In aansluiting op artikel 35 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:
berekening omvang ketenaansprakelijkheid;
het begrip aannemer en ketenaansprakelijkheid;
het begrip eigenbouwer;
extraterritoriale werking van de ketenaansprakelijkheid;
ketenaansprakelijkheid en g-rekening;
samenloop derdenbeslag en ketenaansprakelijkheid;
(niet-)verwijtbaarheid en ketenaansprakelijkheid;
het anoniementarief en ketenaansprakelijkheid;
latere brutering en ketenaansprakelijkheid;
volgorde aansprakelijkstelling binnen de keten;
verklaring inzake de nakoming van fiscale verplichtingen.
Op grond van het bepaalde in artikel 27 van de Wet op de loonbelasting 1964 is de onderaannemer/inhoudingsplichtige verplicht om op het tijdstip waarop het loon aan de werknemer wordt uitbetaald de verschuldigde loonheffingen in te houden.
De hoofdelijke aansprakelijkheid voor de loonheffingen van de aannemer ontstaat op datzelfde tijdstip en primair ook tot hetzelfde bedrag. Omdat de aansprakelijkheid in een aansprakelijkstelling op een later tijdstip wordt geconcretiseerd, moet ten tijde van de beschikking ex artikel 49 van de wet worden vastgesteld in hoeverre het bedrag van de aansprakelijkheid – zoals ontstaan ten tijde van de wettelijke inhoudingsplicht – nog is verschuldigd.
De ontvanger moet beoordelen of het bedrag van de primaire aansprakelijkheid moet worden verminderd als gevolg van betalingen (op aangifte en/of op naheffingsaanslag) door de onderaannemer/inhoudingsplichtige.
Deze toerekening van betalingen aan ‘het werk’ gebeurt naar redelijkheid en kan bijvoorbeeld plaatsvinden aan de hand van de (loon)administratie van de onderaannemer en/of aan de hand van de afdrachten/betalingen over de verschillende aangiftetijdvakken. Als afdrachten/betalingen redelijkerwijs niet kunnen worden toegerekend aan bepaalde werken en/of de indirecte loonkosten, vindt een evenredige toerekening daarvan plaats aan alle werken en/of indirecte loonkosten gedurende het naheffingtijdvak.
Het begrip aannemer heeft in het kader van de ketenaansprakelijkheid een eigen zelfstandige betekenis. Onder ‘aannemer’ wordt in dit verband verstaan de persoon die zich jegens een ander – de opdrachtgever – verbindt om buiten dienstbetrekking een werk van stoffelijke aard te verrichten tegen een te betalen prijs.
De uitvoering van een werk van stoffelijke aard zal veelal resulteren in een tastbaar product. Met de keuze van het criterium ‘uitvoeren van een werk van stoffelijke aard’ wordt beoogd alle sectoren van het economisch leven onder de werkingssfeer van dit artikel te brengen. Het gehanteerde criterium overschrijdt niet alleen de onderscheidingen die gemaakt zijn in het Burgerlijk Wetboek, maar ook de indelingen die in het economische leven gangbaar zijn.
Niet elke arbeid die resulteert in een tastbaar product kan worden gerekend tot de ‘uitvoering van een werk van stoffelijke aard’ in de zin van dit artikel. De eigen aard van de arbeid moet ook in de beschouwing worden betrokken. Alle werken of producten die door een in hoofdzaak geestelijke of intellectuele arbeid tot stand komen, zijn niet als werk van stoffelijke aard te beschouwen.
Vervaardiging van kleding is een werk van stoffelijke aard en moet ruim worden opgevat. Het gaat om het vervaardigen van kleding van alle soorten en materialen onder welke benaming en voor welk doel dan ook. Hieronder valt ook elke handeling die erop gericht is het eindproduct zelf consumptiegereed (in de meest ruime zin) te maken.
Vervoersovereenkomsten als bedoeld in artikel 34.1 vallen buiten de werking van artikel 35 van de wet, omdat geen sprake is van een werk van stoffelijke aard. Als het vervoer echter onderdeel uitmaakt van en ondergeschikt is aan een overeenkomst tot uitvoering van een werk van stoffelijke aard, dan moet dat vervoer niet worden afgesplitst van dat grotere geheel.
Bij de gemengde overeenkomsten waarin de vervoersprestatie niet ondergeschikt is aan het overeengekomen werk van stoffelijke aard, moeten de onderscheiden prestaties in beginsel worden gesplitst.
