Voor de indeling van ontplofbare stoffen en voorwerpen wordt gebruik gemaakt van de indeling die in de vervoersregelgeving wordt gehanteerd. In het ADR zijn ontplofbare stoffen en voorwerpen ingedeeld in klasse 1. Klasse 1 is onderverdeeld in subklassen. In de onderstaande tabel staan de gevarensubklassen vermeld, samen met de belangrijkste kenmerken en enkele verschijningsvormen.
Sub-klasse
Kenmerk
Voorbeelden
1.1
massa-explosie
springstoffen, slagsnoer, zwart buskruit
1.2
scherfwerking
komt normaliter niet voor
1.3
massabrand met intense warmtestraling
rookzwak buskruit voor herladen van munitie
1.4
geen/gering warmtestraling
vuurwapenpatronen
1.5
zeer weinig gevoelige stoffen
niet relevant voor deze circulaire
1.6
extreem weinig gevoelige voorwerpen
niet relevant voor deze circulaire
In Nederland voorkomende toepassingen van springstoffen (gevarensubklasse 1.1) zijn:
seismisch onderzoek (offshore en onshore),
winnen van delfstoffen
slopen van gebouwen, funderingen en andere civiele bouwwerken,
reinigen van ketels,
vervormen van metalen.
Ook zwart buskruit valt onder de gevarenklasse 1.1. Het wordt hoofdzakelijk gebruikt in de schietsport.
De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte.
De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte.
Artikel 2
Vóórkomen, indeling en gebruik
Onderdeel van Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik· Ruimtelijke ordening en milieu
Deze tekst geldt sinds 26 juli 2006