**1.** Een aanbieder van een uitkeringsproduct biedt de consument voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst inzake een uitkeringsproduct de mogelijkheid om de keuze te maken om een deel van de aanspraak op de periodieke uitkeringen als bedrag ineens uit te laten keren indien:
het bedrag ineens maximaal tien procent van die aanspraak op periodieke uitkeringen bedraagt;
het bedrag ineens wordt uitgekeerd tegelijk met de eerste periodieke uitkering; en
de resterende aanspraak op de periodieke uitkeringen meer bedraagt dan het bedrag, genoemd in artikel 3.133, tiende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
**2.** Onder een uitkeringsproduct als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan een lijfrenteverzekering, lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in de artikelen 3.125, eerste lid, onderdeel a of c, of 3.126a, vierde lid, aanhef en onderdeel a, onder 1°, 2° of 3°, van de Wet inkomstenbelasting 2001 waarbij periodiek een bedrag wordt uitgekeerd aan de consument.
**3.** De uitbetaling in verband met het bedrag ineens, bedoeld in het eerste lid, wordt op verzoek van de consument door de aanbieder uitgesteld tot de maand januari volgend op het jaar waarin de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, is bereikt, met dien verstande dat uitbetaling op dat moment alleen mogelijk is als de consument in leven is op de eerste dag van die maand en als de ingangsdatum van de periodieke uitkeringen:
is gelegen in de maand waarin de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, is bereikt; of
gelijk is aan de eerste dag van de maand, volgend op de maand waarin de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, is bereikt.
**4.** Bij overlijden van de consument na de ingangsdatum van de periodieke uitkeringen, maar voor de eerste dag van de maand januari, bedoeld in het derde lid, keert de aanbieder van het uitkeringsproduct eenmalig een bedrag uit ten gunste van de nalatenschap van de consument indien de consument overeenkomstig het derde lid heeft verzocht om uitstel van de betaling van het bedrag ineens.
**5.** Het bedrag, bedoeld in het vierde lid, is gelijk aan het verschil tussen de som van de termijnen die zou worden uitgekeerd wanneer geen verzoek tot het uitkeren van een bedrag ineens was gedaan en de som van de feitelijk uitgekeerde termijnen, berekend over de periode vanaf de ingangsdatum van de periodieke uitkeringen tot de overlijdensdatum of de laatste dag van de maand waarin het overlijden plaatsvindt.
**6.** Na toepassing van het vierde en vijfde lid worden in geval van een lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in artikel 3.126a, vierde lid, aanhef en onderdeel a, onder 1°, 2° of 3°, van de Wet inkomstenbelasting 2001 de uitkeringen gedaan aan de erfgenamen van de consument alsof de consument niet heeft gekozen voor een bedrag ineens.
**7.** Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op opgebouwde aanspraken op periodieke uitkeringen voortvloeiend uit nettolijfrenten als bedoeld in artikel 5.16 van de Wet inkomstenbelasting 2001 voor zover sprake is van een lijfrenteverzekering, lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in de artikelen 3.125, eerste lid, onderdelen a of c, of 3.126a, vierde lid, aanhef en onderdeel a, onder 1°, 2° of 3°, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Titel 4 › Hoofdstuk 4.3 › Afdeling 4.3.1 › § 4.3.1.5a
Artikel 4:71.0a
Artikel 4:71.0a
Onderdeel van Wet op het financieel toezicht· Bank- en effectenrecht, financiering