**1.** Onverminderd artikel 32 schort het UWV de betaling van de uitkering op of schorst de betaling, indien het op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het gegronde vermoedens heeft dat:
het recht op uitkering niet of niet meer bestaat;
recht op een lagere uitkering bestaat; of
de aanvrager of de uitkeringsgerechtigde een verplichting als bedoeld in de artikelen 12, eerste of tweede lid, 13, 14, of 15 niet is nagekomen.
**2.** Indien een re-integratiebedrijf aan het UWV heeft gemeld dat het gegronde vermoeden bestaat dat een aanvrager of een uitkeringsgerechtigde onvoldoende medewerking verleent aan de op hem betrekking hebbende werkzaamheden van het re-integratiebedrijf, neemt het UWV een besluit omtrent de gehele of gedeeltelijke opschorting of schorsing van de betaling van de uitkering aan die persoon voor de duur van ten hoogste acht weken.
**3.** Het UWV stelt het re-integratiebedrijf in kennis van een besluit tot opschorting of schorsing als bedoeld in het tweede lid.
Hoofdstuk 5
Artikel 33
Opschorting en schorsing van de betaling
Onderdeel van Wet inkomensvoorziening oudere werklozen· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 1 december 2009