In deze paragraaf wordt verstaan onder:
recreatieve burgerluchtvaart: het beoefenen van de luchtvaart in de vorm van zweefvliegen, sleepvliegen, motorsportvliegen, modelvliegen of zeilvliegen;
zweefvliegen: vliegen met een zweefvliegtuig of een motorzweefvliegtuig;
sleepvliegen: vliegen met een als sleepvliegtuig ingericht motorvliegtuig voor:
vluchten voor het opslepen van zweefvliegtuigen;
controlevluchten die noodzakelijkerwijs vóór de aanvang van het daadwerkelijk sleepvliegen moeten worden verricht;
vluchten, al dan niet slepend, van en naar een andere luchthaven dan dat van stationering voor het overslepen van zweefvliegtuigen;
vluchten voor het overbrengen van het sleepvliegtuig van en naar een andere luchthaven dan dat van stationering teneinde het aldaar in te zetten of er onderhoud aan te verrichten;
motorsportvliegen: niet beroepsmatig vliegen met een vastevleugelvliegtuig met schroefaandrijving, met inbegrip van ultralichte vliegtuigen, waarbij de vlucht uitsluitend het karakter van een sportvlucht draagt;
modelvliegen: gecontroleerd modelvliegen met modelluchtvaartuigen met een totale startmassa van ten hoogste 25 kg;
zeilvliegen: vliegen met een zweeftoestel met starre hoofdstructuur, dat kan worden gedragen en slechts kan worden gestart en geland door gebruik te maken van de benen van de bestuurder.
Hoofdstuk 4 › § 4.2
Artikel 20
Artikel 20
Onderdeel van Besluit militaire luchthavens· Vervoersrecht
Deze tekst geldt sinds 1 november 2009