Verordening (EEG) nr. 1408/71 (hierna ook: de verordening) coördineert de nationale wetgevingen inzake sociale zekerheid ter bescherming van de rechten van werknemers en zelfstandigen, alsmede hun gezinsleden, die zich binnen de Europese Unie (en de Europese Economische Ruimte en Zwitserland) verplaatsen. Voor de toepassing ervan dient sprake te zijn van enig grensoverschrijdend element in de woon- of verblijfplaats of de plaats waar de beroepswerkzaamheden worden uitgeoefend. Een geconsolideerde (onofficiële) versie van de verordening kan worden gevonden op ‘http://eur-lex.europa.eu’.
Het territoriale toepassingsgebied van de verordening wordt bepaald door artikel 299 EG. De aanwijsregels van titel II zijn alleen van toepassing indien de betrokkene binnen het toepassingsgebied woont en werkt. Op dit beginsel is een inbreuk gekomen door het arrest HvJ EG van 29 juni 1994, zaak C-60/93 (Aldewereld), BNB 1995/44, en het naar aanleiding hiervan gewezen arrest HR 5 oktober 1994, nr. 28 205, BNB 1995/45. Indien iemand binnen het toepassingsgebied van de verordening woont, maar buiten het toepassingsgebied werkt voor een binnen Nederland gevestigde werkgever is als gevolg van dit arrest de Nederlandse wetgeving van toepassing, mits voorafgaand aan het verrichten van de arbeid in het buitenland sprake was van verzekering in Nederland.
Tot 1 juni 2003 waren Verordening (EEG) nr. 1408/71 en Verordening (EEG) nr. 574/72 alleen van toepassing op personen die de nationaliteit hebben van een lidstaat.
Door Verordening (EG) nr. 859/2003 (publicatieblad 20 mei 2003, L124/3) zijn genoemde verordeningen ook van toepassing op personen die een andere dan een EU-nationaliteit hebben. Aan de uitbreiding van de personele werkingssfeer is de voorwaarde verbonden dat deze personen legaal verblijven op het grondgebied van de EU én zich in een situatie bevinden die niet in alle opzichten geheel in de interne sfeer van een enkele lidstaat ligt.
Het begrip ‘legaal verblijf’ is niet gedefinieerd in deze verordening. Voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 859/2003 wordt voor de invulling van het begrip ‘legaal verblijf’ aangesloten bij titel IV van het EG-Verdrag, waarin de basis is gelegd voor een gemeenschappelijk vreemdelingenbeleid. Ingevolge dit beleid wordt het begrip ‘legaal verblijf’ gekoppeld aan het beschikken over een geldige verblijfstitel. Onderdanen van ‘derde landen’ verblijven slechts legaal in Nederland wanneer zij rechtmatig in Nederland verblijven in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000. Op deze regel bestaat een uitzondering. Er is geen sprake van legaal verblijf indien een persoon met een andere dan een EU-nationaliteit weliswaar in Nederland verblijft in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000, maar in afwachting is van de beslissing op zijn aanvraag van eerste toelating. Deze voorwaarde geldt evenwel niet als de ‘derdelander’ op grond van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) toegestane arbeid verricht.
Verordening (EEG) nr. 1408/71 verleent onderdanen van derde landen niet het recht om in een andere lidstaat te werken. De lidstaten kunnen daarom zelf voorwaarden aan de tewerkstelling van onderdanen van derde landen stellen. Om in Nederland als werknemer te kunnen werken dient een ‘derdelander’ op grond van de Wet arbeid vreemdelingen te beschikken over een geldige tewerkstellingsvergunning of een aantekening in zijn verblijfsvergunning. Het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 en het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen 1990 sluiten voor de verzekering van ‘derdelanders’ aan bij de Wet arbeid vreemdelingen: er kan geen sprake zijn van verzekering indien er arbeid in dienstbetrekking wordt verricht zonder dat aan de Wet arbeid vreemdelingen is voldaan.
Verordening (EG) nr. 859/2003 is gebaseerd op artikel 63, vierde lid, EG. Deze bepaling is ingevoerd bij het Verdrag van Amsterdam. Het maakt deel uit van titel IV van het EG-Verdrag, dat bepalingen bevat die verband houden met het vrije verkeer van personen.
Ierland en het Verenigd Koninkrijk zijn geen partij bij Titel IV van het EG-Verdrag, maar beide lidstaten hebben aangegeven aan Verordening (EG) nr. 859/2003 gebonden te willen worden.
