**1.** Een klein vaarbewijs is vereist voor het voeren van:
schepen met een lengte van ten minste 15 en minder dan 20 meter die niet behoren tot de in artikel 14, eerste lid, onderdelen b, c, d, f, g, en h, bedoelde categorieën;
pleziervaartuigen met een lengte van ten minste 15 meter en minder dan 25 meter;
sleepboten, duwboten of sleepduwboten met een lengte van ten minste 15 meter en minder dan 25 meter indien deze uitsluitend als pleziervaartuigen worden gebruikt;
schepen met een lengte van minder dan 15 meter die door middel van de eigen mechanische voortstuwingsmiddelen een snelheid van meer dan 20 kilometer per uur ten opzichte van het water kunnen bereiken, en niet behoren tot de in artikel 14, eerste lid, onderdelen b tot en met h, genoemde schepen.
**2.** Voor de vaart op rivieren, kanalen en meren met een vaartuig waarvoor een klein vaarbewijs vereist is, is de schipper in het bezit van een klein vaarbewijs voor rivieren, kanalen en meren.
**3.** Voor de vaart op de overige binnenwateren met een vaartuig waarvoor een klein vaarbewijs vereist is, is de schipper in het bezit van een klein vaarbewijs voor alle binnenwateren.
**4.** Voor de toepassing van het tweede lid worden onder rivieren, kanalen en meren verstaan alle binnenwateren met uitzondering van de wateren geclassificeerd als wateren van maritieme aard die zijn aangewezen bij regeling van Onze Minister zoals bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de wet.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de implementatie
van Richtlijn (EU) 2017/2397 van het Europees Parlement en de Raad
betreffende de erkenning van beroepskwalificaties in de binnenvaart
en tot intrekking van de richtlijnen 91/672/EEG en 96/50/EG van de
Raad in werking treedt (Stb. 2023/392).
Hoofdstuk 3 › § 3
Artikel 16
Artikel 16
Onderdeel van Binnenvaartbesluit· Vervoersrecht
Deze tekst geldt sinds 1 juni 2025