**1.** Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 38a, derde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:23, tweede lid, van laatstgenoemde wet.
**2.** Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 82, vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, voor het buiten besloten kring van anderen dan professionele marktpartijen aantrekken, ter beschikking verkrijgen of ter beschikking hebben van opvorderbare gelden, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:5, vierde lid, van laatstgenoemde wet.
**3.** Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 82, vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, voor het verrichten van werkzaamheden in de uitoefening van een beroep of bedrijf als tussenpersoon ten behoeve van het buiten besloten kring aantrekken of ter beschikking verkrijgen van al dan niet op termijn opvorderbare gelden van anderen dan professionele marktpartijen, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 4:3, vierde lid, van laatstgenoemde wet.
**4.** Een ontheffing die op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 is verleend aan een onderneming of instelling als bedoeld in artikel 3 van de Vrijstellingsregeling Wtk 1992 die niet voldeed aan de in dat artikel bedoelde voorschriften berust, voor zover deze ontheffing betrekking heeft op die voorschriften, vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:2, derde lid, van laatstgenoemde wet.
Hoofdstuk 1 › Afdeling 6 › § 6.3
Artikel 61
Artikel 61
Onderdeel van Invoerings- en aanpassingswet Wet op het financieel toezicht· Bank- en effectenrecht, financiering
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2009