Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Aanpak bij geruisloze omzetting

Onderdeel van Inkomstenbelasting, Vennootschapsbelasting, Emigrerende ondernemers; staking onderneming· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 3 augustus 2004

Als de onderneming geruisloos is ingebracht in de BV (op de voet van artikel 3.65 van de Wet IB 2001 of artikel 18 van de Wet IB 1964), wordt gepoogd de belastingheffing over de stakingswinst te ontgaan of uit te stellen. Na de inbreng wordt de onderneming door de BV vervreemd en vormt de BV voor de boekwinst een vervangings- of herinvesteringsreserve. De verkoopopbrengst wendt de BV vervolgens aan voor de aanschaf van een onderneming in het buitenland. Ook in dit kader is van belang dat reeds vanaf het begin de intentie bestaat om de onderneming te vervreemden. De faciliteit van de geruisloze omzetting is niet bedoeld voor het geval dat inbreng van de onderneming onderdeel uitmaakt van een geheel van rechtshandelingen gericht op de overdracht of liquidatie van de onderneming. In de genoemde omstandigheden dient de faciliteit te worden geweigerd. Geruisloze omzetting kan immers alleen plaatsvinden indien een onderneming wordt ingebracht in de vennootschap. Een wijziging in de aard of de omvang van de onderneming(sactiviteiten) na het gewenste overgangstijdstip is daarbij toegestaan. Het resterende deel van de onderneming dient echter samen met de opbrengst van het vervreemde deel van de onderneming nog steeds een onderneming in de zin van artikel 6 van de Wet IB 1964 te vormen (HR 12 december 2003, nrs. 37 490 en 38 538, V-N 2004/2.14 en 15). Een wijziging in de exploitatie leidt eveneens tot weigering van de faciliteit. In het arrest van 20 februari 2004, nr. 38.168, V-N 2004/13.12, heeft de Hoge Raad immers beslist dat van een inbreng van een onderneming geen sprake is indien de vennootschap in oprichting met een derde een overeenkomst tot verhuur van de onderneming sluit. Ik acht deze arresten ook van belang voor de toepassing van artikel 3.65 van de Wet IB 2001. Tevens merk ik op dat hetgeen in onderdeel 3 is opgenomen met betrekking tot het weigeren van premie-aftrek dan wel het terugnemen daarvan, ook van toepassing is in de situatie waarin bij een geruisloze omzetting een lijfrente is bedongen met toepassing van artikel 3.128 (afneming oudedagsreserve) en/of artikel 3.129 van de Wet IB 2001 (ter zake van onttrokken vermogensbestanddelen).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel