Met inachtneming van de bepalingen van dit Hoofdstuk verlenen Wij op voordracht van Onze Minister het Nederlanderschap aan vreemdelingen die daarom verzoeken.
Ten aanzien van hen die hun hoofdverblijf hebben in de Nederlandse Antillen, onderscheidenlijk Aruba, adviseert Onze Minister van Justitie van de Nederlandse Antillen, onderscheidenlijk Onze Minister van Justitie van Aruba, omtrent het verzoek.
Voor een gedetailleerde beschrijving van het overgangsrecht wordt verwezen naar artikel 7 van de Handleiding voor Nederland. Hier volstaat de aantekening dat ten aanzien van verzoeken die vóór 1 april 2003 zijn ingediend niet het vereiste van het afleggen van de naturalisatietoets als bedoeld in artikel 2 BNT geldt. Op deze verzoeken blijft de oorspronkelijke tekst van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN van toepassing, evenals de voormalige richtlijnen van de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 1999.
Op de kinderen voor wie medeverlening wordt verzocht, is in alle gevallen artikel 11, zesde lid, RWN van toepassing (dus ook indien het verzoek is ingediend vóór 1 april 2003).
Vanaf 1 oktober 2006 treedt het naturalisatiebesluit in werking door de uitreiking ervan aan de betrokkene. Voor het naturalisatiebesluit dat op of na 1 oktober 2006 is vastgesteld, geldt dat dit wordt uitgereikt op de naturalisatieceremonie.
Zie artikel II van het Besluit van 19 mei 2006, Stb. 250, tot wijziging van het BVVN. Zie verder artikel 60b BVVN en hieronder paragraaf 2.3.13.
Met ingang van 1 maart 2009 is de bereidheid om bij verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen een nieuwe voorwaarde voor de verkrijging van het Nederlanderschap. In de regel moet tijdens de naturalisatieceremonie de naturalisandus die de bereidverklaring gegeven heeft, de verklaring van verbondenheid afleggen voordat hem het uittreksel uit het besluit tot verlening van het Nederlanderschap wordt uitgereikt. Zie ook toelichting bij artikel 60b, derde lid, BVVN en artikel 2, vijfde lid, artikel 6, artikel 8, eerste lid, onder e, artikel 11 vierde en vijfde lid, artikel 23, artikel 26 en artikel 28 RWN.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Hieronder wordt de procedure beschreven voor de behandeling van verzoeken om naturalisatie.
Voor wat betreft de voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap, zie de toelichting bij artikelen 8, 9, eerste lid en 11 RWN.
Dit artikel is een inleidende bepaling waaruit blijkt dat naturalisatie – de RWN spreekt van ‘verlenen van het Nederlanderschap’ – tot stand komt bij koninklijk besluit en alleen als iemand daar zelf om vraagt. Dit koninklijk besluit is een zogenoemd ‘klein KB’, waarvoor geen overleg in de ministerraad is vereist, waarvoor het advies van de Raad van State achterwege kan blijven en waarvoor geen plaatsing in het Staatsblad nodig is. Artikel 7, tweede lid, RWN verleent een adviserende functie aan de Minister van Justitie van de Nederlandse Antillen respectievelijk Aruba maar de uiteindelijke voordracht vindt plaats door de Minister van Justitie van Nederland op grond van artikel 7, eerste lid, RWN. De Minister is bevoegd om een verzoek om naturalisatie aan te houden of af te wijzen (zie artikel 9, vijfde lid, RWN).
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Artikel 21 RWN bepaalt dat bij algemene maatregel van rijksbestuur de autoriteiten en ambtenaren worden aangewezen die bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van verzoeken om naturalisatie. Dit artikel bepaalt voorts dat bij algemene maatregel van rijksbestuur nadere voorschriften kunnen worden gesteld voor de wijze van inontvangstneming van verzoeken om naturalisatie en voor de verdere administratieve behandeling van verlening van het Nederlanderschap. Deze nadere regelgeving is opgenomen in de algemene maatregel van rijksbestuur BVVN. Artikel 2, aanhef en onder d, BVVN bepaalt dat in het buitenland de Minister van Buitenlandse Zaken bevoegd is tot het in ontvangst nemen van verzoeken om naturalisatie. De vormvoorschriften, procedurele vereisten en administratieve behandeling van de verzoeken om naturalisatie zijn voor het buitenland geregeld in de artikelen 2 tot en met 5; 31 en 32 en 51 tot en met 56 BVVN.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voorafgaand aan de indiening van een verzoek om naturalisatie verstrekt de Minister van Buitenlandse Zaken informatie aan de verzoeker. Daartoe kan gebruik worden gemaakt van IND-brochures of een verwijzing naar het internet (zie hoofdstuk Voorlichting).
Het spreekt voor zich dat de verzoeker erop wordt geattendeerd als hij in aanmerking komt voor verkrijging van het Nederlanderschap door optie, in welk geval indiening van een verzoek om naturalisatie uiteraard achterwege kan blijven. Zie ook de toelichting bij artikel 6 RWN.
Zonodig wordt de verzoeker erop gewezen dat hij het inburgeringsexamen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, BNT op de post dient af te leggen. Zie ook de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, paragraaf 6.3.1, HRWN.
De verzoeker dient voorts te worden geïnformeerd over de bij de indiening van het verzoek om naturalisatie te verstrekken gegevens en over te leggen documenten.
Verder dient de verzoeker te worden geïnformeerd over de verplichting om afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Zie ook de toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, paragraaf 3.6.4, HRWN.
Voorts wordt de verzoeker geïnformeerd over de te betalen naturalisatiegelden. Daarbij wordt hij erop geattendeerd dat betaalde naturalisatiegelden niet worden gerestitueerd in geval van afwijzing van het verzoek om naturalisatie. Zie ook de toelichting bij artikel 13, eerste lid, paragraaf 2.4 en 2.5, HRWN.
Tevens wordt verzoeker erop geattendeerd dat het besluit tot verlening van het Nederlanderschap als regel door uitreiking in persoon op een naturalisatieceremonie in werking treedt (artikel 60b, eerste lid, BVVN). Zie ook paragraaf 2.3.13.
De verzoeker moet worden geïnformeerd over zijn verplichting om, als onderdeel van de verkrijging van het Nederlanderschap, een verklaring van verbondenheid af te leggen. De verzoeker wordt erop attent gemaakt dat hij de verklaring van verbondenheid, in beginsel op een naturalisatieceremonie, moet afleggen en dat het naturalisatiebesluit niet eerder bekend wordt gemaakt, dan nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd.
Tot slot verdient het aanbeveling om samen met de verzoeker een inschatting te maken van de haalbaarheid van het verzoek. Enerzijds wordt daarmee voorkomen dat kansarme verzoeken worden ingediend. Anderzijds kan dit worden beschouwd als dienstverlening aan de verzoeker, waarmee de kans op teleurstelling kan worden verkleind.
Indien de verzoeker (nog) niet voldoet aan de voorwaarden voor naturalisatie en/of niet alle vereiste gegevens heeft verstrekt of de gevraagde documenten heeft overgelegd, dient hem te worden ontraden om een verzoek in te dienen. Indien verzoeker er onder deze omstandigheden niettemin op staat een verzoek in te dienen, dient de Minister van Buitenlandse Zaken het verzoek in ontvangst te nemen. De verzoeker dient erop te worden geattendeerd dat de uiteindelijke beslissing wordt genomen door Onze Minister en dat dus van tevoren geen uitsluitsel kan worden gegeven over het al dan niet inwilligen van het verzoek om naturalisatie.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Omdat het van belang is dat de verzoeker aantoont dat hij degene is die hij opgeeft te zijn, dient hij als hoofdregel in persoon te verschijnen bij de indiening van zijn verzoek (artikel 2, tweede lid, RWN; artikel 3, eerste lid, BVVN; zie ook paragraaf 2.3.2.4(zie model 2.1a HRWN). De Minister van Buitenlandse Zaken die het verzoek in ontvangst neemt, moet zich door nader onderzoek de nodige zekerheid verschaffen over de identiteit van de verzoeker. Daartoe wordt de verzoeker gevraagd om – zoveel mogelijk – een geldig buitenlands reisdocument over te leggen. Voorts wordt de verzoeker – ter meerdere zekerheid – gevraagd om andere bewijsstukken over te leggen, zoals bijvoorbeeld een geboorteakte. Zie paragraaf 2.3.5.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Deze kinderen hoeven niet in persoon te verschijnen bij de indiening van het verzoek.
Minderjarige kinderen van 12 jaar of ouder, voor wie medeverlening wordt verzocht, kunnen verzoeken om in de gelegenheid te worden gesteld om hun zienswijze naar voren te brengen over de medeverlening van het Nederlanderschap. De kinderen kunnen op het moment van indiening van het verzoek hun eventuele zienswijze naar voren brengen op model 2.1a (verzoek om naturalisatie door meerderjarige).
Voor kinderen tussen de 12 en de 16 jaar is verschijning in persoon niet voorgeschreven maar verdient het wel de voorkeur dat zij in persoon verschijnen. Stuit dat op bezwaar, dan wordt hen schriftelijk verzocht het model 2.10a (formulier zienswijze medeverlening minderjarigen van 12 tot en met 15 jaar) te ondertekenen, waarin zij aangeven of zij al dan niet instemmen met de medeverlening van het Nederlanderschap en die verklaring, met een kopie van een geldig buitenlands reisdocument, te zenden aan de autoriteit waar het verzoek om naturalisatie van de ouder is ingediend. Zie ook de toelichting bij artikel 2 RWN.