Denemarken heeft een voorbehoud gemaakt. Dit heeft tot gevolg dat de uitbreiding van Verordening (EEG) nr. 1408/71 en Verordening (EEG) 574/72 tot personen met een andere dan een EU- nationaliteit, niet kan worden toegepast met betrekking tot Denemarken.
Titel IV van het EG-Verdrag is geen onderdeel van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER). Dit betekent dat Verordening (EG) nr. 859/2003 niet kan worden toegepast in relatie tot Noorwegen, IJsland en Liechtenstein. In relatie tussen Nederland en Noorwegen moeten Verordening (EEG) nr. 1408/71 en Verordening (EEG) 574/72 wel grotendeels worden toegepast op onderdanen van derde landen. Dit vloeit voort uit artikel 3 van het bilaterale sociale zekerheidsverdrag tussen Nederland en Noorwegen van 4 juni 1996 (Trb. 1996, 159 en 208 (vertaling)).
Uit artikel 1 van de overeenkomst tussen de EG en Zwitserland blijkt dat deze overeenkomst beperkt blijft tot onderdanen van de overeenkomstsluitende partijen. Bovendien biedt de overeenkomst geen grondslag voor het opnemen van Verordening (EG) nr. 859/2003 in bijlage II bij deze overeenkomst. Er is dus geen mogelijkheid om Verordening (EG) nr. 859/2003 in relatie tot Zwitserland toe te passen.
Op 1 mei 2004 zijn tien lidstaten toegetreden tot de EU en op 1 januari 2007 Bulgarije en Roemenië. Het gevolg van de toetreding van de nieuwe lidstaten met ingang van 1 mei 2004 en 1 januari 2007 is dat Verordening (EEG) nr. 1408/71 en Verordening (EEG) nr. 574/72 van toepassing zijn op personen met de nationaliteit van genoemde lidstaten en in die landen wonenden met een andere dan een EU- nationaliteit. Als de Nederlandse wetgeving op grond van de verordening als toepasselijke wetgeving wordt aangewezen, moeten onderdanen/inwoners van de nieuwe lidstaten om verzekerd te kunnen zijn voor de volks-, werknemersverzekeringen en de Zorgverzekeringswet, wel voldoen aan door Nederland gestelde nadere voorwaarden, zoals in bepaalde gevallen de eis van het beschikken over een tewerkstellingsvergunning.
Volgens artikel 13, lid 2, sub a, is op degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die staat van toepassing, ook al woont hij op het grondgebied van een andere lidstaat.
Ingeval een werknemer uitsluitend werkzaamheden in deeltijd uitoefent in een andere lidstaat dan de woonstaat, is hij ook gedurende de dagen dat hij niet werkt verzekerd in de andere lidstaat. Dit is bevestigd in het arrest HvJ EG 3 mei 1990 (C-2/89), Jur. 1990, blz. I-1755, VN 1990/1563 (Kits van Heijningen). Dit houdt in dat iemand die in België woont en uitsluitend in Nederland in deeltijd werkt het gehele jaar verzekerd is voor de volksverzekeringen en de Zorgverzekeringswet. Verzekerd voor de werknemersverzekeringen is men in die omstandigheden zolang men werknemer is in de zin van de betreffende wetten.
Een EU-fellow woonachtig in een andere EU-lidstaat die voor onderzoekswerkzaamheden in dienst is genomen door een Nederlandse universiteit valt onder het bereik van de verordening. Artikel 13, lid 2, sub a, van de verordening wijst de Nederlandse socialezekerheidswetgeving als toepasselijke wetgeving aan, indien de werkzaamheden in Nederland worden uitgeoefend. Zie ook het besluit van 17 mei 2002, nr. IFZ2001/529, V-N 2002/27.4, inzake de belastingheffing van EU-fellows.
De aanwijsregels (met uitzondering van artikel 13, lid 2, sub f) zijn van toepassing op personen die een dienstbetrekking hebben of daadwerkelijk beroepswerkzaamheden verrichten. Indien werkzaamheden worden onderbroken door ziekte wordt de toepasselijke wetgeving nog voor enige tijd bepaald op grond van de aanwijsregels van artikel 13, lid 2, sub a. De toepassing van de aanwijsregels geldt namelijk zolang er sprake is van een loondoorbetalingsverplichting op grond van artikel 7:629 BW.
