Het navolgende is van belang in niet-verdrags- en niet-verordeningssituaties ten aanzien van inwoners van Nederland die in het buitenland werken of niet-inwoners die in Nederland werken.
Volgens artikel 14, eerste lid, wordt als werknemer in de zin van de werknemersverzekeringen niet beschouwd degene die buiten Nederland woont, in dienst is van een buiten Nederland wonende of gevestigde werkgever en tijdelijk in Nederland werkzaam is, indien bij de aanvang van zijn werkzaamheden kan worden aangenomen, dat deze niet langer dan zes maanden, gerekend vanaf de aanvang van die werkzaamheden, in Nederland zullen worden verricht. Of wordt gebleven binnen de periode van zes maanden moet worden gestaafd met schriftelijke bewijsstukken.
Uit artikel 12, eerste lid, volgt dat de ingezetene in dienst van een in Nederland gevestigde of wonende werkgever en werkzaam buiten Nederland, in Nederland verplicht verzekerd is voor de volksverzekeringen ( de eis van ingezetenschap wordt in het kader van het EU-recht overigens niet gesteld). In het geval van (concern)detachering dient er ook gedurende de duur van de detachering een ‘organische band’ aanwezig te zijn tussen de in Nederland wonende werknemer en de onderneming die hem heeft gedetacheerd, wil er sprake zijn van een dienstbetrekking met een in Nederland wonende of gevestigde werkgever. Hierbij geldt naar analogie het beleid dat wordt gehanteerd bij detachering binnen de EU (zie gevolgen Besluit nr. 181). Deze analogie geldt ook voor de toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Ziektewet en de Werkloosheidswet.
Bovendien moet er in alle gevallen sprake zijn van loondoorbetaling ten laste van de Nederlandse onderneming dan wel van een loonvordering op de Nederlandse werkgever als de inlenende buitenlandse werkgever het loon niet betaalt.
In situaties waarin beurtelings in Nederland en in het buitenland arbeid wordt verricht met tussenliggend verlof, wordt de periode van verlof die direct aansluit op een periode waarin arbeid is verricht, in beginsel toegerekend aan de direct aan het verlof voorafgaande werkperiode. Een verlofperiode die wordt genoten direct na een werkperiode in het buitenland wordt derhalve, tenzij in die verlofperiode in Nederland arbeid is verricht, toegerekend aan die buitenlandse periode. Lag de direct aan de verlofperiode voorafgaande werkperiode in Nederland, dan behoort de verlofperiode tot de Nederlandse werkperiode.
Op deze regel is – teneinde te voorkomen dat de betrokkene door het opnemen van verlof afwisselend wel en niet verzekerd is (dan zou een ongewenste zgn. ‘knipperlichtverzekering’ ontstaan) – slechts één uitzondering. Deze houdt in dat een verlofperiode die genoten wordt na een buitenlandse werkperiode niet wordt toegerekend aan die buitenlandse werkperiode indien:
de periode van feitelijk werken in het buitenland korter was dan drie maanden en
betrokkene direct na de verlofperiode weer in Nederland is gaan werken.
Om dezelfde reden wordt goedgekeurd dat een korte onderbreking van de arbeid in het buitenland, bijvoorbeeld wegens:
het gedurende één of enkele dagen volgen van een (herhalings)cursus binnen Nederland;
het deelnemen aan vergaderingen van de ondernemingsraad;
het ophalen van bescheiden of
het ondergaan van een keuring
wordt beschouwd als een periode waarin uitsluitend buiten Nederland arbeid wordt verricht.
In artikel 20 is bepaald dat niet verzekerd is op grond van de volksverzekeringen en indirect ook voor de Zorgverzekeringswet de persoon die uitsluitend wegens studieredenen in Nederland woont en jonger is dan 30 jaar. Aan het vereiste dat betrokkene wegens studieredenen in Nederland woont, is voldaan indien hij daadwerkelijk studerend is en zijn voor werken beschikbare tijd grotendeels, dat wil zeggen voor meer dan de helft, in beslag wordt genomen door het volgen van onderwijs of van een beroepsopleiding. Voor de beoordeling van de vraag of betrokkene aan dit vereiste voldoet, dient te worden uitgegaan van een werkweek van 38 uur. Er moet derhalve sprake zijn van een studie of beroepsopleiding die meer dan 19 uur per week in beslag neemt. De term ‘uitsluitend’ brengt met zich mee dat er geen ruimte is voor een andere reden van verblijf in Nederland dan de studie of de opleiding voor een beroep. Dit houdt in dat, indien de student arbeid in het economische verkeer gaat verrichten buiten zijn studie, hij niet (langer) geacht kan worden uitsluitend wegens studieredenen in Nederland te wonen. De aard en de omvang van de arbeid is hierbij in beginsel niet van belang. Ook geringe (deeltijd)arbeid en vakantiewerk leiden ertoe dat niet meer aan de voorwaarden voor uitsluiting van de volksverzekeringen wordt voldaan. Alleen indien er sprake is van arbeid, welke wordt verricht uit hoofde van studie of beroepsopleiding – bijvoorbeeld tijdens een stageperiode die een verplicht onderdeel vormt van de studie of beroepsopleiding - wordt deze arbeid geacht te behoren tot de studieredenen.