Voor kinderen van 16 jaar of ouder is verschijning in persoon voorgeschreven in artikel 3 1, derde lid, BVVN; zij dienen zich te legitimeren met een geldig buitenlands reisdocument. Zie ook de toelichting bij artikel 2 RWN.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor de andere ouder of wettelijk vertegenwoordiger is verschijning in persoon niet voorgeschreven, maar verdient dat wel de voorkeur. Stuit persoonlijke verschijning op bezwaar, dan wordt betrokkene schriftelijk verzocht om een verklaring te ondertekenen waarin staat of al dan niet wordt ingestemd met de medeverlening van het Nederlanderschap aan het minderjarige kind en die verklaring, met een kopie van een geldig identiteitsbewijs, te zenden aan de Minister van Buitenlandse Zaken, de diplomatieke of consulaire post van het ressort waar de hoofdverzoeker om naturalisatie zijn hoofdverblijf heeft. Voor de zienswijze van de andere ouder of wettelijk vertegenwoordiger kan gebruik worden gemaakt van model 2.13a HRWN (brief zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger) en model 2.14a HRWN (formulier zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger). Zie ook de toelichting bij artikel 2 RWN.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
In gevallen, waarin verschijning in persoon weliswaar is voorgeschreven, maar dit om zwaarwegende redenen niet kan worden verlangd, kan het verzoek om naturalisatie worden ingediend c.q. de verklaring van al dan niet instemming met de (mee-)naturalisatie worden afgelegd door een daartoe schriftelijk gemachtigde meerderjarige persoon, mits voldoende zekerheid kan worden verkregen over de identiteit van de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van 16 jaar of ouder en de gemachtigde (artikel 3, tweede lid, BVVN). Bij zwaarwegende redenen wordt gedacht aan fysieke en/of psychische onmogelijkheid om in persoon te verschijnen. De door betrokkene en/of zijn gemachtigde aangevoerde zwaarwegende redenen dienen te worden aangetoond (bijvoorbeeld door een medische verklaring). De gemachtigde dient in persoon aan het loket te verschijnen en de nodige zekerheid te verschaffen over zijn identiteit door het overleggen van een geldig identiteitsbewijs. De machtiging dient schriftelijk te zijn en ondertekend door de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van 16 jaar of ouder. De gemachtigde dient een geldig buitenlands reisdocument van de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van 16 jaar of ouder over te leggen.
In voorkomende gevallen kan het hoofd van de post verlangen dat de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van 16 jaar of ouder hem ontvangt om in persoon de voor de besluitvorming benodigde gegevens in ontvangst te nemen.
Indien de verzoeker wegens handelingsonbekwaamheid onder curatele is gesteld wordt het verzoek ingediend door zijn curator.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Het verzoek om naturalisatie dient op schrift te worden gesteld en te worden ondertekend door de verzoeker of, in het voorkomende geval, door zijn wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde (artikel 3, derde lid, BVVN). In het verzoek dienen de minderjarige kinderen en kindskinderen, voor wie medeverlening wordt gevraagd, te worden vermeld (artikel 11, eerste lid, RWN; artikel 31, tweede lid, BVVN). Een model van een verzoek om naturalisatie is opgenomen als model 2.1a (verzoek om naturalisatie tot Nederlander).
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Op grond van artikel 31, eerste lid, BVVN verstrekt de verzoeker bij de indiening van het verzoek, voor zoveel mogelijk, gegevens met betrekking tot zijn:
geslachtsnaam en voornaam of voornamen, onderscheidenlijk naam of namen;
geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland;
adres, postcode en woonplaats;
geslacht;
nationaliteit(en);
tegenwoordige en, voor zoveel nodig, eerdere verblijfsrechtelijke status;
indien van toepassing: duur van huidige toegelaten verblijf in het Koninkrijk en, indien van toepassing, duur van eerder toegelaten verblijf in het Koninkrijk;
indien van toepassing, bestaan en duur van het actuele huwelijk of geregistreerd partnerschap en van de eerdere huwelijken en van de ontbinding daarvan, alsmede ten aanzien van de echtgenoot of partner de gegevens bedoeld onder a tot en met e;
geslachtsnaam en voornamen, plaats en datum van geboorte en van huwelijk van de ouders van de verzoeker;
indien van toepassing, de kinderen tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat:
indien van toepassing, bestaan, duur en plaats van samenleving met een Nederlander;
de overige gegevens die naar het oordeel van Onze Minister nodig zijn voor de beoordeling van het geval.
Voor zoveel mogelijk verstrekt hij dezelfde gegevens over de minderjarige kinderen en kindskinderen voor wie medeverlening verzocht wordt (artikel 31, tweede lid, BVVN).
De informatie over de gegevens genoemd bij a tot en met e, zal bij ieder verzoek om naturalisatie verstrekt moeten worden. De noodzaak van verstrekking van de gegevens genoemd in de onderdelen f tot en met 1 is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Dit geldt voor de naturalisatie op grond van artikel 8, tweede lid, RWN indien de verzoeker in aanmerking meent te komen voor een van de bijzondere regelingen daarvan, dan wel voor een naturalisatie op grond van artikel 10, RWN. Zo zijn de gegevens waarop onderdeel h ziet in het bijzonder van belang om te beoordelen of de verzoeker in aanmerking komt voor een naturalisatie als echtgenoot van een Nederlander (vergelijk artikel 8, tweede lid, RWN) alsmede voor de beantwoording van de vraag of sprake is van eerdere huwelijken en, zo ja, op welke wijze die huwelijken zijn ontbonden en voorts voor de beoordeling van een eventuele vrijstelling van de afstandsplicht ais bepaald in artikel 9, derde lid onder d, RWN. Onderdeel i ziet vooral op naturalisatie van minderjarigen of jongvolwassenen, zoals die wordt geregeld in artikel 11, zesde lid, RWN.
Uiteraard gaat het niet om de duur van het hoofdverblijf in het Koninkrijk, maar enkel om (de duur van) het hoofdverblijf buiten het Koninkrijk. Het hoofdverblijf (en de duur daarvan) buiten het Koninkrijk zal in veel gevallen blijken uit de bevolkingsadministratie (of andere officiële lokale overheidsbronnen) van het land waar verzoeker verblijft.
Een kanttekening wordt gemaakt bij de echtgenoot/partner van een ambtenaar, bedoeld in artikel 17, eerste lid, juncto artikel 2, tweede lid, van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken die uitgezonden is (geweest) naar een Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland. Deze vreemdeling behoudt niet alleen zijn hoofdverblijf in Nederland, maar behoudt in de regel, mits aan de daarvoor gestelde voorwaarden voldaan blijft, tevens zijn verblijfsrecht in Nederland. Een vereiste is dat de vreemdeling gedurende de periode van uitzending alsook het daaraan voorafgaande verblijf in Nederland heeft samengewoond met de echtgenoot/partner. Zie artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h RWN.
De Minister van Buitenlandse Zaken voegt bij het advies aan de IND (een) uittreksel(s) uit eerdergenoemde bevolkingsadministratie of – voor zover aanwezig – stukken uit de eigen administratie, waaruit – voor zoveel mogelijk – de hier bedoelde gegevens blijken. Ook van de kinderen en kindskinderen voor wie medeverlening wordt verzocht, worden uittreksels en/of (afschriften van) stukken bijgevoegd waaruit – voor zoveel mogelijk – blijkt van de gegevens bedoeld bij ad a t/m e en g (wat betreft het hoofdverblijf), alsmede van de geslachtsnaam, voornamen, plaats en datum van geboorte van de ouders en wie gezag over de kinderen uitoefent. Zie voor een nadere toelichting van het begrip ‘hoofdverblijf‘ de toelichting bij de artikelen 1, eerste lid, onder h en 8, eerste lid, onder c, RWN.
Bij naturalisatieverzoeken ingediend in het buitenland geldt uiteraard niet het vereiste van toelating in het Koninkrijk. De verzoeker zal in de praktijk niet in het bezit zijn van een verblijfsdocument voor het Koninkrijk.
In sommige gevallen kan het noodzakelijk zijn om nadere gegevens en bewijsstukken te vragen (vergelijk ook artikel 31, vijfde lid, BVVN). Te denken valt bijvoorbeeld aan:
een bewijs van eerder bezit van de Nederlandse nationaliteit. Dit bewijs kan worden verkregen na raadpleging van – voor zover aanwezig – de eigen administratie of het bestand van het bureau Vestigingsregister van de gemeente Den Haag. Indien de Minister van Buitenlandse Zaken twijfelt aan het beweerde oud-Nederlanderschap of oud-Nederlands onderdaanschap, dient daarvan een bewijs overgelegd te worden door verzoeker. Zie de toelichting bij artikel 6, eerste lid, onder f, paragraaf 8.3, HRWN. Zie ook artikel 22 RWN;
bewijs van gezagsvoorziening. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld een buitenlandse rechterlijke voogdijbeschikking of een echtscheidingsvonnis, waarbij tevens in het gezag over de kinderen is voorzien. Het hier bedoelde bewijs kan bijvoorbeeld nodig zijn om te kunnen vaststellen wie voor een minderjarige een verzoek mag indienen of wie gehoord moeten worden dan wel om te kunnen beoordelen of een minderjarige al dan niet zal delen in de naamsvaststelling c.q. naamswijziging van zijn ouder;
aantonen van ‘het feitelijk behoren’ tot het gezin in geval van een minderjarige kind voor wie om medeverlening wordt verzocht.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Sinds 1 maart 2009 geldt de voorwaarde dat de verzoeker bij de indiening van zijn naturalisatieverzoek verklaart bereid te zijn een verklaring van verbondenheid af te leggen. De bereidheid van de verzoeker tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid wordt met het formulier ‘Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid’ (model 2.30a HRWN) vastgelegd op het moment dat het verzoek om verkrijging van het Nederlanderschap door naturalisatie wordt ingediend.
De verklaring van verbondenheid drukt de verbondenheid met de Nederlandse samenleving uit. Dit wordt uitgedrukt in het respect voor de rechtsorde en in de belofte de plichten te vervullen die uit het Nederlanderschap voortvloeien.
Tekst van de verklaring van verbondenheid: twee varianten voor de bevestiging
De Minister van Buitenlandse Zaken informeert de verzoeker dat van de verklaring van verbondenheid twee varianten bestaan. Is de verzoeker religieus, dan kan hij de verklaring van verbondenheid bevestigen met ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’. Anders kiest hij voor ‘Dat verklaar en beloof ik’. De Minister van Buitenlandse Zaken legt aan de verzoeker uit dat de keuze voor de bevestiging aan de verzoeker is.
Wanneer de verzoeker ervoor kiest om de verklaring van verbondenheid te bevestigen met de eerste mogelijkheid, dan bevat de verklaring van verbondenheid de volgende tekst: ‘Ik zweer dat ik de grondwettelijke orde van het Koninkrijk der Nederlanden, haar vrijheden en rechten respecteer en zweer de plichten die het staatsburgerschap met zich meebrengt getrouw te vervullen.’ en eindigt met de volgende bevestiging: ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’.
