Deze beleidsregel heeft betrekking op:
de strafbare feiten die de Minister relevant acht voor het begrip ernstig gevaar als bedoel in artikel 3, eerste lid, onder a en b, van de Wet Bibob en voor een aanwijzing of vermoeden als bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet Bibob;
de belangen die in de afweging van een besluit inzake een vergunning kunnen worden meegewogen, anders dan de aanwezigheid van ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a en b, van de Wet Bibob of van een aanwijzing of een vermoeden als bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet Bibob;
de feiten en omstandigheden die kunnen leiden tot aanvraag van een advies van Bureau Bibob als bedoeld in de artikelen 6, vijfde lid en 99, tweede lid, van de Wet Personenvervoer 2000.
Hoofdstuk 1
Artikel 1.2
Artikel 1.2
Onderdeel van Beleidsregel toetsing vergunningen personenvervoer aan de Wet Bibob· Openbare orde en veiligheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 29 mei 2003