Voor de toepassing van artikel 35 van de wet moet het uitvoeren van een werk buiten dienstbetrekking gebeuren. Voor het begrip dienstbetrekking wordt aangesloten bij de Wet op de loonbelasting 1964.
De zogenaamde ‘eigenbouwer’ wordt met een aannemer gelijkgesteld en is geen opdrachtgever.
De vraag of sprake is van een eigenbouwer moet worden beantwoord aan de hand van de volgende criteria:
Er is sprake van het uitvoeren van een werk zonder opdracht van een opdrachtgever.
Het werk moet buiten dienstbetrekking worden uitgevoerd (zie artikel 35.2.3 van deze leidraad).
Het werk wordt uitgevoerd in de normale uitoefening van het bedrijf (zie artikel 35.3.3 van deze leidraad).
Het werk is van stoffelijke aard (zie artikel 35.2.1 van deze leidraad).
In overleg met de inspecteur waaronder de eigenbouwer ressorteert, beoordeelt de ontvanger of sprake is van eigenbouwerschap aan de hand van de concrete omstandigheden van het betrokken bedrijf en van de onderhavige werkzaamheden.
In verband daarmee is het niet mogelijk voor bepaalde bedrijfstakken of voor bepaalde typen van bedrijven, dan wel voor bepaalde categorieën werkzaamheden in het algemeen, aan te geven of sprake is van eigenbouwerschap.
Voor de interpretatie van het begrip ‘bedrijf’ kan aansluiting worden gezocht bij hetgeen daaronder in het normale spraakgebruik wordt verstaan: een onderneming of een daarmee vergelijkbare entiteit (bijvoorbeeld een overheidsbedrijf).
Er moet sprake zijn van een zekere organisatie van kapitaal en arbeid waarmee min of meer duurzaam aan het maatschappelijk (ruil)verkeer wordt deelgenomen met als doel te voorzien in de daarin levende behoeften. Binnen een organisatie kan een bepaalde activiteit van zodanige betekenis zijn dat deze activiteit met zich meebrengt dat bedrijfsmatig wordt gehandeld.
De omstandigheid dat geen winst wordt beoogd en/of feitelijk wordt behaald, leidt op zich bezien niet tot de conclusie dat geen bedrijf wordt uitgeoefend. Publiekrechtelijke lichamen oefenen (behoudens de hierna genoemde uitzonderingen) geen bedrijf uit in de hiervoor bedoelde zin indien en voor zover zij handelen als overheid. Het publiekrechtelijke lichaam handelt ‘als overheid’ als het handelt volgens het specifiek voor hem geldende juridische regime.
Op deze hoofdregel bestaat een tweetal uitzonderingen:
indien en voor zover een publiekrechtelijk lichaam prestaties verricht onder zodanige condities dat het ontbreken van belastingplicht voor de omzetbelasting over die prestaties leidt tot concurrentievervalsing van enige betekenis;
indien en voor zover een publiekrechtelijk lichaam werkzaamheden verricht als genoemd in bijlage I bij de BTW-Richtlijn 2006/112/EG.
Als het overheidslichaam handelt onder dezelfde juridische voorwaarden als particuliere economische subjecten (bedrijven) en dus niet ‘als overheid’, dan zal het uiteraard steeds kunnen worden aangemerkt als bedrijf. Wat geldt voor publiekrechtelijke lichamen, geldt evenzeer voor publiekrechtelijke instellingen en organen, zoals gemeentelijke grondbedrijven.
Bij de beoordeling of een werk in de normale uitoefening van het bedrijf wordt uitgevoerd, is uitsluitend van belang wat in het betreffende bedrijf feitelijk gebruikelijk is.
Het is mogelijk dat naast de voortbrenging van producten bestemd voor de markt, het voor het bedrijf gebruikelijk is zelf zijn bedrijfsmiddelen te maken en/of te onderhouden. In dat geval kan dus sprake zijn van eigenbouwerschap met betrekking tot de vervaardiging en/of het onderhoud van de eigen bedrijfsmiddelen.
Als het voor het betreffende bedrijf niet gebruikelijk is eigen bedrijfsmiddelen te vervaardigen, dan leidt het incidenteel vervaardigen van een bedrijfsmiddel niet tot eigenbouwerschap.
Een bedrijf dat bij de feitelijke uitvoering van een bepaald werk zelf geen werkzaamheden van stoffelijke aard verricht, maar alle werkzaamheden uitbesteedt aan derden, kan in twee situaties toch eigenbouwer zijn namelijk:
Het betrokken bedrijf pleegt de bedoelde werkzaamheden (in andere gevallen) ook zelf geheel of gedeeltelijk uit te voeren.