Wanneer de verzoeker ervoor kiest om de verklaring van verbondenheid uit te spreken met de tweede mogelijkheid, dan bevat de verklaring van verbondenheid de volgende tekst: ‘ Ik verklaar dat ik de grondwettelijke orde van het Koninkrijk der Nederlanden, haar vrijheden en rechten respecteer en beloof de plichten die het staatsburgerschap met zich meebrengt getrouw te vervullen.’ en eindigt met de volgende bevestiging: ‘Dat verklaar en beloof ik’.
De Minister van Buitenlandse Zaken informeert de verzoeker vervolgens dat hij de verklaring van verbondenheid, in beginsel op een naturalisatieceremonie, moet afleggen voordat het naturalisatiebesluit aan hem bekend kan worden gemaakt.
De verzoeker geeft, na het invullen van zijn (persoons)gegevens, op de bereidverklaring aan of hij wel of niet bereid is om de verklaring van verbondenheid af te leggen door het aankruisen van één van de bolletjes. Vervolgens dateert en ondertekent de verzoeker de bereidverklaring. De Minister van Buitenlandse Zaken kan bij de verzoeker reeds informeren op welke wijze hij de bevestiging wenst uit te spreken (‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’ of ‘Dat verklaar en beloof ik)’. De Minister van Buitenlandse Zaken kan deze voorkeur vervolgens optioneel aangeven onderaan de bereidverklaring. De bereidverklaring maakt deel uit van het naturalisatiedossier.
De verplichting tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid rust op de meerderjarige verzoekers om naturalisatie en verzoekers om medenaturalisatie van 16 en 17 jaar (artikel 11, derde lid, RWN).
Schema wel/niet verplicht bereidverkaring en verklaring van verbondenheid
Zelfstandig
Medenaturalisatie
Medenaturalisatie
18 en ouder1
< 161
16 en 171
Art. 8 lid 2
Art. 11 lid 2
Art. 11 lid 6
Art. 11 lid 3
Art. 11 lid 6
Ondertekenen bereidverklaring
ja
nee
Afleggen verklaring van verbondenheid
Ja
Nee
Ja
1 Het betreft hier de leeftijd op het tijdstip waarop het verzoek om naturalisatie is ingediend.
Het ondertekenen van de bereidverklaring (model 2.30a HRWN), is net als het daadwerkelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid een voorwaarde voor verkrijging van het Nederlanderschap. Van deze verplichting wordt alleen vrijstelling gegeven, indien het afleggen van de verklaring van verbondenheid redelijkerwijs niet gevraagd kan worden. Zie artikel 60b, vijfde lid en zesde lid BVVN. Er zijn omstandigheden denkbaar waarin het voor de verzoeker niet mogelijk is de bereidverklaring in te vullen en te tekenen.
Verzoeker is bereid de verklaring van verbondenheid af te leggen; maar kan model 2.30a HRWN niet zelf invullen
Indien een verzoeker bij het indienen van zijn verzoek om naturalisatie wel bereid is om de verklaring van verbondenheid af te leggen, maar is hij vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat de bereidverklaring in te vullen en te ondertekenen, dan geldt het volgende. De Minister van Buitenlandse Zaken tekent de bereidheid van de verzoeker aan op de bereidverklaring, maar de bereidverklaring wordt vervolgens niet ondertekend, immers de verzoeker is hiertoe niet in staat. De overige formulieren kunnen worden ingevuld door bijvoorbeeld een gemachtigde of curator. In voorkomende gevallen wordt door de Minister van Buitenlandse Zaken op het adviesblad bij punt 6. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid het derde bolletje ‘niet mogelijk, zie toelichting’ ingevuld en een schriftelijke toelichting gegeven.
Bij het indienen van het verzoek om naturalisatie is duidelijk dat de verzoeker niet in staat zal zijn de verklaring van verbondenheid mondeling af te leggen
Ook is het mogelijk dat de verzoeker vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is om de bereidverklaring in te vullen en te ondertekenen en vervolgens ook niet in staat is de verklaring van verbondenheid af te leggen. Hierbij kan gedacht worden aan personen die niet in staat zijn hun wil te bepalen of deze niet kunnen uiten of aan verzoekers aan wie het, door de Minister van Buitenlandse Zaken, is toegestaan zich bij de indiening van het verzoek om naturalisatie te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde. Zie hiervoor de toelichting bij artikel 2 tweede lid, RWN. Indien bij de (door een gemachtigde) indiening van het verzoek om naturalisatie reeds duidelijk is dat de verzoeker vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is de verklaring van verbondenheid af te leggen, wordt de bereidverklaring niet ingevuld. Dit wordt op het adviesblad opgenomen. Zie hiervoor artikel 60b, zesde lid, BVVN en de toelichting bij artikel 2, tweede lid, RWN. Bij punt 6. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid wordt het derde bolletje ‘niet mogelijk, zie toelichting’ ingevuld en wordt naast een schriftelijke toelichting hierbij ook ten minste één bewijsstuk(ken) van de onmogelijk tot het invullen van de bereidverklaring en het afleggen verklaring van verbondenheid toegevoegd. Zie hiervoor de toelichting bij artikel 2, tweede lid RWN; bijvoorbeeld een gemotiveerde medische verklaring van een onafhankelijk (behandelend) medisch specialist. De uiteindelijke beoordeling of er sprake is van een fysieke of psychische onmogelijkheid ligt bij Onze Minister. Als uitgangspunt volgt Onze Minister het advies in deze van de Minister van Buitenlandse Zaken.
In de regel legt degene aan wie het uittreksel uit het naturalisatiebesluit wordt uitgereikt de verklaring van verbondenheid mondeling af. Zie artikel 60b, vierde lid, BVVN. Echter, indien van de verzoeker redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij de verklaring van verbondenheid mondeling aflegt, kan de Minister van Buitenlandse Zaken bepalen dat de verzoeker de verklaring van verbondenheid schriftelijk aflegt. Zie artikel 60b, vijfde lid, BVVN. Indien bij het indienen van het verzoek om naturalisatie reeds door de Minister van Buitenlandse Zaken geconstateerd is dat van een verzoeker redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij de verklaring van verbondenheid mondeling aflegt, kan hiervan door de Minister van Buitenlandse Zaken een aantekening worden gemaakt in het naturalisatiedossier. Dan zal betrokkene wel de bereidverklaring ondertekenen, hij is immers bereid om een verklaring van verbondenheid af te leggen en dit is een voorwaarde voor naturalisatie. Deze informatie kan vervolgens bij het toezenden van de uitnodigingbrief voor de naturalisatieceremonie gebruikt worden door bijvoorbeeld alvast de schriftelijke verklaring van verbondenheid toe te sturen.
Indien de Minister van Buitenlandse Zaken een verzoek om de verklaring van verbondenheid schriftelijk te mogen afleggen (gemotiveerd) weigert, is dit een beslissing in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waartegen de verzoeker binnen 6 weken bezwaar kan indienen bij de Minister van Buitenlandse Zaken. Vervolgens staat beroep bij de bestuursrechter open.
Indien de verzoeker weigert de bereidverklaring te ondertekenen of op de bereidverklaring aangeeft dat hij niet bereid is de verklaring van verbondenheid af te leggen, attendeert de Minister van Buitenlandse Zaken de verzoeker erop dat hij vanwege zijn weigering het Nederlanderschap niet verkrijgt en dat daardoor zijn eventuele minderjarige kinderen voor wie hij medeverlening heeft verzocht, geen Nederlander worden. De Minister van Buitenlandse Zaken ontraadt de verzoeker een verzoek om naturalisatie in te dienen. Mocht de verzoeker desalniettemin met zijn verzoek verder willen gaan, dan wordt de verkrijging van het Nederlanderschap door naturalisatie afgewezen.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
De verzoeker dient een waarheidsverklaring te ondertekenen (artikel 31,vierde lid, BVVN). In deze verklaring, waarvan de tekst is opgenomen in het verzoek om naturalisatie, verklaart verzoeker dat hij de gevraagde gegevens naar waarheid heeft verstrekt, dat er ten aanzien van hem geen sprake is van een ander huwelijk dan aangegeven en dat hij geen relevante gegevens heeft verzwegen.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Bij een naturalisatieverzoek ingediend in het buitenland behoeft de verzoeker uiteraard niet schriftelijk te verklaren dat in het kader van de verkrijging en het behoud van de verblijfsvergunning (binnen het Koninkrijk) van hemzelf en de overige in het naturalisatieverzoek genoemde personen de gevraagde gegevens naar waarheid zijn verstrekt en geen relevante gegevens zijn verzwegen. Een schriftelijke verklaring over het gedrag blijft echter gehandhaafd. Door middel van de verklaring verblijf en gedrag (model 2.3a HRWN) dient de verzoeker schriftelijk te verklaren dat hij of een van de in het verzoek om naturalisatie genoemde personen ouder dan 16 jaar, al dan niet in aanraking is geweest met politie en/of Justitie in verband met een misdrijf. Indien verzoeker in deze verklaring aangeeft wel in aanraking te zijn geweest met politie en/of Justitie, of aangeeft dat dit geldt voor een in het verzoek om naturalisatie genoemd kind, dan informeert de Minister van Buitenlandse Zaken de verzoeker over de openbare orde richtlijnen bij naturalisatie en wijst verzoeker erop dat een en ander gevolgen kan hebben voor de beslissing op het verzoek om naturalisatie. De verzoeker wordt in de gelegenheid gesteld om in de verklaring aan te geven of er sprake is van bijzondere feiten en/of omstandigheden op grond waarvan, naar zijn mening, ten aanzien van hem of de betreffende minderjarige niet mag worden geconcludeerd dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk. Zie ook de toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN, paragraaf 3.7, HRWN.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Ten aanzien van de afstandsverplichting informeert de Minister van Buitenlandse Zaken – voor zover mogelijk – de verzoeker of hij al dan niet behoort tot een uitzonderingscategorie dan wel of redelijkerwijs van hem kan worden verlangd dat hij afstand doet van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Indien geen van de uitzonderingen van toepassing is, dient de verzoeker een verklaring te ondertekenen dat hij bereid is het mogelijke te zullen doen om bij of na de totstandkoming van de naturalisatie zijn oorspronkelijke nationaliteit(en) te verliezen (artikel 32 BVVN). De bereidheidsverklaring is opgenomen als model 2.4a HRWN (bereidheidsverklaring tot afstand oorspronkelijke nationaliteit) respectievelijk model 2.5a HRWN (verklaring in verband met verlies van de Egyptische/Oostenrijkse/Georgische/Libische/Mauritaanse/ Oegandese/Sri Lankaanse nationaliteit). Zie voor de afstandsverplichting verder de toelichting bij artikel 9, eerste lid, onder b, RWN.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Het verzoek om naturalisatie dient zoveel mogelijk te worden ondersteund door overgelegde originele, zonodig gelegaliseerde/van apostille voorziene (bewijs)stukken. De Minister van Buitenlandse Zaken kan van de verzoeker verlangen dat hij gegevens bewijst door middel van documenten (artikel 31, vijfde lid, BvvN). Volledigheid van de stukken is ook in het belang van de verzoeker, aangezien in geval van afwijzing van het verzoek de naturalisatiegelden niet worden gerestitueerd. Indien de verzoeker een aantal benodigde gegevens niet kan verstrekken dient hem te worden geadviseerd te wachten met indiening van het verzoek tot het moment dat alle verlangde gegevens kunnen worden verstrekt. Mocht verzoeker er echter op staan om zijn verzoek in te dienen, ondanks het niet overleggen van de door de Minister van Buitenlandse Zaken gevraagde documenten of het niet voldoen aan de voorwaarden voor naturalisatie, dan dient de Minister van Buitenlandse Zaken het verzoek in ontvangst te nemen. De Minister van Buitenlandse Zaken kan in dit geval verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in model 2.21a HRWN (verklaring ‘geïnformeerd over negatief advies’).
