**1.** Een beleggingsonderneming die door het sluiten van een lease-overeenkomst voor
financiële instrumenten cliënten de mogelijkheid biedt financiële instrumenten te
verkrijgen, kan voldoen aan het vereiste dat zij adequate maatregelen treft ter
bescherming van de rechten van cliënten op aan hen toebehorende gelden of
financiële instrumenten en ter voorkoming van het ongeoorloofd gebruik daarvan als
bedoeld in artikel 4:87, eerste lid, van de
wet door te voorzien in een regeling krachtens welke de rechten van
cliënten op grond van de lease-overeenkomst voor financiële instrumenten cliënten
door middel van een eerste pandrecht van deze cliënten op de desbetreffende
financiële instrumenten zijn gewaarborgd.
**2.** Het pandrecht dient tot zekerheid te strekken voor:
de betaling van vervangende schadevergoeding, indien de overdracht van de
financiële instrumenten niet tot stand komt;
de eventuele vordering die de cliënt in geval van ontbinding van de
lease-overeenkomst voor financiële instrumenten op de beleggingsonderneming
heeft, indien deze ontbinding het gevolg is van een toerekenbare tekortkoming
van de beleggingsonderneming;
betaling van de op de financiële instrumenten betaalbaar gestelde renten en
dividenden; en
voldoening van de wettelijke rente over de vorderingen, bedoeld in de
onderdelen a, b en c, over de periode dat de beleggingsonderneming met de
voldoening daarvan in verzuim is.
**3.** In geval van ontbinding van de lease-overeenkomst voor financiële instrumenten
dient de rekenregel op grond waarvan de financiële rechten van de cliënt ten
opzichte van de beleggingsonderneming worden bepaald, de rechten van de cliënt op
grond van de lease-overeenkomst voor financiële instrumenten voldoende te
beschermen.
Hoofdstuk 7 › § 6.5
Artikel 7:19
Artikel 7:19
Onderdeel van Nadere regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft· Bank- en effectenrecht, financiering
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2018