**1.** Het geneeskundig onderzoek ten behoeve van de verkrijging van het klein vaarbewijs blijft achterwege, indien uit een gezondheidsverklaring van de aanvrager blijkt dat hij lichamelijk en geestelijk voldoende geschikt is voor het voeren van een binnenschip of indien hij niet langer dan drie maanden tevoren een gelijkwaardig geneeskundig onderzoek met gunstig gevolg heeft ondergaan.
**2.** De gezondheidsverklaring heeft betrekking op de onderwerpen, bedoeld in artikel 25, eerste lid.
**3.** De aanvrager, bedoeld in het eerste lid, onder b, legt bescheiden over ten bewijze van het feit dat hij voldoet aan de aldaar gestelde vereisten.
**4.** Indien de gezondheidsverklaring op enige afwijking wijst kan een deskundige, bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet, een geneeskundige verklaring afgeven, indien hij van oordeel is dat de afwijking het veilig varen niet nadelig zal beïnvloeden.
**5.** Het opmaken en het beoordelen van de gezondheidsverklaring geschiedt met inachtneming van de bij regeling van Onze Minister te stellen regels.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 7 juni 2023
tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de implementatie
van Richtlijn (EU) 2017/2397 van het Europees Parlement en de Raad
betreffende de erkenning van beroepskwalificaties in de binnenvaart
en tot intrekking van de richtlijnen 91/672/EEG en 96/50/EG van de
Raad in werking treedt (Stb. 2023/392).
Hoofdstuk 3 › § 4
Artikel 26
Artikel 26
Onderdeel van Binnenvaartbesluit· Vervoersrecht
Deze tekst geldt sinds 1 juni 2025