In uitzondering op vorenstaande wordt een naturalisatieverzoek niet afgewezen vanwege gerede twijfel aan de identiteit of nationaliteit van de verzoeker als de twijfel aan de gestelde identiteit of nationaliteit enkel is ontstaan als gevolg van onjuiste verklaringen van zijn of haar ouders. In dat geval wordt aangenomen dat de bij vergunningverlening veelal minderjarige logischerwijs uitgaat van de gegevens die volgen uit de gegevens zoals opgegeven door de ouder(s) en dat hij/zij de waarheidsverklaring als bedoeld in artikel 31, vierde lid, BvvN naar waarheid invult en ondertekent.
Mocht binnen twaalf jaar na de naturalisatie blijken dat sprake is geweest van valse verklaringen, bedrog of het verzwijgen van enig voor de verkrijging van het Nederlanderschap relevant feit dan dient te worden onderzocht of de verkrijging van het Nederlanderschap moet worden ingetrokken.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
De verzoeker dient -voor zover mogelijk- een geldig buitenlands reisdocument over te leggen, inclusief alle pagina’s met in- en uitreisstempels. Dit niet alleen in verband met identificatie van de verzoeker maar ook om zijn nationaliteit en verblijf te kunnen vaststellen en de in het reisdocument vermelde personalia te vergelijken met de overgelegde akt(e)n van de burgerlijke stand.
Met ingang van 26 oktober 2015 hoeven minderjarigen die zijn geboren in Nederland of elders in het Koninkrijk, geen geldig buitenlands reisdocument over te leggen in de naturalisatieprocedure als zij tegelijkertijd met de ouder(s) naturaliseren, en mits de ouder(s) met betrekking tot zichzelf beschikt(ken) over een geldig buitenlands paspoort en een gelegaliseerde/geapostilleerde geboorteakte. Hetzelfde geldt voor minderjarigen die zijn geboren in een land waarop het Apostilleverdrag van toepassing is (Kamerstuk 19 637, nr. 2072).
Het bovenstaande betreft medenaturalisatie in de zin van artikel 11, eerste, tweede, derde en zevende lid, RWN. Na-naturalisatie van het minderjarige kind, zoals bedoeld in artikel 11, vierde lid, valt ook onder de vrijstelling.
Indien de minderjarige wel in het bezit is van een geldig buitenlands paspoort dan is er geen bezwaar om dit aan het naturalisatiedossier toe te voegen.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
De verzoeker dient in beginsel de volgende buitenlandse akten (van de burgerlijke stand) over te leggen (zie voor uitzonderingen hieronder paragraaf 2.3.5.3):
geboorteakte van hemzelf en geboorteakten van kinderen voor wie medeverlening gevraagd wordt. In geval van adoptiefkinderen eventueel aangevuld met de adoptieakte of het adoptievonnis of andere stukken waarmee de adoptie kan worden aangetoond;
huwelijksakte indien naturalisatie verzocht wordt op grond van driejarig huwelijk met een Nederlander (vergelijk artikel 8, tweede lid, RWN) of indien de verzoeker als gevolg van het huwelijk meerderjarig is geworden;
echtscheidings- c.q. verstotingsakte. Dit document is van belang voor de beoordeling of er mogelijk sprake is van bigamie (artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN) en of wordt voldaan aan de termijn van (ongehuwd) samenwonen (op grond van huwelijk of geregistreerd partnerschap) als bedoeld in artikel 8, tweede lid en vierde lid, RWN;
(indien van toepassing in betreffende land): familieboekje. Het familieboekje is eveneens van belang voor de beoordeling van de vraag of mogelijk sprake is van polygamie. Zo kan bekeken worden of in dit boekje kinderen zijn vermeld die een andere moeder hebben dan de echtgenote van de optant. Is dat het geval, dan dient, in verband met bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap, het huwelijk van de optant met die andere vrouw beëindigd te zijn. In islamitische landen worden in principe alleen wettige kinderen in een dergelijk boekje vermeld;
bewijs van erkenning of wettiging (bijvoorbeeld erkenningsakte, geboorteakte met latere vermelding betreffende erkenning of wettiging of huwelijksakte ouders) in geval van een verzoek om naturalisatie ais bedoeld in artikel 8, vijfde lid, RWN en artikel 11, zesde lid, RWN.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Indien reeds in het verleden gelegaliseerde/van apostille voorziene (en soms tevens inhoudelijk geverifieerde) documenten zijn overgelegd, wordt afgezien van het wederom overleggen van dezelfde documenten. Het moet dan gaan om documenten die zijn gelegaliseerd overeenkomstig de thans geldende legalisatiecirculaire.
Echter, in geval van op goede gronden gerezen twijfel, dienen opnieuw originele gelegaliseerde/van apostille voorziene documenten te worden overgelegd.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor zowel het verkrijgen van documenten als de vertalingen en eventuele legalisatie van stukken, dient betrokkene zelf zorg te dragen. Indien de documenten zijn opgesteld in een andere taal dan het Nederlands, Engels, Duits of Frans, dient verzoeker zorg te dragen voor een door een beëdigd vertaler gemaakte vertaling, die gehecht moet zijn aan het originele (afschrift van het) document. Ten aanzien van de over te leggen documenten is de thans geldende Circulaire legalisatie en verificatie buitenlandse bewijsstukken alsmede toepassing DNA-onderzoek in gevallen waarin bewijsstukken ontbreken van toepassing.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Van de voorwaarde van het overleggen van uit het buitenland afkomstige gelegaliseerde/van apostille voorziene documenten kan worden vrijgesteld de persoon die wegens bewijsnood niet in staat is dergelijke documenten over te leggen. Indien geen sprake is van bewijsnood, wordt geen vrijstelling verleend.
Bewijsnood zal zich met name voordoen in het geval dat registers van de burgerlijke stand in het land waar de documenten vandaan moeten komen niet bestaan dan wel onvolledig zijn, alsmede wanneer in het land in kwestie geen stukken kunnen worden verkregen vanwege de op dat moment bestaande politieke situatie.
In Syrië geboren vreemdelingen hoeven geen Syrisch paspoort noch een uit Syrië afkomstige geboorteakte te overleggen. De reden hiervoor is dat uit het ambtsbericht over Syrië uit juni 2022 gebleken is dat in Syrië nog steeds sprake is van een instabiele situatie, die niet alleen wordt veroorzaakt door de aard en frequentie van het geweld, maar ook door repressieve acties van de Syrische regering en andere feitelijke machthebbers in delen van het land. Daardoor kan het verkrijgen van documenten niet gevergd worden.
Met ingang van 26 oktober 2015 zijn etnisch Armenen die geboren zijn in Azerbeidzjan, vrijgesteld van het overleggen van een geboorteakte uit Azerbeidzjan alsook van een Azerbeidzjaans paspoort (Kamerstuk 19 637, nr. 2072). Van etnisch Armenen uit Azerbeidzjan wordt aangenomen dat zijn in bewijsnood verkeren nu de Azerbeidzjaanse autoriteiten het (juridische) bezit van de Azerbeidzjaanse nationaliteit in het algemeen niet erkennen als het een etnisch Armeen betreft.
Het komt voor dat naturalisatieverzoekers stellen niet van de eigen autoriteiten een geldig paspoort te krijgen omdat zij in het herkomstland de militaire dienstplicht (nog) moeten vervullen. Omdat een betrokkene in verzuim is met het tijdig vervullen van de dienstplicht geven de desbetreffende autoriteiten geen (nieuw) paspoort meer af, ondanks het feit dat betrokkene (nog) wel de nationaliteit van dat land heeft. Dat een vreemdeling door zijn autoriteiten wordt opgeroepen om dienstplicht te vervullen, is een aanwijzing dat hij in het bezit is van de door hem gestelde vreemde nationaliteit. De eis om een geldig buitenlands paspoort te overleggen, vervalt daarom als betrokkene een schriftelijke oproep, die op de dag van het indienen van het naturalisatieverzoek niet ouder is dan een jaar, voor de militaire dienstplicht overlegt.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Op grond van artikel 51, eerste en tweede lid, BVVN neemt de Minister van Buitenlandse Zaken verzoeken om naturalisatie in ontvangst van de volgende personen:
Dit betreft de hoofdregel: de Minister van Buitenlandse Zaken neemt naturalisatieverzoeken in ontvangst op de diplomatieke of consulaire post in het ressort waar de verzoeker om naturalisatie zijn hoofdverblijf heeft. Het feit dat het verzoek om naturalisatie mede betrekking kan hebben op minderjarigen die hun hoofdverblijf hebben buiten dit ressort, doet hier niet aan af.
