Naar hoofdinhoud

§ 2 › Subparagraaf

Artikel 2

Artikel 2

Onderdeel van Regeling prudentieel toezicht financiële groepen Wft· Bank- en effectenrecht, financiering

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2007

1. Een kredietinstelling als bedoeld in artikel 3:280, eerste lid, van de wet rapporteert alle significante intragroepovereenkomsten en -posities met de gemengde holding en haar dochterondernemingen met gebruikmaking van blad 1 van het rapportageformulier opgenomen in de bijlage behorende bij deze regeling. De rapportage wordt uiterlijk twee maanden na afloop van het boekjaar bij DNB ingediend. 2. Van een significante individuele intragroepovereenkomst is sprake wanneer het bedrag van de hieruit voortvloeiende positie meer bedraagt dan twintig procent van de kapitaaltoereikendheidsvereiste van de kredietinstelling, die de overeenkomst is aangegaan. Van een significante totale positie is sprake indien deze positie meer bedraagt dan twintig procent van de kapitaaltoereikendheidsvereiste van de kredietinstelling. 3. Een kredietinstelling, die tevens is onderworpen aan het toezicht als bedoeld in artikel 3:298 van de wet, kan in plaats van de in het eerste lid bedoelde rapportage volstaan met de rapportage als bedoeld in paragraaf 7 van deze regeling. 4. Op verzoek van de kredietinstelling en na overleg met relevante toezichthoudende instanties kan DNB afwijken van het eerste en tweede lid. Treedt in werking op tijdstip waarop het Besluit prudentieel toezicht financiële groepen Wft in werking treedt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel