Dit hoofdstuk is van toepassing op de volgende entiteiten, met zetel in Nederland, tenzij anders is bepaald:
banken, met uitzondering van rechtspersonen waaraan ook een vergunning is verleend overeenkomstig artikel 14 van de EMIR-verordening;
beleggingsondernemingen in de zin van artikel 4, eerste lid, punt 1, van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014 waarop artikel 9, eerste lid, van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen van toepassing is;
financiële holdings in een groep met een bank of een beleggingsonderneming als bedoeld in onderdeel b;
gemengde financiële holdings in een groep met een bank of een beleggingsonderneming als bedoeld in onderdeel b;
gemengde holdings in een groep met een bank of een beleggingsonderneming als bedoeld in onderdeel b;
financiële instellingen, indien zij een dochteronderneming zijn van een entiteit als bedoeld in de onderdelen a tot en met e, en onder het toezicht op geconsolideerde basis op de moederonderneming vallen, overeenkomstig titel II van deel 1 van de verordening kapitaalvereisten; alsmede:
in Nederland gelegen bijkantoren van banken en beleggingsondernemingen die voldoen aan het vereiste, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, met zetel in een staat die geen lidstaat is.
Titel 3a › Hoofdstuk 3a.1 › Afdeling 3a.1.1
Artikel 3a:2
Reikwijdte
Onderdeel van Wet op het financieel toezicht· Bank- en effectenrecht, financiering
Deze tekst geldt sinds 25 maart 2026