Dit zijn personen die nergens ter wereld hun hoofdverblijf hebben omdat zij per voer- of vaartuig steeds van verblijfplaats veranderen. Omdat deze personen geen hoofdverblijf binnen het Koninkrijk hebben in de zin van artikel 8, eerste lid, aanhef en sub c, RWN, betreft deze categorie uitsluitend personen die overeenkomstig het bepaalde in artikel 8, tweede lid, RWN hetzij oud-Nederlander zijn, hetzij gehuwd zijn met of een geregistreerd partnerschap hebben met een Nederlander, dan wel tijdens hun meerderjarigheid binnen het Koninkrijk zijn geadopteerd door een Nederlander. Verwacht mag worden dat passanten slechts sporadisch verzoeken om naturalisatie indienen.
Verzoeken van andere personen dan hierboven genoemd worden niet door de Minister van Buitenlandse Zaken in behandeling genomen (artikel 51, vierde lid, BVVN). Zo mogelijk deelt de Minister van Buitenlandse Zaken aan de verzoeker mee waar het verzoek in persoon kan worden ingediend.
Nadat de Minister van Buitenlandse Zaken een verzoek om naturalisatie in ontvangst heeft genomen, wordt daarop een datum van ontvangst en een dienststempel geplaatst (artikel 51, vijfde lid, BVVN), waarna een kopie van het naturalisatieverzoek, als bewijs van inontvangstneming, aan de verzoeker wordt meegegeven (artikel 51, derde lid, BVVN).
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
De Minister van Buitenlandse Zaken controleert bij verzoeken om naturalisatie die op of ná 1 maart 2009 zijn ingediend of iedere persoon die om verkrijging van het Nederlanderschap heeft verzocht en die hiertoe wettelijk verplicht is, zich bereid heeft verklaard bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen. Zie paragraaf 2.3.4.1. Alleen als het afleggen ervan redelijkerwijs niet gevraagd kan worden, zoals aan verzoekers die niet in staat zijn hun wil te bepalen of deze niet kunnen uiten of aan verzoekers aan wie het door de Minister van Buitenlandse Zaken is toegestaan zich bij de indiening van het verzoek om naturalisatie te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, hoeft de bereidverklaring niet ondertekend te zijn. Indien de verzoeker zich op de naturalisatieceremonie laat vertegenwoordigen door een gemachtigde, moet de verklaring van verbondenheid schriftelijk getekend door de verzoeker, worden aangeleverd door de gemachtigde op de ceremonie.
Indien een verzoeker om naturalisatie, ten aanzien van wie door de Minister van Buitenlandse Zaken is bepaald dat niet kan worden afgezien van invulling en ondertekening van de bereidverklaring, die bereidverklaring (model 2.30a HRWN) niet heeft ingevuld en ondertekend of heeft verklaard niet bereid te zijn om de verklaring van verbondenheid af te leggen en desondanks toch in zijn verzoek om naturalisatie persisteert, brengt de Minister van Buitenlandse Zaken een negatief advies uit en wijst Onze Minister het verzoek om naturalisatie af. Zie tevens paragraaf 2.3.9.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voorafgaand aan de administratieve behandeling van het verzoek om naturalisatie beoordeelt de Minister van Buitenlandse Zaken of en zo ja, welk bedrag de verzoeker dient te betalen overeenkomstig het BON. Indien de verzoeker naturalisatiegelden verschuldigd is, wordt hem dit meegedeeld en de gelegenheid gegeven de betaling te verrichten (artikel 52, tweede lid, BVVN). Zie model 2.8a HRWN. Voor een beoordeling van de al dan niet verschuldigde naturalisatiegelden wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 13, eerste lid, RWN.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
De Minister van Buitenlandse Zaken beoordeelt voorts of de verzoeker is vrijgesteld (artikel 3 BNT) of ontheven (artikel 4 BNT) van het afleggen van het inburgeringsexamen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, BNT. Vrijstelling van het inburgeringsexamen kan bijvoorbeeld geschieden op grond van een overgelegd diploma dat in Nederland is behaald; ontheffing kan plaatsvinden als sprake is van een ernstige belemmering met medische oorzaak dan wel een ernstige taalgerichte belemmering. Voor een gedetailleerde beschrijving van de procedure wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN (zie ook dit onderdeel van de Handleiding). Indien de verzoeker niet is vrijgesteld noch ontheven, dan dient de verzoeker bij het verzoek om naturalisatie een inburgeringsdiploma, bedoeld in artikel 5 BNT over te leggen. Zie verder de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, paragrafen 6.3.2 en 6.3.3 voor respectievelijk voor vrijstelling van de toets en voor ontheffing paragraaf.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Indien de verzoeker de verschuldigde naturalisatiegelden niet voldoet op het moment van indiening van het verzoek om naturalisatie, stelt de Minister van Buitenlandse Zaken hem in de gelegenheid om daartoe alsnog over te gaan binnen een termijn van zes weken na de indiening van het verzoek. Indien de verzoeker hieraan binnen deze termijn geen gevolg geeft, stelt de Minister van Buitenlandse Zaken, binnen vier weken na het verstrijken van voornoemde termijn (artikel 4:5, vierde lid, Awb), het verzoek om naturalisatie buiten behandeling (model 2.23a HRWN). In dat geval wordt geen advies uitgebracht maar zendt de Minister van Buitenlandse Zaken het (incomplete) dossier aan de IND. Tegen de beslissing tot buitenbehandelingstelling kan binnen zes weken bezwaar worden ingediend bij Onze Minister. Zie ook de toelichting bij artikel 13, eerste lid, paragraaf 2.5, HRWN. Beslist de Minister van Buitenlandse Zaken niet binnen vier weken, dan is buitenbehandelingstelling wettelijk niet meer toegestaan. In dat geval moet inhoudelijk op het verzoek om (mede)naturalisatie worden beslist.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
De administratieve behandeling van het verzoek om naturalisatie vangt aan nadat:
de verschuldigde naturalisatiegelden zijn voldaan, of de Minister van Buitenlandse Zaken van oordeel is dat geen naturalisatiegelden verschuldigd zijn; én
het inburgeringsdiploma bedoeld in artikel 5 BNT is overgelegd, of de Minister van Buitenlandse Zaken van oordeel is dat de verzoeker is vrijgesteld of ontheven van het afleggen van het inburgeringsexamen; dan wel
de (overige) gevraagde aanvulling van het verzoek, noodzakelijk voor de beoordeling daarvan, is ontvangen (artikel 9, vierde lid, RWN).
Alsdan toetst de Minister van Buitenlandse Zaken de door de verzoeker verstrekte persoonsgegevens – voor zover aanwezig – aan de gegevens die zijn opgenomen in de administratie (artikel 53, eerste lid, BVVN). Met betrekking tot personen die (mede) in het naturalisatieverzoek zijn genoemd en die hoofdverblijf hebben binnen het Koninkrijk, verzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken zo nodig, al naar gelang de plaats waar zij volgens de basisadministratie als ingezetene zijn ingeschreven, aan de burgemeester van de betreffende gemeente, aan de gezaghebber van het betrokken openbaar lichaam of aan de Minister van Algemene Zaken van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten de hem verstrekte gegevens binnen tien weken te toetsen (artikel 53, tweede lid, BVVN). Voor zover mogelijk onderzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken de juistheid van de persoonsgegevens die niet op de hierboven aangegeven wijze kunnen worden gecontroleerd (artikel 53, derde lid, BVVN).
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Vervolgens onderzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken (artikel 54 BVVN):
of wordt voldaan aan de voorwaarden voor (mede)verlening (zie toelichting bij artikelen 8, 9 en 11 RWN); het onderzoek naar mogelijke antecedenten als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN wordt verricht aan de hand van de door of namens de verzoeker verstrekte gegevens. De Minister van Buitenlandse Zaken onderzoekt – indien mogelijk – de antecedenten van de verzoeker in het land waar hij hoofdverblijf heeft, of in de periode van vijf jaar voorafgaande aan de beslissing hoofdverblijf heeft gehad. In geval betrokkene in de afgelopen vijf jaar zijn hoofdverblijf in Nederland heeft gehad onderzoekt niet de Minister van Buitenlandse Zaken maar de IND aan de hand van in Nederland opgevraagde uittreksels uit het register van de Justitiële documentatiedienst en gegevens van de korpschef (NSIS, OPS, HKD) de aanwezigheid van mogelijke antecedenten in Nederland;
of bij de naturalisatie namen moeten worden vastgesteld c.q. gewijzigd en wie daarmee moeten in- of toestemmen (model 2.6a HRWN, 2.7a HRWN, 2.9a HRWN, 2.11a HRWN, 2.15a HRWN en 2.16a HRWN). Zie verder de toelichting bij artikel 12 RWN;
of het verzoek om naturalisatie in aanmerking komt voor inwilliging.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Verhuist de verzoeker vanuit ressort X naar ressort Y in de periode die ligt tussen indienen van het verzoek om naturalisatie en het uitbrengen van het advies, dan zijn de volgende situaties te onderscheiden:
Het verzoek is compleet (de naturalisatiegelden zijn betaald, alle vereiste gegevens zijn verstrekt en alle gevraagde documenten zijn overgelegd). In dat geval brengt de Minister van Buitenlandse Zaken advies uit aan de IND, waarbij mededeling wordt gedaan van de verhuizing naar een ander ressort, onder opgave van het nieuwe adres.
Het verzoek is nog niet compleet (de naturalisatiegelden zijn nog niet betaald, of alle vereiste gegevens zijn nog niet verstrekt, of alle gevraagde documenten zijn nog niet overgelegd). In dat geval wordt het verzoek met bijbehorende gegevens en documenten doorgezonden aan de diplomatieke of consulaire post van het ressort waar de verzoeker om naturalisatie zijn nieuwe hoofdverblijf heeft, met het verzoek de behandeling over te nemen en zorg te dragen voor completering van het verzoek. Vervolgens wordt advies uitgebracht aan de IND.