Op grond van artikel 14, lid 2, sub b, onderdeel i, van de verordening is op degenen die op het grondgebied van twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst plegen uit te oefenen de wetgeving van toepassing van de lidstaat op het grondgebied waarvan zij wonen, indien zij een deel van hun werkzaamheden op dit grondgebied uitoefenen of indien zij verbonden zijn aan meer dan één onderneming of meer dan één werkgever die hun zetel of domicilie op het grondgebied van verschillende lidstaten hebben. In het genoemde artikel worden geen voorwaarden gesteld aan de omvang en de aard van het deel van de werkzaamheden dat wordt verricht op het grondgebied van de lidstaat waar de betrokken werknemer woont. Uit HvJ EG 16 februari 1995, zaak C-425/93, Jur. 1995, blz. I-26 (Calle Grenzshop), blijkt echter dat dit artikel niet van toepassing is, indien de door een werknemer in zijn woonland verrichte werkzaamheden louter van ondergeschikte aard zijn.
Werkzaamheden die in de woonstaat van de werknemer worden verricht, worden als werkzaamheden van ondergeschikte aard beschouwd en voor de toepassing van artikel 14, lid 2, sub b, onderdeel i, van de verordening buiten beschouwing gelaten indien aan de volgende criteria wordt voldaan:
de werkzaamheden hebben een ondersteunend karakter en ontberen zelfstandigheid;
de werkzaamheden worden in het algemeen thuis verricht;
de verrichte werkzaamheden staan in dienst van de hoofdactiviteit die in de andere lidstaat wordt uitgeoefend;
de duur van de werkzaamheden is in relatieve en absolute zin beperkt; indien minder dan twee uur per week wordt gewerkt of minder dan een dag per maand over een referentieperiode van drie maanden, worden de werkzaamheden altijd buiten beschouwing gelaten.
Als voorbeelden van werkzaamheden van ondergeschikte aard kunnen worden genoemd het lezen van stukken, het voorbereiden van vergaderingen en het ontvangen van bezoek door een persoon die zijn hoofdactiviteiten niet in zijn woonstaat verricht.
Wordt aan de vorengenoemde criteria voldaan met betrekking tot werkzaamheden van een inwoner van Nederland op Nederlands grondgebied dan is op de betrokken werknemer niet artikel 14, lid 2, sub b, onderdeel i, van de verordening van toepassing, maar artikel 13, lid 2, sub a. Dit houdt in dat op hem niet de Nederlandse wetgeving (woonstaat) van toepassing is, maar de wetgeving van de lidstaat op wiens grondgebied hij zijn hoofdactiviteiten verricht. De criteria met betrekking tot werkzaamheden van ondergeschikte aard op Nederlands grondgebied zijn ook van toepassing op het bepalen van de toepasselijke wetgeving op grond van artikel 14 bis (zelfstandigen) en artikel 14 quater (combinatie loondienst en zelfstandige) van de verordening.
Bij de beoordeling van de werkzaamheden op een ander grondgebied, is de desbetreffende lidstaat in principe bevoegd om na te gaan of er sprake is van werkzaamheden van ondergeschikte aard. Bij de beoordeling of sprake is van werkzaamheden van ondergeschikte aard op een ander grondgebied wordt aangesloten bij de bevindingen door de bevoegde instanties van het land zelf in situaties waarin deze instanties tot een ander oordeel komen dan de Nederlandse instanties.
Op grond van artikel 13, lid 2, sub b, van de verordening is op degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden anders dan in loondienst uitoefent, de wetgeving van die staat van toepassing, ook al woont hij op het grondgebied van een andere lidstaat.
Een persoon die niet in Nederland woont en uitsluitend in Nederland beroepswerkzaamheden verricht, valt onder de verplichte verzekering voor de volksverzekeringen en de Zorgverzekeringswet vanaf de dag dat wordt begonnen met het verrichten van werkzaamheden. Indien deze persoon op enig moment die werkzaamheden beëindigt en bij betrokkene nog steeds de intentie bestaat om beroepswerkzaamheden in Nederland te blijven verrichten, eindigt de verplichte verzekering drie maanden na de laatst bekende werkdag.
