**1.** Een ras van bij ministeriële regeling aan te wijzen landbouwgewassen wordt toegelaten indien het
blijkens technisch onderzoek voldoet aan de vereisten, bedoeld in artikel 35, eerste lid, onderdelen a en b, van de wet en
in stand wordt gehouden door degene, onderscheidenlijk degenen, die in verband met de aanvraag tot toelating zulks heeft, onderscheidenlijk hebben, verklaard.
**2.** In afwijking van het eerste lid is het vereiste, bedoeld in artikel 35, eerste lid, onderdeel b, van de wet niet van toepassing voor:
een ras van een grasgewas, waarvan het teeltmateriaal blijkens een verklaring van de aanvrager niet bestemd is voor de teelt van voedergewassen;
een ras, waarvan het teeltmateriaal bestemd is voor afzet in een lidstaat van de Europese Unie die dat ras mede op grond van zijn cultuur- en gebruikswaarde heeft toegelaten;
een ras dat uitsluitend bestemd is voor gebruik als kruisingspartner voor een hybride ras;
een ras, waarvan het teeltmateriaal blijkens een verklaring van de aanvrager bestemd is voor de afzet buiten het grondgebied van de Europese Unie.
**3.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorwaarden worden gesteld aan de instandhouding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
**4.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere groepen van rassen worden vastgesteld, waarop de in het tweede lid bedoelde uitzondering van toepassing is.
Paragraaf 4
Artikel 9
Artikel 9
Onderdeel van Besluit werkzaamheden Raad voor plantenrassen· Agrarisch recht
Deze tekst geldt sinds 1 februari 2006