De in artikel 8, eerste lid, BON bedoelde afdracht van de geïnde naturalisatiegelden geschiedt, ongeacht door welk ressort advies wordt uitgebracht, door het ressort waar de gelden zijn betaald. Dat ressort behoudt ook altijd de vergoeding als bedoeld in het tweede lid van artikel 8 BON.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
De Minister van Buitenlandse Zaken sluit het onderzoek af met het uitbrengen van een schriftelijk advies aan de IND over het verzoek om naturalisatie en over de eventuele naamsvaststelling c.q. naamswijziging (artikel 54, vijfde lid, BVVN). Zie model 2.22a HRWN (adviesblad naturalisatie). De adviezen die kunnen worden uitgebracht zijn: ‘geen bezwaar’ en ‘bezwaar’
De Minister van Buitenlandse Zaken zendt het verzoek om naturalisatie, de door hem over de verzoeker en andere betrokkenen ingewonnen inlichtingen, de bewijzen van persoonsgegevens (verklaringen en/of afschriften dan wel uittreksels van akten van de burgerlijke stand), de door verzoeker en andere betrokkenen ondertekende verklaringen en verzoeken, de overige door verzoeker overgelegde bewijsstukken, – indien mogelijk – de stukken uit de eigen administratie en het advies aan Onze Minister (artikel 55, eerste lid, BVVN). De Minister van Buitenlandse Zaken zorgt voor doorzending van bovengenoemde stukken aan Onze Minister (artikel 55, tweede lid, BVVN). Indien de Minister van Buitenlandse Zaken dat noodzakelijk acht, kan hij kopieën van deze documenten behouden. In verband met de wettelijke behandeltermijn van een jaar is het van belang dat uit de stukken die aan de IND worden toegezonden duidelijk blijkt op welke datum de naturalisatiegelden zijn betaald, op welke datum eventueel ontheffing van betaling is verleend en op welke datum de aanvullende stukken zijn overgelegd (zie ook de toelichting bij artikel 9, vierde lid, RWN). De IND bevestigt de ontvangst van het dossier aan de Minister van Buitenlandse Zaken.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Op het verzoek wordt beslist binnen één jaar na de betaling van de naturalisatiegelden, of na de beslissing tot ontheffing daarvan, dan wel nadat de gevraagde stukken, noodzakelijk voor de beoordeling van het verzoek, zijn ontvangen (artikel 9, vierde lid, RWN). De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) informeert de verzoeker over de beslissing tot afwijzing (artikel 56, eerste lid, BVVN). In geval van een positieve beslissing stuurt de IND het de verzoeker betreffende uittreksel van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap onverwijld aan de Minister van Buitenlandse Zaken. De Minister van Buitenlandse Zaken draagt zorg voor het bekendmaken van het besluit (zie paragraaf 2.3.13). Het uittreksel vermeldt de naam van de persoon die is genaturaliseerd. Ook de meegenaturaliseerde minderjarige kinderen worden in het uittreksel genoemd. Benadrukt wordt dat kinderen slechts hebben gedeeld in de naturalisatie indien dit uitdrukkelijk is vermeld in het besluit tot verlening van het Nederlanderschap. Voor zover van toepassing blijkt uit de bekendmaking tevens de bij het naturalisatiebesluit tot stand gekomen naamsvaststelling c.q. naamswijziging.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Een beslissing tot buitenbehandelingstelling, aanhouding of afwijzing van een verzoek om naturalisatie of tot afwijzing van een verzoek om medeverlening, is een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Tegen deze beslissingen kan een bezwaarschrift worden ingediend. De hoofdstukken 6 en 7 Awb zijn dan van toepassing. In de volgende gevallen kan bezwaar worden ingediend:
Als betrokkene het niet eens is met het besluit tot verlening van het Nederlanderschap, bijvoorbeeld omdat hij bezwaar heeft tegen de bij het besluit (niet) vastgestelde of gewijzigde naam. Op een dergelijk bezwaarschrift (te verzenden aan de IND) wordt beslist door de Kroon. Bij gegrondverklaring van het bezwaarschrift wordt het besluit voorgedragen bij Zijne Majesteit de Koning voor herziening. De herziening werkt terug tot de datum van het oorspronkelijke naturalisatiebesluit.
Als betrokkene het niet eens is met het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap (wegens het niet nakomen van de afstandsplicht). Op het bezwaarschrift (te verzenden aan de IND) wordt beslist door Onze Minister. Bij gegrondverklaring van het bezwaarschrift wordt het besluit tot intrekking herroepen en wordt betrokkene geacht het Nederlanderschap niet te hebben verloren.
Als betrokkene het niet eens is met de intrekking van het Nederlanderschap wegens fraude.
Een informatieve brief, waarin het beleid nader wordt toegelicht, is géén besluit in de zin van de Awb. Een bezwaarschrift gericht tegen een informatieve brief wordt dan ook niet-ontvankelijk verklaard. Hierbij kan worden gedacht aan een bezwaarschrift gericht tegen de bijlage bij de bekendmaking van het naturalisatiebesluit, waarin de naturalisandus wordt gewezen op de afstandsplicht.
Wordt een bezwaarschrift gegrond verklaard, dan zijn de volgende situaties te onderscheiden:
Bij gegrondverklaring van een bezwaarschrift tegen buitenbehandelingstelling van een verzoek om naturalisatie wordt het verzoek alsnog in behandeling genomen en volgt een beslissing in eerste aanleg.
Bij gegrondverklaring van een bezwaarschrift tegen aanhouding van een verzoek om naturalisatie zal ófwel de verzoeker alsnog worden voorgedragen voor verlening van het Nederlanderschap, ófwel wordt het verzoek afgewezen.
Bij gegrondverklaring van een bezwaarschrift tegen afwijzing van een verzoek om naturalisatie wordt de verzoeker alsnog voorgedragen voor verlening van het Nederlanderschap, mits hij op het moment van de beslissing in bezwaar voldoet aan alle voorwaarden voor naturalisatie.
Bij gegrondverklaring van een bezwaarschrift tegen de afwijzing van een verzoek om medeverlening wordt het besluit waarbij de minderjarige werd afgewezen, herzien. Dit heeft tot gevolg dat, achteraf bezien, het kind geacht moet worden tegelijk met zijn ouder het Nederlanderschap te hebben verkregen.
In afwijking van de hoofdregel dat een beslissing op bezwaar wordt genomen met inachtneming van de feiten, omstandigheden en geldende regelgeving op het moment van de beslissing op bezwaar (ex nunc-toetsing), wordt een bezwaarschrift tegen afwijzing van een verzoek om medeverlening beoordeeld naar de feiten, omstandigheden en regelgeving ten tijde van de beslissing in eerste aanleg (ex tunc-toetsing). Dit vloeit voort uit het feit dat medeverlening aan de minderjarige is gekoppeld aan de situatie op de dag waarop aan de ouder het Nederlanderschap werd verleend. Om alsnog vanaf die dag Nederlander te kunnen worden, moet de minderjarige dus op die datum hebben voldaan aan alle vereisten voor medeverlening.
Let op! Het kan dus niet zo zijn dat een minderjarige hangende de bezwaarprocedure alsnog gaat voldoen aan de voorwaarden voor medeverlening. Dat zou immers betekenen dat de minderjarige het Nederlanderschap verwerft op een datum, waarop hij nog niet voldeed aan de vereisten voor medeverlening van het Nederlanderschap.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Tegen een beslissing op het bezwaarschrift (bijvoorbeeld niet-ontvankelijkverklaring of ongegrondverklaring) kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank te Den Haag, sector Bestuursrecht, Postbus 20302, 2500 EH Den Haag, Nederland. De bepalingen in de hoofdstukken 6 en 8 Awb met betrekking tot de beroepsprocedure, zijn van toepassing.
Op grond van artikel 8:23, tweede lid, Awb wordt in een beroepsprocedure de Kroon vertegenwoordigd door de minister wie het aangaat onderscheidenlijk door een of meer ministers wie het aangaat. In de naturalisatieprocedure is dat Onze Minister.Op grond van artikel 37 WRvS kan zowel de verzoeker als Onze Minister hoger beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. De bepalingen van hoofdstuk 6 Awb (zie artikel 6:24 Awb) en hoofdstuk 8 Awb – met uitzondering van enkele artikelen (vergelijk artikel 39 WRvS) en voor zover daarvan in artikel 37en volgende WRvS niet is afgeweken – zijn van overeenkomstige toepassing.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
De regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap (hierna: RVVN) bevat in artikel 5 sinds 1 april 2003 de mogelijkheid tot een ceremoniële bijeenkomst op vrijwillige basis voor zowel overheid als betrokkenen. Tijdens deze ceremonie zal de verkrijging van het Nederlanderschap worden gevierd. Met ingang van 1 oktober 2006 is dit voor het naturalisatiebesluit veranderd (artikel 5, vijfde lid, RVVN). Vanaf die datum treedt het naturalisatiebesluit voor een daarin genoemde persoon pas in werking door uitreiking van het hem betreffende uittreksel daarvan, in de regel op een naturalisatieceremonie. Sinds 1 maart 2009 is voor het verkrijgen van het Nederlanderschap nog een vereiste ingevoerd, namelijk het afleggen van de verklaring van verbondenheid. Uitgangspunt bij de verklaring van verbondenheid is dat deze in persoon en mondeling wordt afgelegd tijdens de naturalisatieceremonie. Indien de Minister van Buitenlandse Zaken komt tot een andere wijze van bekendmaking dan uitreiking in persoon, wordt de verklaring van verbondenheid eerst schriftelijk afgelegd (zie hiervoor artikel 56, tweede lid, BVVN, artikel 60b, vijfde en zesde lid, BVVN, artikel 5, vierde lid, onder d, RVVN, paragraaf 2.3.13.6.2 en paragraaf 2.3.13.4).
Het uittreksel uit het naturalisatiebesluit wordt aan de naturalisandus bekendgemaakt door uitreiking en pas dan treedt het besluit, met terugwerkende kracht tot de datum van dagtekening, in werking. De naturalisandus moet daadwerkelijk op een naturalisatieceremonie verschijnen om rechten te kunnen ontlenen aan het naturalisatiebesluit. Verschijnt de naturalisandus niet, dan kan de verklaring van verbondenheid niet worden afgelegd en het uittreksel uit het naturalisatiebesluit niet worden bekendgemaakt.
Op grond van artikel 60b, tweede en vierde lid BVVN is in het buitenland de Minister van Buitenlandse Zaken bevoegd tot bekendmaking van het naturalisatiebesluit. Het staat hem vrij om door middel van een machtiging de uitreiking over te dragen aan een ambtenaar van de betreffende diplomatieke of consulaire post. Hij roept de naturalisandus tijdig op voor een naturalisatieceremonie. Verschijnt de opgeroepen persoon niet, dan vindt geen uitreiking plaats en wordt een oproeping voor de volgende ceremonie toegezonden. Zonodig wordt een derde oproep per aangetekende post verzonden. Wordt het besluit niet binnen een jaar na de dag waarop het is gedagtekend, uitgereikt, dan vervalt het in de regel. De naturalisandus is dan geen Nederlander geworden. Hij dient daarvoor een nieuw verzoek tot naturalisatie in te dienen of een optieverklaring af te leggen.