Degene die zijn beroepswerkzaamheden uitoefent aan boord van een zeeschip, valt op grond van artikel 13, lid 2, sub c, van de verordening onder de socialezekerheidswetgeving van de lidstaat onder wiens vlag het zeeschip vaart. Regels voor zeeschepen die varen onder de vlag van derde staten (niet EU-lidstaten) komen in de verordening niet voor. Op grond van het arrest HvJ EG van 29 juni 1994, zaak C-60/93 (Aldewereld), en het naar aanleiding hiervan gewezen arrest HR 5 oktober 1994, nr. 28 205, BNB 1995/45 dient de Nederlandse wetgeving te worden toegepast, indien de werkgever van de zeevarende in Nederland is gevestigd, de zeevarende in de EU, EER of Zwitserland woont en beschikt over een EU/EER-nationaliteit of de Zwitserse nationaliteit en het schip vaart onder de vlag welke niet behoort tot een van de lidstaten van de EU/EER of Zwitserland. Vaart het schip onder de vlag van een land waarmee Nederland een verdrag inzake sociale zekerheid heeft gesloten en verklaart dit verdrag de wetgeving van het vlagstaat van toepassing, dan wordt de Nederlandse wetgeving niet van toepassing geacht. De Nederlandse wetgeving dient ook te worden toegepast op de zeevarende (in dienst van een Nederlandse werkgever) die niet een van de hierboven genoemde nationaliteiten heeft, woont in een van de lidstaten van de EU, uitgezonderd Denemarken, en werkzaam is op een zeeschip dat vaart onder een vlag welke niet behoort tot een van de lidstaten van de EU/EER of Zwitserland. Zie ook het Besluit verzekeringsplicht zeevarenden van het UWV van 22 december 2003, Stcrt. 2004, nr. 35.
Het begrip zeeschip is in de verordening niet gedefinieerd. Op grond van de uitspraak van de CRvB van 17 april 2002, nr. 98/8488, NTFR 2002/849 wordt op basis van het Nederlandse recht (artikel 8:2 BW) bepaald of sprake is van een zeeschip. Een baggerschip waarvoor een zeebrief is afgegeven en dat is ingeschreven in het Nederlandse zeeschepenregister, dan wel in een met het zeeschepenregister vergelijkbaar buitenlands register, wordt als een zeeschip aangemerkt voor de toepassing van artikel 13, lid 2, sub c.
De toepassing van artikel 13, lid 2, sub f, geldt volgens HvJ EG 11 juni 1998, zaak C-275/96, Jur. 1998, I-3419 (Kuusijärvi), zowel voor personen die definitief alle beroepswerkzaamheden hebben gestaakt als voor personen die niet definitief hun beroepswerkzaamheden hebben gestaakt. De overige aanwijsregels zijn slechts van toepassing op personen die een dienstbetrekking hebben of daadwerkelijk beroepswerkzaamheden verrichten. Een ‘nawerking’ van deze aanwijsregels voor personen die hun beroepswerkzaamheden hebben gestaakt is met de invoering van artikel 13, lid 2, sub f, niet langer aan de orde. Wat volledig werklozen betreft is de toepasselijkheid van artikel 13, lid 2, sub f, bevestigd in HvJ EG 11 november 2004, zaak C-372/02, RSV 1998/244 (Adanez-Vega).Toepassing van artikel 13, lid 2, sub f, leidt er in samenhang met artikel 10 ter van Verordening (EEG) nr. 574/72 toe dat personen onderworpen blijven aan de Nederlandse wetgeving indien uit hoofde van de nationale sociale verzekeringsbepalingen nog aansluiting bestaat bij ten minste een tak van sociale zekerheid. Personen die een WW-uitkering ontvangen en in een andere lidstaat wonen, blijven in Nederland verzekerd voor de duur van de uitkering. Deze personen worden immers als verzekerde werknemers in de zin van de WW beschouwd.
Op grond van artikel 14, lid 1, sub a, van de verordening valt de werknemer die door een onderneming naar een andere lidstaat wordt gedetacheerd, onder de wetgeving van de lidstaat van waaruit de detachering plaatsvindt. Deze regel wijkt af van de hoofdregel van artikel 13, lid 2, sub a.
De mogelijkheid van detachering vanuit Nederland doet zich alleen voor als de werknemer onmiddellijk voorafgaand aan de detachering verplicht verzekerd is ingevolge de Nederlandse socialeverzekeringswetten. Detachering in aansluiting op vrijwillige verzekering op grond van de AOW en de Anw dan wel de werknemersverzekeringen is niet mogelijk. Dit blijkt uit het feit dat artikel 14, lid 1, sub a, van de verordening uitgaat van het ’van toepassing blijven’ van de wetgeving van de lidstaat van waaruit de werknemer wordt gedetacheerd. De voorwaarde dat de Nederlandse wetgeving van toepassing blijft, wordt in ieder geval geacht te zijn vervuld als de detachering wordt voorafgegaan door ten minste één maand verzekering in Nederland.