De realisatie van het uiteindelijk tot stand te brengen werk past binnen de bedrijfsdoelstelling van het desbetreffende bedrijf. Daarvan kan bijvoorbeeld ook sprake zijn in gevallen waarin het betreffende bedrijf niet in staat is de betreffende werkzaamheden uit te voeren. Voorwaarde is dan wel dat het bedrijf dat de werkzaamheden uitbesteedt, de algehele leiding over de werkzaamheden houdt. Zo’n situatie doet zich met name voor in gevallen, waarin een bedrijf bepaalde werkzaamheden pleegt te doen uitvoeren en daarbij – met gebruikmaking van de eigen technische en/of organisatorische kennis met betrekking tot de uitvoering van het werk – een aanzienlijk meer omvattende rol speelt dan een ‘normale’ opdrachtgever.
Woningcorporaties en andere op grond van artikel 19, eerste lid, van de Woningwet ‘toegelaten instellingen’ oefenen in beginsel een bedrijf uit. Als voor eigen rekening en risico een nieuwbouwproject wordt uitgevoerd – hetzij voor de verkoop, hetzij voor de verhuur – en het realiseren van een nieuwbouwproject meer dan incidenteel gebeurt, is de corporatie eigenbouwer. De corporatie moet dan een zodanige ervaring en kennis hebben met betrekking tot het bouwen, dat zij door hiervan gebruik te maken feitelijk op dezelfde wijze optreedt als een hoofdaannemer die het gehele werk uitbesteedt.
Als een gemeentelijk grondbedrijf door haar verworven stukken grond bouwrijp maakt om deze bijvoorbeeld te verkopen, in erfpacht uit te geven of te verhuren, dan treedt het grondbedrijf met betrekking tot een dergelijke activiteit op als eigenbouwer. Het aanleggen/totstandbrengen van gemeenschapsvoorzieningen door het gemeentelijke grondbedrijf levert geen bedrijfsmatig handelen op (zie artikel 35.3.2 van deze leidraad).
De gemeente treedt in een dergelijk geval op als overheid, hetgeen handelen als eigenbouwer uitsluit.
In de confectiesector kan sprake zijn van eigenbouwerschap. Daarbij is het niet noodzakelijk dat het betreffende bedrijf ook zelfstandig in staat is de betreffende werkzaamheden uit te voeren. Voorwaarde is dan wel dat het bedrijf dat de werkzaamheden uitbesteedt de algehele leiding over die werkzaamheden heeft, althans bij de productie een rol bekleedt die die van een opdrachtgever overstijgt.
Hierdoor zal bijvoorbeeld ook het winkelbedrijf onder omstandigheden kunnen worden aangemerkt als eigenbouwer. Het moet dan gaan om voor het winkelbedrijf normale bedrijfsactiviteiten. Bepalend is of het winkelbedrijf het proces in technische of organisatorische zin beheerst. Hiervan zal sprake zijn als het winkelbedrijf normaliter zeer gedetailleerde opdrachten verstrekt en ook in het verdere productieproces een begeleidende/controlerende rol kan vervullen.
Als het winkelbedrijf in de hoedanigheid van opdrachtgever aansprakelijk kan worden gesteld, (zie artikel 35a, aanhef, van deze leidraad) blijft een aansprakelijkstelling op grond van het zogenoemde eigenbouwerschap ex artikel 35, derde lid, onderdeel b, van de wet achterwege.
Als een onderaannemer het werk in het buitenland uitvoert en over het loon van zijn werknemers in Nederland loonheffingen is verschuldigd, dan is de buitenlandse aannemer daarvoor niet aansprakelijk op grond van artikel 35 van de wet.
Als een onderaannemer voor een buitenlandse aannemer een werk uitvoert in Nederland en in verband daarmee in Nederland loonheffingen is verschuldigd, dan is de buitenlandse aannemer daarvoor aansprakelijk op grond van artikel 35 van de wet.
Voor de vrijwaring als bedoeld in artikel 35, vijfde lid, van de wet, moet zijn voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 6 van de Uitvoeringsregeling inleners-, keten- en opdrachtgeversaansprakelijkheid 2004.