Zodra een betrokkene wordt voorgedragen voor naturalisatie meldt Onze Minister dit aan de Minister van Buitenlandse Zaken. Met behulp van dit bericht verkrijgt de Minister van Buitenlandse Zaken inzicht in het aantal naturalisandi dat hij voor een bepaalde naturalisatieceremonie zal moeten uitnodigen. Ook betrokkene ontvangt een bericht over de voortgang van zijn naturalisatieverzoek.
Na ondertekening van het koninklijk besluit tot naturalisatie zendt Onze Minister onverwijld aan de Minister van Buitenlandse Zaken het desbetreffende uittreksel van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap en het bijbehorende terugmeldformulier (artikel 56 BVVN).
De eis tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid geldt alleen voor verzoeken om naturalisatie die zijn ingediend op of na 1 maart 2009. Sinds 1 maart 2009 geldt dat de verzoeker bij de indiening van het naturalisatieverzoek een bereidverklaring moet ondertekenen. Deze verzoekers moeten in beginsel bij de naturalisatieceremonie de verklaring van verbondenheid afleggen.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
De Minister van Buitenlandse Zaken roept in beginsel de persoon op te verschijnen die ten tijde van het indienen van het naturalisatieverzoek 16 jaar of ouder was. Was de naturalisandus of mede-naturalisandus jonger dan 16 jaar, dan roept de Minister van Buitenlandse Zaken zijn wettelijke vertegenwoordiger op (artikel 60b, tweede lid BVVN). Zie tevens paragraaf 2.3.13.4. De oproeping vindt plaats door middel van een schriftelijke uitnodiging aan de naturalisandus of zijn wettelijke vertegenwoordiger. In beginsel wordt die wettelijk vertegenwoordiger opgeroepen die namens de minderjarige naturalisandus het naturalisatieverzoek heeft ingediend (artikel 2, derde lid RWN). Zie ook bijlage 1 (tabel oproepen en uitreiken).
De oproeping vindt plaats tijdig voor de uitreiking (artikel 60b, tweede lid, BVVN). Indien de opgeroepen persoon niet verschijnt, en hij heeft geen (succesvol) beroep op zwaarwegende redenen gedaan, wordt hij opnieuw opgeroepen.
Na de eerste afwezigheid kan worden nagegaan of de uitnodiging aan het juiste adres is gestuurd. Is de betrokkene ook na de tweede oproep niet verschenen, dan verzendt de Minister van Buitenlandse Zaken – zonodig – een derde oproep per aangetekende post. Wie geen van deze drie keren verschijnt, zal daarna zich alsnog voor een uitreiking kunnen melden. De betrokken persoon zal dan voor een (eerst)volgende ceremonie worden uitgenodigd, tenzij het desbetreffende uittreksel – behoudens een eerdere rechterlijke vernietiging van het besluit inzake de wijze van uitreiking – alsdan zou worden uitgereikt één jaar na dagtekening ervan.
In de oproeping dient de verzoeker in ieder geval ook gewezen te worden op de (automatische) vervaltermijn van een jaar. Zie paragraaf 2.3.13.3.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Het naturalisatiebesluit treedt als regel in werking door uitreiking in persoon tijdens een ceremoniële bijeenkomst van het desbetreffende uittreksel daarvan, nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Slechts in bijzondere gevallen de Minister van Buitenlandse Zaken hiervan afwijken. Onder zeer bijzondere omstandigheden wordt het uittreksel buiten de naturalisatieceremonie om uitgereikt of toegezonden aan de betrokkene, nadat de verklaring van verbondenheid, al dan niet schriftelijk, is afgelegd. Zie hiervoor paragraaf 2.3.13.4. Het besluit werkt na bekendmaking terug tot het moment waarop het besluit is gedagtekend (artikel 60b, eerste lid BVVN). Dit betekent dat een nieuw feit dat zich heeft voorgedaan in de periode tussen de vaststelling van het besluit en de bekendmaking daarvan, geen reden vormt het naturalisatiebesluit opnieuw te beoordelen. Wie in deze tussenliggende periode in strijd met de openbare orde handelt, verkrijgt niettemin het Nederlanderschap. Ook een minderjarige die in de tussenliggende periode meerderjarig is geworden, verkrijgt het Nederlanderschap. Hoewel een op of na de dagtekening overleden persoon niet meer in persoon kan verschijnen, zal ook deze persoon Nederlander worden zodra het naturalisatiebesluit aan een belanghebbende is uitgereikt of bekendgemaakt.
De terugwerkende kracht is niet nieuw. Ook nu treedt het naturalisatiebesluit in werking door bekendmaking, die op dit moment niet door uitreiking, maar door toezending per post geschiedt. Deze schriftelijke bekendmaking vindt plaats omstreeks acht weken nadat het besluit is ondertekend. Ook hier werkt de inwerkingtreding terug tot het moment van die ondertekening. En ook hier hebben feiten die zich na de ondertekening voordoen geen invloed op de verkrijging van het Nederlanderschap en treedt het rechtsgevolg in vanaf de dag van dagtekening.
Is een jaar na de dag van de ondertekening van het naturalisatiebesluit verstreken zonder dat de verzoeker op een naturalisatieceremonie is verschenen en het besluit derhalve niet aan hem is bekendgemaakt, dan vervalt het naturalisatiebesluit (artikel 60b, elfde lid, BVVN). De vervaltermijn van één jaar wordt opgeschort als bezwaar en/of beroep is ingesteld tegen het besluit inzake de wijze van bekendmaking van het naturalisatiebesluit en/of de wijze van aflegging van de verklaring van verbondenheid. Om te voorkomen dat het besluit daardoor zou vervallen, is bepaald dat de termijn van één jaar door het instellen van bezwaar of beroep wordt opgeschort totdat daarop onherroepelijk is beslist. De vervaltermijn van één jaar wordt stopgezet op het moment dat de Minister van Buitenlandse Zaken het bezwaarschrift of de rechtbank beroepschrift heeft ontvangen en gaat weer lopen op het moment dat de beslissing van de Minister van Buitenlandse Zaken of de rechtbank onherroepelijk is geworden en dus geen rechtsmiddelen meer openstaan. De termijn loopt dan na de beslissing in bezwaar of beroep verder en vangt niet opnieuw aan. Onder beroep wordt mede hoger beroep begrepen (artikel 60b, elfde lid, BVVN).
Dit kan bijvoorbeeld spelen als de verzoeker heeft verzocht om de verklaring van verbondenheid schriftelijk te mogen afleggen en dit door de Minister van Buitenlandse Zaken geweigerd is. Dit kan ook voorkomen als de verzoeker een beroep op zwaarwegende redenen heeft gedaan om niet op de naturalisatieceremonie te verschijnen en dit door de Minister van Buitenlandse Zaken is afgewezen.
De verzoeker die niet is verschenen op een naturalisatieceremonie en wiens besluit van rechtswege is vervallen, kan enkel een nieuw verzoek om naturalisatie indienen om zo alsnog Nederlander te worden. Tegen het vervallen van het naturalisatiebesluit, als gevolg van het verstrijken van de vervaltermijn van één jaar na de dagtekening van het besluit staat geen bezwaar of beroep open. Het besluit is immers van rechtswege vervallen.
Als na de vervaltermijn van een jaar geen uitreiking heeft plaatsgevonden en evenmin een bezwaar- of beroepsprocedure (gericht tegen de wijze van bekendmaking dan wel de wijze van aflegging van de verklaring van verbondenheid) aanhangig is, zendt de Minister van Buitenlandse Zaken het besluit aan de IND in Rijswijk, met de vermelding dat het besluit niet in werking is getreden (artikel 5, zesde lid, onder a, RVVN).
De Minister van Buitenlandse Zaken reikt het uittreksel van het naturalisatiebesluit uit op een aan de omstandigheden aangepaste wijze. Vindt bekendmaking plaats door uitreiking, dan wordt daarbij zoveel mogelijk de procedure van artikel 60b BVVN toegepast, met uitzondering van het gestelde in lid 2 en lid 4.
De Minister van Buitenlandse Zaken reikt het uittreksel van het besluit uit aan de personen die ten tijde van het indienen van het naturalisatieverzoek 16 jaar of ouder was én na het, al dan niet schriftelijk, afleggen van de verklaring van verbondenheid door de personen die hiertoe verplicht zijn. Was de betrokkene op dat tijdstip jonger dan 16 jaar dan wordt het uittreksel uitgereikt aan zijn wettelijke vertegenwoordiger (artikel 60b, vijfde lid BVVN). Zie ook bijlage 1 (tabel oproepen en uitreiken).
Bij een verzoek om medeverlening dient de hoofdpersoon in wiens naturalisatie wordt gedeeld, op de ceremonie aanwezig te zijn. Indien deze persoon niet aanwezig is, dan wordt het uittreksel, waarop zowel de hoofdnaturalisandus als het in diens naturalisatie delende minderjarig kind vermeld staan, niet aan het eventueel aanwezige kind uitgereikt. Dit kind, noch de hoofdnaturalisandus worden op dat moment Nederlander. In dat geval wordt de hoofdnaturalisandus voor de volgende ceremonie opgeroepen, op de wijze die hierboven is beschreven bij ‘termijn van oproeping’.
De persoon aan wie het besluit wordt uitgereikt dient ter identificatie van hemzelf (en, indien van toepassing, de persoon die hij vertegenwoordigt) een (geldig) identiteitsbewijs over te leggen.
De uitreiking van het uittreksel van het naturalisatiebesluit ligt in handen van de Minister van Buitenlandse Zaken die het in artikel 54, vijfde lid, BVVN, bedoelde advies heeft uitgebracht.