De detacheringstermijn bedraagt in beginsel één jaar, maar kan nog eens met maximaal één jaar worden verlengd. In een voorkomend geval kan ingeval van uitzending naar een andere lidstaat voor een periode van maximaal vijf jaren op grond van artikel 17 een overeenkomst worden gesloten met de lidstaat waarheen de werknemer wordt uitgezonden. De door de lidstaten aangewezen organen moeten op verzoek van de werkgever of van de werknemer een verklaring verstrekken, waaruit blijkt dat de werknemer onderworpen blijft aan de wettelijke regeling van de lidstaat van waaruit hij wordt uitgezonden en tot welke datum dit het geval is. Deze verklaring wordt verstrekt op zogenoemde E 101-formulieren. Voor Nederland is de Sociale verzekeringsbank (hierna: de SVB) het aangewezen orgaan. De E 01-formulieren worden verstrekt door de SVB, Kantoor Verzekeringen, Afdeling Internationale Detachering, Postbus 357, 1180 AJ Amstelveen (tel: 020-656 5277). Voor zelfstandigen geldt een overeenkomstige regeling.
In Besluit nr. 181 van de Administratieve Commissie van de Europese Gemeenschap voor de sociale zekerheid van migrerende werknemers (hierna: AC) van 13 december 2000 (Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, 14 december 2001, L 329/73) zijn voorwaarden gesteld met betrekking tot detachering van een werknemer of een zelfstandige, welke voor de lidstaten als richtlijn gelden. Voor de voorwaarden verwijs ik naar de bijlage bij dit besluit.
Een zelfstandige die gewoonlijk werkzaamheden verricht op het grondgebied van een lidstaat, kan zichzelf detacheren naar het grondgebied van een andere lidstaat, om aldaar tijdelijk werkzaamheden te verrichten. De kwalificatie van de werkzaamheden, als zelfstandige of in loondienst, wordt bepaald door de lidstaat op wiens grondgebied gewoonlijk de werkzaamheden als zelfstandige worden verricht. Hoewel de zelfstandige tijdens de detachering op grond van het arrest HvJ EG 30 maart 2000, zaak C-178/97, Jur. 2000, blz. I-2005, (Banks), werkzaamheden anders dan in loondienst of werkzaamheden in loondienst kan verrichten, blijft de kwalificatie van gedetacheerde zelfstandige behouden.
In artikel 8 van de Wet financiering sociale verzekeringen is voor de verzekerde geregeld wat onder het premie-inkomen voor de premie volksverzekeringen moet worden verstaan. Bij het opleggen van een aanslag premie volksverzekeringen wordt uitgegaan van het belastbare inkomen uit werk en woning. Ook nabetaalde inkomsten (bijvoorbeeld een ontslaguitkering) behoren tot het belastbare inkomen uit werk en woning en daarmee op grond van artikel 8 van de Wet financiering sociale verzekeringen tot het premie-inkomen. Naar aanleiding van overleg met andere lidstaten in de Administratieve Commissie voor de sociale zekerheid van migrerende werknemers (zie Titel IV van de verordening) is besloten nabetaalde inkomsten niet tot het premie-inkomen te rekenen, als de nabetaling betrekking heeft op een periode waarin geen verzekeringsplicht in Nederland heeft bestaan. De nabetaalde inkomsten dienen te worden vermeld in de aangifte onder de rubriek vermindering premie-inkomen.
Artikel 2
Verordening (EEG) nr. 1408/71
Onderdeel van Premieheffing, volksverzekeringen, werknemersverzekeringen en Zorgverzekeringswet; Internationale aspecten· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 12 juli 2007
Verwijzingen
- artikel 13
- artikel 14
- artikel 13
- artikel 13
- artikel 13
- artikel 8 van de Wet financiering sociale verzekeringen
- artikel 13
- artikel 14
- artikel 13
- artikel 13
- artikel 17
- artikel 7
- artikel 13
- artikel 13
- artikel 63
- artikel 13
- artikel 14
- Artikel 13
- artikel 14
- artikel 14
- artikel 10
- artikel 8 van de Wet financiering sociale verzekeringen
- artikel 8
- artikel 14
- artikel 13
- artikel 14
- artikel 13