Als de aannemer niet heeft voldaan aan deze voorwaarden, vermindert de ontvanger de primaire aansprakelijkheidsschuld slechts met de stortingen op de g-rekening die de ontvanger hebben bereikt. Om dit laatste te bepalen zal de ontvanger alle betalingen die de onderaannemer van zijn g-rekening voor het naheffingtijdvak heeft verricht, optellen en het bedrag van de gekwalificeerde g-betalingen van de som aftrekken. Het saldo van deze berekening rekent de ontvanger toe naar evenredigheid van de g-betalingen met betrekking tot het naheffingtijdvak aan de aannemers die niet aan de gestelde voorwaarden hebben voldaan.
De ontvanger vergelijkt het bedrag van de primaire aansprakelijkheid, verminderd met de vrijwarende stortingen zoals hiervoor is aangegeven, met de uitkomst van de berekening zoals in artikel 35.1 van deze leidraad is toegelicht. In de aansprakelijkstelling gaat de ontvanger uit van de laagste van de twee uitkomsten.
De ontvanger kan de aannemer ook aansprakelijk stellen voor bedragen die vanaf de datum van het faillissement van de onderaannemer op diens g-rekening zijn bijgeschreven, aangezien op die bedragen geen pandrecht meer wordt gevestigd zodat de ontvanger daarop geen bijzondere aanspraken meer kan doen gelden. De bedragen die na faillissementsdatum zijn gestort, vallen in de boedel en kunnen niet meer worden afgeboekt op de belastingschuld.
Dit geldt ook voor bedragen die op de g-rekening zijn bijgeschreven vanaf de datum van de uitspraak tot toepassing van de WSNP. Ook in verband met de afwikkeling van de wettelijke schuldsaneringsregeling of het faillissement (door de bewindvoerder onderscheidenlijk door de curator), vinden eventuele aansprakelijkstellingen door de ontvanger zo spoedig mogelijk plaats na de datum waarop de wettelijke schuldsaneringsregeling of het faillissement is uitgesproken.
De ontvanger kan zich beroepen op toerekenbare tekortkoming (wanprestatie) van een g-rekeninghouder, als deze bedragen van de g-rekening heeft overgeboekt in strijd met de g-rekeningovereenkomst waardoor het pandrecht van de fiscus is gefrustreerd. De g-rekeninghouder die deze bedragen op zijn g-rekening ontvangt, begaat een toerekenbare tekortkoming (wanprestatie) als hij deze bedragen niet onmiddellijk terugstort op de g-rekening van de storter.
Een beroep op onrechtmatig handelen behoort eveneens tot de mogelijkheden. Dit betekent dat de ontvanger moet bewijzen dat is gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer gepast is en dat hij schade heeft geleden.
Er is al sprake van in strijd handelen met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer gepast is, als een g-rekeninghouder bedragen stort of ontvangt terwijl hij wist dat er geen sprake was van aanneming van werk en hij deze bedragen niet heeft teruggestort. De schade bestaat uit de niet op de g-rekening verhaalbare loonheffingen zoals die ten tijde van de onttrekking verschuldigd zijn en/of later verschuldigd worden, één en ander tot ten hoogste het onttrokken bedrag.
Zodra de ontvanger bekend is met een surseanceverlening, verzoekt hij de bewindvoerder schriftelijk of hij – binnen een door de ontvanger te stellen termijn – schriftelijk wil instemmen met de vestiging van een pandrecht op de saldi op de g-rekening die ontstaan vanaf de datum van surseanceverlening.
Als de bewindvoerder instemming weigert, dan zegt de ontvanger de g-rekeningovereenkomst onmiddellijk op.
Artikel II van Stcrt. 2015/35637 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel II van Stcrt. 2015/35637 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel II van Stcrt. 2015/35637 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel II van Stcrt. 2015/35637 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel II van Stcrt. 2015/35637 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Als de ontvanger – voordat tot aansprakelijkstelling wordt overgegaan – ten laste van de onderaannemer derdenbeslag legt onder de aansprakelijke aannemer, is de aannemer op grond van artikel 476a Rv en volgende verplicht verklaring te doen van hetgeen hij onder zich heeft en de geldsom die door het beslag is getroffen aan de ontvanger af te dragen.
Bij een daarop volgende aansprakelijkstelling van de aannemer, zal de ontvanger het verhaalde bedrag vanwege het eerdere derdenbeslag op het bedrag van de aansprakelijkstelling in mindering brengen, als blijkt dat zowel het door het derdenbeslag getroffen bedrag – ongeacht op welke belastingschuld dit bedrag is afgeboekt – als de aansprakelijkheidsvordering van de ontvanger, beide betrekking hebben op dezelfde rechtsverhouding (de overeenkomst van aanneming van werk) tussen de aannemer en de onderaannemer.
