**1.** Een beheerder voert een adequaat beleid dat een integere uitoefening van zijn bedrijf waarborgt. Hieronder wordt verstaan dat:
belangenverstrengeling wordt tegengegaan;
wordt tegengegaan dat de beheerder of haar werknemers strafbare feiten of andere wetsovertredingen begaan die het vertrouwen in de beheerder of in de financiële markten kunnen schaden;
wordt tegengegaan dat wegens haar cliënten het vertrouwen in de beheerder of in de financiële markten kan worden geschaad; en
wordt tegengegaan dat andere handelingen door de beheerder of haar werknemers worden verricht die op een dusdanige wijze ingaan tegen hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, dat hierdoor het vertrouwen in de beheerder of in de financiële markten ernstig kan worden geschaad.
**2.** Artikel 4:11, vierde lid, van de wet en de artikelen 17, 19 en 20 zijn van overeenkomstige toepassing.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wet op het financieel toezicht, enz. (implementatie richtlijn 2011/61/EU) in werking treedt.
Hoofdstuk 10 › Afdeling 10.3 › § 10.3.1 › § 10.3.1.1
Artikel 115q
Artikel 115q
Onderdeel van Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft· Bank- en effectenrecht, financiering
Deze tekst geldt sinds 22 juli 2013