Inschrijving van een student aan een in het CROHO geregistreerde opleiding, terwijl hij daadwerkelijk een andere al dan niet in het CROHO opgenomen opleiding volgt.
Er bestaan verschillende varianten, waarbij zij aangetekend dat studenten normaal gesproken zelf bepalen voor welke opleiding ze wensen te worden ingeschreven:
Studenten worden ingeschreven in de opleiding die het meeste geld oplevert (die de hoogste prijsfactor hebben).
Studenten worden ingeschreven in een reguliere opleiding, maar volgen in werkelijkheid postinitieel onderwijs, kopcursussen, bedrijfsopleidingen etc.
Als een opleiding nog niet is opgenomen in het CROHO, en studenten dus niet meetellen voor de bekostiging, worden studenten bij een verwante opleiding ingeschreven.
Contractanten volgen een kopcursus en worden als extraneus ingeschreven in een initiële CROHO-opleiding, waardoor zij een HBO-diploma krijgen.
De hogeschool biedt een (oriënterend) voorbereidend jaar anderstaligen aan buitenlanders aan die op grond van hun diploma in principe direct toelaatbaar zijn tot een opleiding. De studenten van zo’n jaar tellen mee voor de bekostiging.
Voor het meetellen voor bekostiging moet een opleiding geregistreerd zijn in het CROHO. Als een student bij opleiding A is ingeschreven, maar in werkelijkheid een andere opleiding of contractonderwijs volgt, dan is die inschrijving bij opleiding A onrechtmatig en telt die student ten onrechte mee voor de bekostiging .
Contractanten worden tevens ingeschreven als extraneï bij een opleiding die is geregistreerd in het CROHO. Ze nemen deel aan de examens die leiden tot een getuigschrift van die opleiding. Ze zijn dus niet ingeschreven bij een andere opleiding dan de opleiding die daadwerkelijk gevolgd wordt. In het HBO tellen getuigschriften van extraneï niet mee voor de bekostiging, in het WO wel; de instellingen mogen zelf het examengeld vaststellen.
Helder moet hierbij zijn dat strategisch gedrag van instellingen, gericht op het werven van grote groepen contractanten, die zonder onderwijsinspanning van de instelling een getuigschrift krijgen uitgereikt, niet acceptabel is. Zie ook thema 3.
Een oriënterend voorbereidend jaar wordt vaak aangeboden aan buitenlandse studenten, die de Nederlandse taal nog niet goed genoeg beheersen om het onderwijs succesvol te kunnen volgen. Die studenten kunnen worden ingeschreven (dat is geregeld in artikel 7.28 van de WHW). Voorwaarde is wel dat de studenten de intentie hebben om de hele opleiding te volgen. Wanneer dat niet zo is, staat deze cursus op zichzelf en is het dus geen onderdeel van een reguliere opleiding.
Als de instelling een cursus aanbiedt onder het mom van een ’oriënterend voorbereidend jaar’ leidt dat tot een grootaantal uitvallers. Dat heeft gevolgen voor de bekostiging van hogescholen, omdat het bekostigingssysteem van het HBO daarmee rekening houdt. Ik zal nauwgezet de uitval bij instellingen in de gaten houden. Als de uitval groter is dan een bepaald (nog niet vastgesteld) percentage vraagt het ministerie de instelling om een toelichting. Als deze toelichting niet overtuigend is, volgt een ’zoeklichtonderzoek’ door de Accountantsdienst. Er kunnen dan sancties worden opgelegd.
Het bovenstaande dient als uitspraak, geldend vanaf 1 september 2003.
Artikel 8
Thema 7
Onderdeel van Notitie 'Helderheid in de bekostiging van het hoger onderwijs'· Onderwijsrecht
Deze tekst geldt sinds 28 januari 2004