De hierbedoelde vermindering wordt betrokken in de berekening als uiteengezet in artikel 35.5.1 van deze leidraad.
De aansprakelijkheid op grond van artikel 35, eerste lid, van de wet geldt niet met betrekking tot de belasting verschuldigd door een onderaannemer, als aannemelijk is dat de niet-betaling aan hem noch aan een aannemer is te wijten.
Als de niet-betaling kan worden verweten aan één onderaannemer of aannemer in de keten, is elke aannemer in de keten in beginsel aansprakelijk.
Niet-verwijtbaarheid wordt in het algemeen naar redelijkheid en billijkheid beoordeeld; daarbij hangt veel af van de feitelijke omstandigheden. Zo kan van niet-verwijtbaarheid sprake zijn als een ondernemer – hoewel hij de nodige voorzieningen heeft getroffen om eventuele tegenslagen in zijn bedrijf het hoofd te kunnen bieden – toch wordt geconfronteerd met niet te voorziene calamiteiten van zodanige omvang dat hij ondanks zijn voorzorgen niet meer in staat is aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen. Dat kan het gevolg zijn van algemeen geldende omstandigheden zoals een verslechterde economische situatie of uitzonderlijk slechte weersomstandigheden.
Ook kan plotseling betalingsonmacht ontstaan door een bijzondere gebeurtenis bijvoorbeeld een niet voorzienbare, omvangrijke miscalculatie of door het faillissement van een belangrijke debiteur. Hierbij moet echter wel in het oog worden gehouden dat een ondernemer die zijn bedrijf uitoefent op een te zwakke financiële basis zich niet gemakkelijk op niet-verwijtbaarheid kan beroepen. Het is vanzelfsprekend dat hij bij enige tegenslag in moeilijkheden komt.
In de navolgende omstandigheden is sprake van verwijtbaarheid tenzij deze omstandigheden aan geen enkele schakel van de keten kunnen worden toegerekend:
De onderaannemer heeft geen of onvoldoende (loon-)administratie, zodat niet kan worden getoetst hoeveel aan loonheffingen is verschuldigd.
De onderaannemer heeft medewerkers in dienst die niet in de loonadministratie zijn opgenomen.
De onderaannemer betaalt hogere lonen dan zijn administratie aangeeft.
De onderaannemer betaalt onverantwoord hoge nettolonen uit.
De onderaannemer komt zijn wettelijke verplichtingen als inhoudingsplichtige niet na, zoals het opmaken van loonstaten en het doen van aangifte van de verschuldigde loonheffingen over verstreken tijdvakken.
De onderaannemer heeft de verschuldigde loonheffingen niet betaald hoewel het saldo op zijn geblokkeerde rekening daartoe toereikend was.
De onderaannemer is zijn wettelijke verplichtingen ter bescherming van crediteuren niet nagekomen, zoals de inschrijving in het handelsregister overeenkomstig de feitelijke situatie en de voorgeschreven minimale storting op het geplaatste aandelenkapitaal.
De onderaannemer heeft financiële verplichtingen aangegaan zonder dat zijn liquiditeitspositie dit rechtvaardigt.
De onderaannemer heeft werk aangenomen tegen een zodanig lage prijs dat de ruimte ontbreekt zijn betalingsverplichtingen onverkort na te komen.
De aannemer heeft geen of onvoldoende administratie aan de hand waarvan het bedrag aan loon kan worden vastgesteld, dat is begrepen in de prijs die door de aannemer moet worden betaald voor de uitvoering van een werk door een onderaannemer.
De aannemer heeft overeenkomsten van onderaanneming gesloten met onderaannemers, van wie hij wist of kon weten dat zij hun betalingsverplichtingen aan de Belastingdienst niet of slechts ten dele nakomen.
De aannemer is aansprakelijk voor de loonbelasting en premie volksverzekeringen die met toepassing van het anoniementarief (ex artikel 26b van de Wet op de loonbelasting 1964) zijn berekend en door zijn onderaannemer over het werk zijn verschuldigd. Dit geldt ook voor de premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet die zonder toepassing van het maximumpremieloon, respectievelijk het maximumbijdrageloon zijn berekend.
De ontvanger matigt de primaire aansprakelijkheid als:
de aannemer de identiteit van de werknemer kan aantonen;
de aannemer desgevraagd kan aantonen dat de werknemer over een geldige verblijfs- of tewerkstellingsvergunning beschikt;
de aannemer gegevens overlegt aan de hand waarvan het loon van de werknemer voor zijn werkzaamheden kan worden geïndividualiseerd.
