Naar hoofdinhoud

Artikel 1

Inleiding

Onderdeel van Inkomstenbelasting, lijfrenten, pensioenaangroei voor belastingplichtigen die een Belgisch rustpensioen opbouwen· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2004

Binnen Nederland wordt de basis voor oudedagsvoorzieningen gevormd door AOW (eerste pijler) en pensioen (tweede pijler). Het zogenoemde rustpensioen dat in België werkzame werknemers opbouwen omvat mede aanspraken die in Nederland worden gedekt door de eerste pijler. Op grond van artikel 3.127 Wet IB 2001 is de hoogte van de in een jaar maximaal in aanmerking te nemen premies voor lijfrenten onder meer afhankelijk van de mate van opbouw van pensioenaanspraken in het jaar. Het gaat hierbij om de aangroei van aanspraken die recht geven op een levenslange inkomensvoorziening bij ouderdom. Naarmate in een jaar meer van dergelijke pensioenrechten worden opgebouwd is de ruimte om aanvullende lijfrentepremies in aftrek te brengen kleiner. Dit geldt zowel voor belastingplichtigen die binnen Nederland een pensioen opbouwen als voor belastingplichtigen die buiten Nederland een pensioen opbouwen. Het voorgaande heeft tot gevolg dat belastingplichtigen die een Belgisch rustpensioen opbouwen in verhouding minder lijfrentevoorzieningen kunnen opbouwen dan belastingplichtigen die naast hun pensioenrechten recht hebben op AOW of daarmee vergelijkbare voorzieningen. Deze problematiek speelt niet ten aanzien van personen die aanspraken opbouwen ingevolge een Belgisch brugrustpensioen en/of een Belgisch overlevingspensioen. Nu het daarbij niet gaat om aanspraken die recht geven op een levenslange inkomensvoorziening bij ouderdom wordt de aangroei van deze aanspraken niet in aanmerking genomen bij de berekening van de aangroei van pensioenrechten in een jaar. Voor de problematiek bij de opbouw van aanspraken ingevolge een Belgisch rustpensioen is door de Commissie Grensarbeiders in haar aanbeveling 16 mijn aandacht gevraagd. In zijn brieven van 5 oktober 2001, nr. IFZ2001/860M, aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (kabinetsstandpunt inzake de aanbevelingen van de Commissie grensarbeiders) en van 5 april 2002, nr. BCPP2002-00974, aan de voorzitters van de vaste commissies voor Financiën, voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid en voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport uit de Tweede Kamer der Staten-Generaal (voortgang uitvoering kabinetsstandpunt inzake de aanbevelingen van de Commissie grensarbeiders) heeft een van mijn ambtsvoorgangers daarop gereageerd. Om aan voormelde problematiek tegemoet te komen, heb ik aanleiding gevonden tot het treffen van de volgende regeling.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel