Ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 kan een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland geen aanspraak maken op toekenning van verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen bij wege van een beschikking van een bestuursorgaan. In aanvulling daarop is in de Awir (artikel 9) bepaald dat indien een partner of een medebewoner van de belanghebbende een vreemdeling is die geen rechtmatig verblijf heeft in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000, de belanghebbende geen aanspraak heeft op een tegemoetkoming. Deze bepaling is in overeenstemming met de regeling in de voormalige Huursubsidiewet.
Minderjarige vreemdelingen kunnen op verzoek van de overheid worden opgevangen in pleeggezinnen. Een alleenstaande minderjarige vreemdeling heeft rechtmatig verblijf als hij in afwachting is van de beslissing op zijn asielaanvraag. In dat geval is er geen beperking van uitkeringsrechten voor het gezin waar de vreemdeling verblijft. Zodra de minderjarige vreemdeling uitgeprocedeerd is, vervalt dit rechtmatig verblijf en daarmee het recht voor het pleeggezin op een tegemoetkoming onder de werking van de Awir. In de praktijk treedt dit gevolg alleen op bij de huurtoeslag, aangezien voor de andere toeslagen het begrip medebewoner niet van belang is.
Op grond van de Wet Centraal orgaan opvang asielzoekers en de Regeling verstrekkingen asielzoekers, wordt de opvang echter pas beëindigd als de asielzoeker de 18-jarige leeftijd heeft bereikt, of zoveel eerder als de uitzetting kan worden geëffectueerd. Zolang de uitgeprocedeerde alleenstaande vreemdeling nog minderjarig is en in Nederland verblijft, ligt de verantwoordelijkheid en de zorgplicht bij de overheid en zal de opvang in het pleeggezin niet beëindigd worden.
Artikel 1
Inleiding
Onderdeel van Toeslagen, pleeggezinnen en opvang van uitgeprocedeerde alleenstaande minderjarige vreemdelingen· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 15 juli 2006