De ontvanger zal de hoogte van de aansprakelijkstelling niet matigen als blijkt dat de aannemer de voor de matiging vereiste gegevens niet heeft geadministreerd ten tijde van de uitvoering van de aannemingsovereenkomst. Als mocht blijken dat het in de administratie van de aannemer opgenomen burgerservicenummer van de werknemer onjuist is, zal de aannemer in de gelegenheid worden gesteld alsnog het juiste burgerservicenummer te overleggen.
De aannemer kan de identiteit van de werknemer aantonen door in zijn administratie de volgende gegevens van de werknemer op te nemen:
naam-, adres- en woonplaatsgegevens;
de geboortedatum;
het burgerservicenummer;
een specificatie van de gewerkte uren;
de nationaliteit;
het soort identiteitsbewijs, het nummer en de geldigheidsduur;
als dat van toepassing is, de aanwezigheid van een A1-verklaring, verblijfsvergunning, tewerkstellingsvergunning of notificatie;
naam-, adres- en woonplaats van de onderaannemer.
De administratie moet ook een adequate procedure bevatten aan de hand waarvan de identificatie van de werknemer, de verificatie van het identiteitsbewijs en de vastlegging van de persoonsgegevens plaatsvindt. Deze procedure moet ten minste voldoen aan de bepalingen van de Algemene verordening gegevensbescherming, de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming en de Richtsnoeren van de Autoriteit Persoonsgegevens. In dat geval zal de ontvanger de hoogte van de aansprakelijkheid voor de betreffende aannemer verlagen aan de hand van herrekeningsregels. Deze verlaging kan al plaatsvinden ten tijde van de aansprakelijkstelling, maar ook in de bezwaar- of (hoger) beroepfase. Dit gebeurt aan de hand van de volgende herrekeningsregels.
In het geval van matiging wordt bij de brutering van het loon - althans voor zover het de loonbelasting en premie volksverzekeringen betreft - gebruik gemaakt van een marginaal percentage. Het marginale tarief is de uitkomst van een berekening waarbij het (gewogen) gemiddelde tarief dat behoort bij de laagste (geknipte) tariefschijf ex artikel 20a juncto artikel 27, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt vermenigvuldigd met twee, vervolgens wordt geteld bij het tarief dat behoort bij de tweede tariefschijf (t.a.p.) waarna de som wordt gedeeld door drie. De loonbelasting/premie volksverzekeringen over de werkzaamheden waarvoor de aansprakelijkheid bestaat, wordt vervolgens berekend met toepassing van hetzelfde (marginale) percentage.
De berekening van de verschuldigde premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet vindt plaats alsof de identiteit van de werknemers waarvoor de aannemer om matiging verzoekt op het moment van inhouding vaststond. De uitkomst van die berekening vormt het bedrag waarvoor de aannemer na matiging aansprakelijk gesteld kan worden.
Vanwege het feit dat de matiging uitsluitend de betreffende aannemer zelf aangaat, en niet de positie van de inhoudingsplichtige of die van andere aansprakelijken voor de naheffingsaanslag beïnvloedt, wordt het voorgaande uitsluitend betrokken in de berekening als uiteengezet in artikel 35.5.1 van deze leidraad.
Deze ‘tariefmatiging’ – die overigens niet van invloed is op de hoogte van de naheffingsaanslag – vindt niet plaats als de aannemer wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de onderaannemer met anoniem personeel werkte. De beperking van de hoogte van de aansprakelijkheid blijft daardoor achterwege.
De aannemer is ook aansprakelijk voor de loonheffingen die verschuldigd zijn als gevolg van een latere brutering. Een latere brutering kan zich bijvoorbeeld voordoen als blijkt dat de onderaannemer de nageheven loonheffingen niet op zijn werknemer(s) heeft verhaald en dus voor eigen rekening neemt. De loonheffingen die als gevolg van dit ‘voor eigen rekening nemen’ verschuldigd zijn, worden aangemerkt als ‘belasting ter zake van het werk’.
