Van artikel 3:5, eerste lid, van de wet, zijn vrijgesteld stichtingen die:
als enige activiteit hebben het tijdelijke beheer van de opvorderbare gelden ten behoeve van de rechthebbenden of degenen die zullen blijken de rechthebbenden te zijn; en
uitsluitend werkzaam zijn voor advocaten die niet zelf gerechtigd zijn tot de opvorderbare gelden, hetgeen uit een schriftelijke overeenkomst tussen de desbetreffende stichtingen en de betrokken advocaten blijkt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet op het financieel toezicht in werking treedt.
Hoofdstuk 3 › § 3.2 › Subparagraaf
Artikel 20
Artikel 20
Onderdeel van Vrijstellingsregeling Wft· Bank- en effectenrecht, financiering
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2007