8.5.3.2
Artikel 8.5.3.2
Onderdeel van Mijnbouwregeling· Ondernemingspraktijk
Deze tekst geldt sinds 1 april 2019