De ontvanger stelt een aannemer pas aansprakelijk nadat is komen vast te staan dat en in hoeverre invordering ten laste van de belastingschuldige zelf – bijvoorbeeld door uitwinning van diens g-rekening – geen of onvoldoende kans van slagen biedt. Aansprakelijkstelling kan al plaatsvinden vanaf het tijdstip dat de belastingschuldige in gebreke is met de betaling van zijn belastingschuld. Hierbij neemt de ontvanger de onderstaande volgorde in acht:
Als eerste stelt de ontvanger de aannemer aansprakelijk die rechtstreeks met de in gebreke gebleven (onder)aannemer heeft gecontracteerd, tenzij op grond van de voorhanden zijnde gegevens redelijkerwijs aannemelijk is dat aansprakelijkstelling van die aannemer niet tot voldoening van de schuld zal leiden. In dat geval stelt de ontvanger de aannemer aansprakelijk die in de keten de minst ver verwijderde schakel vormt en van wie op grond van de voorhanden zijnde gegevens redelijkerwijs aannemelijk is dat hij in staat is de schuld te voldoen.
In afwijking van het voorafgaande kan de ontvanger elk van de aannemers in de keten bij voorrang aansprakelijk stellen, als één of meer aannemers hebben nagelaten die maatregelen te treffen die redelijkerwijs nodig zijn om het niet (geheel) betalen van de verschuldigde belasting door de (onder)aannemer te voorkomen. Dit geldt ook als zij wisten of konden weten dat betaling van die belasting geheel of gedeeltelijk achterwege zou blijven. Daarbij is niet van belang in welke mate de aansprakelijk te stellen aannemer zelf nalatig is geweest of wetenschap heeft gehad of had kunnen hebben van het achterwege blijven van de betaling. Evenmin is de plaats in de keten van belang.
De ontvanger kan onmiddellijk de gehele keten aansprakelijk stellen, als op grond van de voorhanden zijnde gegevens redelijkerwijs moet worden aangenomen dat bij inachtneming van de onder 1 en 2 aangegeven volgorde de schuld niet wordt voldaan.
Zie voor de volgorde van aansprakelijkstelling van de opdrachtgever in de confectiesector, artikel 35a.4 van deze leidraad.
Op verzoek kan de ontvanger een verklaring afgeven over het betalingsgedrag van de onderaannemer met wie de aannemer een contract wil sluiten. De verklaring die de ontvanger afgeeft, heeft alleen betrekking op de formeel verschuldigde loonheffingen.
De verklaring geeft geen garantie dat:
de materieel verschuldigde loonheffingen geheel zijn voldaan;
de onderaannemer de loonheffingen zal voldoen die hij na afgifte van de verklaring verschuldigd zal worden.
Er zijn twee soorten verklaringen betalingsgedrag onderaannemer:
de zogenaamde schone verklaring;
de zogenaamde voorbehoudverklaring.
De schone verklaring geeft de ontvanger af als de volgens aangifte verschuldigde loonheffingen en ook de nageheven loonheffingen zijn voldaan. De ontvanger geeft ook een schone verklaring af als tot het bedrag van de belastingaanslag(en) zekerheid is verstrekt.
De voorbehoudverklaring geeft de ontvanger af als de volgens aangifte verschuldigde loonheffingen en ook de nageheven loonheffingen zijn voldaan:
met uitzondering van de bedragen waarvoor uitstel van betaling is verleend in verband met ingediend bezwaar, beroep of hoger beroep;
met uitzondering van de bedragen waarvoor (in verband met liquiditeitsproblemen) een betalingsregeling is getroffen, die tot het tijdstip van afgifte van de verklaring wordt nagekomen.
Als de ontvanger ervan op de hoogte is dat de betrokken onderaannemer in de afgelopen vijf jaar heeft verzuimd aangifte te doen, tengevolge waarvan ambtshalve één of meer naheffingsaanslagen naar geschatte bedragen zijn opgelegd, dan wordt de gevraagde verklaring – ook al zijn die naheffingsaanslagen betaald – afgegeven nadat de onderaannemer alsnog opgaaf heeft gedaan van de volgens hem verschuldigde belasting. Als door de opgaaf een naheffingsaanslag wordt opgelegd, geeft de ontvanger de verklaring af als is voldaan aan de eisen voor het afgeven van een verklaring zoals vermeld in artikel 35.12.2 van de Leidraad.
Als de ontvanger ervan op de hoogte is dat de inspecteur van plan is binnen afzienbare tijd één of meer naheffingsaanslagen op te leggen, dan blijft het verzoek buiten behandeling tot die naheffingsaanslagen zijn opgelegd. De verklaring wordt slechts afgegeven wanneer alsnog is voldaan aan de gestelde voorwaarden met betrekking tot de afgifte van een verklaring inzake het betalingsgedrag. De ontvanger deelt de reden van de opschorting schriftelijk aan de onderaannemer mee.
