Met ingang van 2025 is het wettelijke regime met betrekking tot de vrijgestelde beleggingsinstelling (VBI) gewijzigd. Een belangrijke wijziging betrof de aanscherping van de wettelijke definitie van de VBI. In deze nieuwe definitie is vastgelegd dat een vrijgestelde beleggingsinstelling moet kwalificeren als een beleggingsinstelling of ICBE, in de zin van artikel 1.1 van de Wet op het financieel toezicht (Wft).1Zie artikel 6a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, zoals gewijzigd door de Wet aanpassing Fonds voor Gemene Rekening en Vrijgestelde Beleggingsinstelling (Stb. 2023, 503).
Deze wijziging beoogt met name een belemmering op te werpen tegen de toegang tot het VBI-regime voor lichamen die worden gebruikt voor individueel vermogensbeheer, zoals familieconstructies. De koppeling van het begrip vrijgestelde beleggingsinstelling aan de begrippen beleggingsinstelling en ICBE in de zin van de Wft sluit namelijk uit dat deze beleggingsinstellingen kunnen worden gebruikt voor familieconstructies. Dit volgt uit de wetsgeschiedenis van de Wft, waaruit expliciet blijkt dat beleggingsinstellingen en ICBE's in de zin van de Wft niet zijn bedoeld voor individueel vermogensbeheer.2Zie Kamerstukken II 33 235, nr. 3, blz. 11 en 46.
Artikel 2.2
Wetswijziging met ingang van 2025
Onderdeel van Vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting, vrijgestelde beleggingsinstelling· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 18 januari 2025