Verwezen wordt verder naar het besluit van 15 december 2006, nr. CPP2006/1461M, Stcrt. nr. 249 met betrekking tot de heffingsaspecten van stagiairs.
In artikel 21, eerste lid, is het volgende bepaald:
‘Niet verzekerd op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is de persoon die in Nederland woont, doch die met toepassing van een verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen of van een door Nederland met een of meer andere staten gesloten verdrag inzake sociale zekerheid, in Nederland recht kan doen gelden op verstrekkingen die hem in beginsel worden verleend ten laste van een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of een staat waarmee Nederland een verdrag inzake sociale zekerheid heeft gesloten.’
Deze bepaling is bedoeld om te voorkomen dat AWBZ-verzekering (en daarmee premieplicht) ontstaat voor personen die louter als gevolg van ingezetenschap verzekerd zouden worden, maar die op grond van Verordening (EEG) nr. 1408/71 of een verdrag ten laste van een andere staat recht hebben op zorg. Deze bepaling leidt onder bepaalde voorwaarden tot uitsluiting van de verzekerings- en premieplicht ingevolge de AWBZ, en met ingang van 1 januari 2006 ook tot uitsluiting van de verzekeringsplicht ingevolge de Zorgverzekeringswet. Het gaat daarbij met name om de volgende groepen personen:
In Nederland wonende pensioengerechtigden die op grond van artikel 28 van de verordening of een verdrag inzake sociale zekerheid recht hebben op zorg in Nederland ten laste van een andere staat;
In Nederland wonende personen die niet langer als werknemer of zelfstandige werkzaam zijn, en die in een andere lidstaat een aanvraag hebben ingediend voor een pensioen of rente, mits die personen ingevolge de wetgeving van een andere lidstaat recht hebben op verstrekkingen of daarop recht zouden hebben indien zij daar zouden wonen, alsmede de gezinsleden en de nagelaten betrekkingen van de bedoelde pensioen- en rente-aanvragers.
Dat deze personen niet zijn onderworpen aan de premieheffing AWBZ, en met ingang van 1 januari 2006 niet zijn onderworpen aan de bijdrageheffing Zorgverzekeringswet, kan blijken uit een verklaring van het College zorgverzekeringen (CVZ), Postbus 320, 1110 AH Diemen, dat zij op grond van de verordening recht hebben op medische zorg in Nederland ten laste van een andere lidstaat. CVZ behoeft op grond van artikel 21 KB 746 geen verklaringen af te geven voor personen op wie de wetgeving van een andere staat van toepassing is ingevolge de verordening of een verdrag, zoals in de volgende gevallen:
De in Nederland wonende werknemer of zelfstandige en diens gezinsleden op wie op grond van de verordening of een verdrag inzake sociale zekerheid de sociale zekerheidswetgeving van een andere lidstaat van toepassing is en die ingevolge die wetgeving verzekerd is voor de ziektekosten;
De werknemer of zelfstandige die ingevolge de sociale zekerheidswetgeving van een andere lidstaat verzekerd is voor ziektekosten en van het orgaan waarbij de betrokkene als verzekerde is ingeschreven, toestemming heeft gekregen om zijn woonplaats naar Nederland over te brengen, en zijn gezinsleden. Het betreft hier de zieke of arbeidsongeschikte werknemer of zelfstandige die nog onder behandeling is, en zijn in Nederland wonende gezinsleden;
De in Nederland wonende werkloze, voorzover zijn medische zorg niet ingevolge artikel 25, tweede lid, van de verordening ten laste van Nederland is gebracht, en zijn in Nederland wonende gezinsleden.
Afgezien van deze bijzondere situaties geldt de uitsluiting van de AWBZ-verzekering uiteraard ook voor in Nederland wonende pensioengerechtigden en/of hun gezinsleden die op grond van artikel 28 van de verordening of een verdrag inzake sociale zekerheid recht hebben op zorg in Nederland ten laste van een andere verdragsstaat.
Een verklaring kan eveneens worden verlangd, wanneer op grond van andere internationale socialezekerheidsregelingen recht bestaat op medische zorg in Nederland ten laste van een andere verdragsstaat.
Artikel 4
Nationale wetgeving met internationale aspecten
Onderdeel van Premieheffing, volksverzekeringen, werknemersverzekeringen en Zorgverzekeringswet; Internationale aspecten· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 12 juli 2007