Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk II

Artikel 7

Raming van de ex ante verzekerdenaantallen 2008 voor de zorgverzekeraars

Onderdeel van Regeling beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2008· Gezondheidsrecht en farmaceutisch recht

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2008

1. Het persoonskenmerkenbestand 2007 bestaat uit de gepseudonimiseerde opgaven van de zorgverzekeraars van de verzekerden op 1 juni 2007 naar geslacht, leeftijd en viercijferige postcode. 2. Het college baseert zich bij de raming van de verzekerdenaantallen naar risicoklasse leeftijd en geslacht 2008, naar regioklasse 2008, naar GGZ-regioklasse en naar de verzekerden aantallen van 18 jaar en ouder 2008, op het persoonskenmerkenbestand 2007. 3. Voor de vaststelling van de aard van het inkomenklasse baseert het college zich op de gepseudonimiseerde opgave van het UWV of de Belastingdienst naar inkomensbron in het jaar 2006. 4. Voor de vaststelling van de sociaal economische status klasse baseert het college zich op de gepseudonimiseerde opgave van de Belastingdienst over het jaar 2004 en 2005. 5. Het college bepaalt voor elke verzekerde uit het persoonskenmerkenbestand 2007 in welke klasse een verzekerde valt voor de criteria leeftijd, geslacht, aard van het inkomen, regio, GGZ-regio, éénpersoonsadres en sociaal economische status. Het college stelt voor de toepasselijke klasse waarin de verzekerde valt de zwaarte op 1. 6. Het college bepaalt per verzekerde de zwaarte per FKG 2008 verder als volgt: Uitgangspunt is de opgave per 1 juni 2007 van alle declaraties farmaceutische hulp 2006 van de zorgverzekeraar aan het college. Het college bepaalt door een koppeling op basis van het gepseudonimiseerde burgerservicenummer tussen de opgave onder a en het persoonskenmerkenbestand 2007 per verzekerde in welke FKG klasse de verzekerde valt. De verzekerde krijgt een zwaarte van 1 voor de betreffende klasse. Vervolgens past het college per verzekerde per FKG 2008 een ophoogfactor toe voor de geraamde prevalentieontwikkeling, die gelijk wordt gesteld aan de prevalentieontwikkeling 2005–2006, zoals weergegeven in bijlage 1 van deze beleidsregels. Indien de ophoogfactor 1,x bedraagt krijgt de verzekerde een zwaarte van 1,x voor de betreffende klasse. 7. Het college bepaalt per verzekerde de zwaarte per DKG 2008 verder als volgt: Uitgangspunt is de opgave van de zorgverzekeraar per 1 juni 2007 van de declaraties van alle DBC’s die in 2005 geopend zijn. Het college bepaalt door een koppeling op basis van het gepseudonimiseerde burgerservicenummer tussen de opgave onder a en het persoonskenmerkenbestand 2007 per verzekerde in welke DKG 1t/m13 2008 de verzekerde valt. De verzekerde krijgt een zwaarte van 1 voor de betreffende klasse. Vervolgens past het college per verzekerde per DKG 1t/m13 2008 een ophoogfactor 1,y toe voor ontbrekende gegevens. Bij een ophoogfactor van 1,y krijgt de verzekerde een zwaarte van 1,y voor de betreffende klasse. Als een verzekerde niet in een DKG 1t/m13 valt, deelt het college deze verzekerde per zorgverzekeraar in bij DKG 0. Deze verzekerde krijgt de zwaarte 1 voor zover het college geen zorgverzekeraarspecifieke bijraming heeft gedaan. 8. Vervolgens past het college per risicoklasse naar leeftijd en geslacht, FKG klasse, DKG klasse, aard van het inkomenklasse, regioklasse, GGZ-regioklasse, eenpersoonsadres klasse en sociaal economische status klasse een ophoogfactor toe, zodanig dat opschaling plaatsvindt naar de macro verzekerdenraming voor 2008. Bij een ophoogfactor van 1,z krijgt de verzekerde per verdeelcriterium een zwaarte die gelijk is aan het product van 1,z en de zwaarte van de betreffende klasse. 9. Tenslotte bepaalt het college het aantal verzekerden 2008 per zorgverzekeraar per risicoklasse, FKG klasse, DKG klasse, aard van het inkomenklasse, regioklasse, GGZ regioklasse, eenpersoonsadres klasse en sociaal economische status klasse de zwaarten door zoals bepaald in het achtste lid per risicoklasse, FKG klasse, DKG klasse, aard van het inkomenklasse, regioklasse, GGZ regioklasse, eenpersoonsadresklasse en sociaal economische status klasse bij elkaar op te tellen. 10. Het college bepaalt per zorgverzekeraar het aantal verzekerden met FKG Psychische aandoeningen voor het deelbedrag geneeskundige geestelijke gezondheidszorg overeenkomstig de berekening van de psychische FKG 2008 uit het zesde lid en het negende lid. Het aantal verzekerden 2008 per zorgverzekeraar voor het deelbedrag geneeskundige geestelijke gezondheidszorg met een FKG 0 bepaalt het college door het geraamde totaal aantal verzekerden 2008 per zorgverzekeraar te verminderen met het aantal verzekerden 2008 met een FKG Psychische aandoeningen. 11. Het college bepaalt per zorgverzekeraar het aantal verzekerden voor de normatieve eigen risico opbrengst als volgt: Het college bepaalt per zorgverzekeraar op basis van het persoonskenmerkenbestand 2007, artikel 2 en artikel 5 het aantal verzekerden van 18 jaar en ouder 2008 met een FKG 1t/m 20 2008; Het college bepaalt het aantal verzekerden per zorgverzekeraar van 18 jaar en ouder zonder een FKG 1 t/m 20. Per verzekerde bepaalt het college op basis van het zesde en het negende lid welke zwaarte deze verzekerde heeft voor de risicoklasse naar leeftijd en geslacht, aard van inkomenklasse en regioklasse; Vervolgens bepaalt het college per zorgverzekeraar het totaal aantal verzekerden 2008 per risicoklasse naar leeftijd en geslacht, aard van het inkomenklasse en regioklasse door de zwaarten per risicoklasse naar leeftijd en geslacht, inkomensklasse en regioklasse bij elkaar op te tellen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel