Naar hoofdinhoud

Artikel 3:1

Ernstige inbreuk rechtsorde misdrijven (artikel 10, eerste lid, onderdeel a, onder 3°)

Onderdeel van Besluit politiegegevens· Bank- en effectenrecht, financiering

De misdrijven, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, van de wet die gezien hun aard of samenhang met andere door de betrokkene begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren, zijn: de misdrijven, bedoeld in de artikelen 311, eerste lid, onder 3° tot en met 5°, en 416 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover de feiten een schade van ten minste € 25 000 veroorzaakt hebben en betrokkene tevens een misdrijf als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, van de wet heeft begaan; de misdrijven, bedoeld in 241, 245, eerste lid, en 252 en 273f van het Wetboek van Strafrecht; de misdrijven, bedoeld in de artikelen 177, 178, 361 en 363 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 179 en 180 van het Wetboek van Strafrecht in verband met de artikelen 181 en 182 van dat wetboek; de misdrijven, bedoeld in de artikelen 225, 226, 227, 231 en 232 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover de feiten een schade van ten minste € 50 000 veroorzaakt hebben; de misdrijven, bedoeld in de artikelen 191 en 197a van het Wetboek van Strafrecht; het misdrijf, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel A, van de Opiumwet; de misdrijven, bedoeld in de artikelen 26 en 31 van de Wet wapens en munitie, voor zover de feiten betrekking hebben op het voorhanden hebben van vuurwapens en explosieven. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet seksuele misdrijven in werking treedt.

Verwijzingen