De ontvanger zal in geval van bezwaar, beroep en hoger beroep, slechts een schone verklaring afgeven als de inhoudingsplichtige de naheffingsaanslag(en) betaalt of tot het bedrag van de belastingaanslag(en) zekerheid verstrekt aan de ontvanger bijvoorbeeld in de vorm van een bankgarantie. Eén en ander in afwachting van een onherroepelijke uitspraak met betrekking tot de hoogte van de belastingaanslag(en). Ook vermeldt de ontvanger dat de onderaannemer voor deze belastingaanslagen zekerheid heeft gesteld.
De ontvanger meldt in de verklaring dat aan de inhoud ervan geen vrijwaring kan worden ontleend voor de aansprakelijkheid op grond van artikel 35 van de wet, en dat de Belastingdienst niet aansprakelijk kan worden gesteld voor enig nadeel van welke aard dan ook dat eventueel voortvloeit uit het gebruik van de verklaring.
Als de ontvanger (ten onrechte) een schone verklaring heeft afgegeven, op het moment waarop nog formeel verschuldigde loonheffingen openstaan waartegen geen bezwaar- of een (hoger) beroepschrift is ingediend en waarvoor geen betalingsregeling is getroffen, wordt voor die loonheffingenschuld de aannemer niet aansprakelijk gesteld.
De ontvanger behandelt verzoeken met spoed; hij streeft er naar op een verzoek binnen een week na ontvangst te beslissen.
De ontvanger geeft geen verklaring af als:
achterstand bestaat in de betaling van loonheffingen en voor de desbetreffende belastingaanslagen geen uitstel van betaling is verleend in verband met ingesteld bezwaar, beroep of hoger beroep;
achterstand bestaat in de betaling van loonheffingen en voor de desbetreffende belastingaanslagen geen betalingsregeling is getroffen;
een betalingsregeling is getroffen die niet wordt nagekomen.
De weigering een verklaring af te leggen gebeurt bij beschikking; deze wordt bekendgemaakt onder vermelding waarom niet kan worden overgegaan tot afgifte van een verklaring.
Als een nieuwe ondernemer een verklaring aanvraagt in verband met het sluiten van een onderaannemingscontract, kan de ontvanger geen verklaring afgeven als nog geen betalingsverplichting bestaat. In dat geval deelt de ontvanger de onderaannemer schriftelijk mee dat hij de gevraagde verklaring nog niet kan afgeven omdat nog niet eerder loonheffingen hoefden te worden afgedragen.
Onder een nieuwe ondernemer wordt in dit verband tevens verstaan:
de herstartende ondernemer;
de rechtspersoon die de onderneming van de natuurlijk persoon voortzet of vice versa.
Zelfstandigen zonder personeel (zzp-er) dragen geen loonheffingen af omdat ze geen werknemers in dienst hebben. Vaak verplicht de aannemer deze zelfstandigen niettemin een verklaring inzake het betalingsgedrag over te leggen.
De ontvanger geeft echter geen verklaring af. De weigering een verklaring af te geven gebeurt bij beschikking. In deze gevallen vermeldt de ontvanger bij de bekendmaking van de beschikking aan de zzp-er dat hij geen verklaring inzake betalingsgedrag kan verstrekken omdat de zzp-er op grond van de gegevens die voorhanden zijn op dat moment geen werknemers in dienst heeft en dus geen loonheffingen hoeft te betalen. De ontvanger vermeldt daarbij ook dat hij geen aansprakelijkheid aanvaardt als mocht blijken dat degene aan wie hij de verklaring heeft verstrekt geen zzp-er is, en dat deze beschikking niet betekent dat een eventueel aansprakelijke aannemer niet aansprakelijk wordt gesteld.
De ontvanger geeft geen verklaring inzake betalingsgedrag af in een situatie waarin het bedrijf door de curator of bewindvoerder wordt voortgezet en bij de ontvanger onvoldoende bekendheid bestaat of de loonheffingenschuld die is ontstaan vanwege de voortzetting van het bedrijf, door curator en bewindvoerder zal (kunnen) worden afgedragen.
Als het bedrijf echter gedurende langere tijd wordt voortgezet en de curator of bewindvoerder om een verklaring verzoekt, geeft de ontvanger een verklaring af.
Artikel 35
Ketenaansprakelijkheid
Onderdeel van Leidraad Invordering 2008· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 1 juli 2008