In afwijking van artikel 12 wordt, voor zover het eigen vermogen de van toepassing zijnde vermogensgrens, genoemd in artikel 3 overschrijdt, de renteloze geldlening gehandhaafd na afloop van het tijdvak waarin bijstand is verleend. Met ingang van het jaar volgend op het laatste jaar van de bijstandsverlening wordt hierop een jaarlijkse aflossing van ten minste 10 procent voldaan.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht
in werking treedt.
Hoofdstuk II › § 4
Artikel 13
Handhaving van renteloze lening
Onderdeel van Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 1 juli 2009