Bij de integratie van de regelgeving inzake de huisvesting van woonwagenbewoners in de Huisvestingswet per 1 maart 1999, zijn op uitdrukkelijk verzoek van de Tweede Kamer in die wet bepalingen opgenomen (artikel 2, derde en vierde lid, van die wet) op grond waarvan woonwagenbewoners tot 1 januari 2003 voorrang krijgen bij de toewijzing van standplaatsen. Reden hiervoor was de vrees dat het vervallen van het zogenoemde afstammingsbeginsel de woonwagenbewoners - door de schaarste aan nieuwe standplaatsen - in een ongunstige positie zou brengen. Zij zouden immers concurrentie vanuit de 'burgerbevolking' kunnen krijgen. Er werd toen vanuit gegaan dat de deconcentratie van de laatste regionale woonwagencentra rond 2003 zou zijn afgerond.
Tot de genoemde datum is het hanteren van voorrangsregels in de huisvestingsverordening verplicht voor de gemeenten waarin een regionaal woonwagencentrum is gelegen en de gemeenten die bij de deconcentratie van deze centra een opvangrol vervullen. Ook voor de gemeenten die bij de intrekking van de Woonwagenwet een substantieel tekort (van meer dan 15 standplaatsen) hadden is toepassing verplicht. De regeling heeft betrekking op personen die op basis van de Woonwagenwet in aanmerking kwamen voor een zogenaamde 'verklaring van recht' (het afstammingsbeginsel) en zij die voorafgaand aan de intrekking van de Woonwagenwet tenminste een jaar in een woonwagen op een standplaats hebben gewoond.
Mede gelet op het feit dat de afgelopen tijd mijn departement vragen bereiken of deze voorrangsregeling zal worden verlengd, bericht ik u als volgt.
Artikel 1
Inleiding
Onderdeel van Verdeling standplaatsen; beëindigen voorrangsbepalingen Huisvestingswet· Wonen, onroerend goed, bouwrecht
Deze tekst geldt sinds 10 januari 2003