Indien de verzoeker zijn hoofdverblijf inmiddels heeft verlegd naar het Koninkrijk en hiervan mededeling heeft gedaan, dan zal de Minister van Buitenlandse Zaken de uitreiking van de bevestiging door middel van een machtiging overdragen aan de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de verzoeker.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Uitgangspunt bij de bekendmaking is dat ook buiten het Koninkrijk een feestelijk getinte bijeenkomst ter viering van de verkrijging van het Nederlanderschap zal plaatsvinden. Echter wegens bijzondere aan de personele omvang van de diplomatieke of consulaire post gerelateerde omstandigheden kan de Minister van Buitenlandse Zaken komen tot een andere wijze van bekendmaking dan uitreiking in persoon. Dit staat overigens los van de – door de op te roepen/reeds opgeroepen persoon – aan te voeren zwaarwegende redenen waarom de ceremonie door de optant niet in persoon kan worden bijgewoond. Zie hiervoor verder paragraaf 2.3.13.5.
Op grond van artikel 5, vierde lid onder d, RVVN kan de Minister van Buitenlandse Zaken komen tot een andere wijze van bekendmaking van het uittreksel uit het naturalisatiebesluit dan uitreiking in persoon wegens bijzondere aan de personele omvang van de diplomatieke of consulaire post gerelateerde omstandigheden.
Nederlandse diplomatieke of consulaire posten in het buitenland verrichten hun werkzaamheden onder zeer verschillende omstandigheden en mogelijkheden. Ook bij de verkrijging van het Nederlanderschap in het buitenland is evenwel het uitgangspunt dat sprake is van uitreiking in persoon van het besluit leidend tot het Nederlanderschap. Desalniettemin kan het voorkomen dat een diplomatieke of consulaire post (niet behorend tot een diplomatieke post) zodanig kleinschalig is dat het organiseren van een ceremonie een te zware belasting zou worden of niet spoedig na de ontvangst van het uittreksel kan worden georganiseerd. In een dergelijk voorkomend geval kan incidenteel worden besloten geen ceremonie te houden, maar in het belang van de betrokken burger over te gaan tot de onmiddellijke bekendmaking via de postbezorging.
Voor de uitreiking van het uittreksel van het naturalisatiebesluit kent het BVVN voor de Minister van Buitenlandse Zaken geen vaste uitreikingstermijn. Gezien de zeer verschillende omstandigheden waaronder zij de bekendmaking van de verlening van het Nederlanderschap hebben te verzorgen, is hierbij de mogelijkheid van een ruime uitreikingstermijn dan ook gewenst. Wel blijft gelden dat mede in het belang van de betrokken burger de uitreiking van het uittreksel van het naturalisatiebesluit op een zo kort mogelijke termijn na dagtekening dient plaats te vinden. Bij bekendmaking per post geschiedt dit in beginsel onmiddellijk na ontvangst van het uittreksel van het naturalisatiebesluit, doch uiterlijk binnen één week daarna (artikel 5, vijfde lid, onder e, RVVN).
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor naturalisandi die op of na 1 maart 2009 een verzoek om naturalisatie indienen, bevat de naturalisatieceremonie na die datum een onderdeel waarin zij de verklaring van verbondenheid afleggen. De verklaring van verbondenheid en het afleggen ervan is de onderstreping van het moment van de verkrijging van de nieuwe nationaliteit; het Nederlanderschap. Het is het moment dat nieuwe rechten en plichten meebrengt, welke men kenbaar aanvaart. Met het afleggen van de verklaring van verbondenheid verklaart de burger dat hij zich bewust is van de betekenis van aanvaarding en verkrijging van de nieuwe nationaliteit. De verklaring van verbondenheid wordt altijd in het Nederlands afgelegd. De verklaring van verbondenheid en de twee varianten voor de bevestiging zijn wettelijk bepaald in artikel 23 RWN. Daarmee staat de uit te spreken tekst wettelijk vast. Er kan geen sprake zijn van het uitspreken van een vertaling van de tekst.
De verklaring van verbondenheid wordt in persoon, in beginsel op een naturalisatieceremonie, doorgaans mondeling en (altijd) in het Nederlands afgelegd voordat het naturalisatiebesluit aan hem wordt uitgereikt. De Minister van Buitenlandse Zaken bepaalt op welke wijze het afleggen van de verklaring van verbondenheid nader wordt ingevuld. Zie artikel 60b, vierde lid, BVVN. Indien de Minister van Buitenlandse Zaken komt tot een andere wijze van bekendmaking dat uitreiking in persoon op een naturalisatieceremonie, wordt de verklaring van verbondenheid schriftelijk afgelegd (artikel 5, vierde lid, RVVN en artikel 60b, vijfde lid, BVVN).
De verklaring van verbondenheid wordt besloten met het uitspreken van de bevestiging ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’ òf ‘Dat verklaar en beloof ik’. De keuze is aan de verzoeker. De tekst van de bevestiging staat wettelijk vast en van deze tekst kan niet worden afgeweken.
De Minister van Buitenlandse Zaken houdt van naturalisatieverzoeken ingediend op of na
1 maart 2009 bij óf een verklaring van verbondenheid is afgelegd en de wijze waarop dit is gebeurd. Het feit van aflegging tekent de Minister van Buitenlandse Zaken aan op het terugmeldformulier (model 2.29a HRWN of 2.29b HRWN) dat aan de IND wordt verzonden. Zie tevens paragraaf 2.3.12.6.
Sinds 1 maart 2009 moet iedere meerderjarige verzoeker, die op of na die datum een verzoek om naturalisatie heeft ingediend, op de naturalisatieceremonie de verklaring van verbondenheid afleggen. Ook een verzoeker om medenaturalisatie van 16 of 17 jaar (artikel 11, derde lid, RWN) is verplicht om op de naturalisatieceremonie de verklaring van verbondenheid af te leggen. De minderjarige die ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie jonger is dan zestien jaar hoeft niet uitgenodigd te worden om te verschijnen op de naturalisatieceremonie en hoeft geen verklaring van verbondenheid af te leggen.
Uittreksels uit het besluit tot verlening van het Nederlanderschap zijn op één naam gesteld. Er kan echter sprake zijn van kinderen die delen in verkrijging van het Nederlanderschap. Indien de opgeroepen naturalisandus, die verplicht is te verschijnen en de verklaring van verbondenheid af te leggen, niet verschijnt op de naturalisatieceremonie, kan het uittreksel van het naturalisatiebesluit niet worden uitgereikt. De uittreksels betreffende de minderjarige kinderen die met de naturalisandus zouden meenaturaliseren, worden dan ook niet uitgereikt, ook al zijn de kinderen wel aanwezig op de naturalisatieceremonie. De uitreiking van het uittreksel uit het naturalisatiebesluit wordt in dat geval aangehouden. Zie artikel 60b, derde lid en tiende lid, BVVN. Bij de volgende naturalisatieceremonie kan de (hoofd)naturalisandus alsnog op de ceremonie verschijnen en de verklaring van verbondenheid afleggen. Zo nodig wordt de uitnodiging nog eenmaal, dit maal per aangetekende brief, herhaald (artikel 60a, tiende lid, BVVN). Pas dan kan het de naturalisandus betreffende uittreksel van het naturalisatiebesluit en eventueel de meenaturaliserende kinderen betreffende uittreksels worden uitgereikt en verkrijgen zij allen de Nederlandse nationaliteit. Indien de (hoofd)naturalisandus niet op een naturalisatieceremonie is verschenen (en dus niet de verklaring van verbondenheid heeft afgelegd), vervalt het naturalisatiebesluit een jaar na dagtekening ervan.
Indien de naturalisandus zich bij de indiening van het verzoek om naturalisatie wel bereid heeft verklaard (model 2.30a HRWN) de verklaring van verbondenheid af te leggen, maar komt hij deze toezegging niet na en door de Minister van Buitenlandse Zaken is geen vrijstelling van het afleggen van deze verklaring gegeven, dan zal het uittreksel van het naturalisatiebesluit niet worden uitgereikt en het Nederlanderschap niet verkregen worden. Ook aan de kinderen die wel aanwezig zijn en die met de naturalisandus zouden meenaturaliseren, wordt het hen betreffende uittreksel uit het naturalisatiebesluit niet uitgereikt en zij worden dus geen Nederlander. Zie toelichting bij artikel 60b, derde lid, BVVN.
De niet uitreiking is geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Bezwaar en beroep staat dan ook niet open. De verklaring van verbondenheid is immers een wettelijke voorwaarde voor de uitreiking van het besluit en om Nederlander te kunnen worden door naturalisatie.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Het naturalisatiebesluit treedt als regel in werking door uitreiking in persoon van het desbetreffende uittreksel aan de opgeroepen persoon. Dit is een wettelijk gegeven, waartegen geen rechtsmiddel openstaat.
Van de regel om in persoon te verschijnen kan slechts in bijzondere omstandigheden wegens zwaarwegende redenen worden afgeweken. In zulke uitzonderingsgevallen kan de betrokkene, nadat een daartoe strekkend besluit de Minister van Buitenlandse Zaken is genomen, door een gemachtigde worden vertegenwoordigd. Ook kan in die gevallen de Minister van Buitenlandse Zaken besluiten de uitreiking op een aan de omstandigheden aangepaste wijze te doen, waarbij te denken is aan een uitreiking buiten de naturalisatieceremonie om of aan toezending per post van het uittreksel. Om uitgezonderd te worden van de regel in persoon te verschijnen, dient betrokkene een daartoe strekkend verzoek in te dienen.
De beoordeling of sprake is van zwaarwegende redenen ligt geheel bij de Minister van Buitenlandse Zaken. Deze beoordeling is een beslissing in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waartegen bezwaar bij de Minister van Buitenlandse Zaken en beroep bij de bestuursrechter openstaan. Bij zwaarwegende redenen kan worden gedacht aan de fysieke en/of psychische onmogelijkheid in persoon te verschijnen (zie toelichting in de Handleiding bij artikel 2, tweede lid RWN). Deze zwaarwegende redenen dienen te worden aangetoond aan de hand van een verklaring van een onafhankelijk arts. Als dit voldoende is aangetoond, kan betrokkene zich laten vertegenwoordigen door een daartoe schriftelijk gemachtigde meerderjarige persoon, mits voldoende zekerheid kan worden verkregen over de identiteit van de gemachtigde en de betreffende opgeroepen persoon (artikel 3, tweede lid BVVN is van overeenkomstige toepassing). De gemachtigde dient in persoon te verschijnen en verschaft de nodige zekerheid over zijn identiteit door het overleggen van een geldig identiteitsbewijs. De machtiging dient op schrift te zijn gesteld en ondertekend te zijn door de persoon wiens verschijning in persoon is vereist. De gemachtigde dient ter identificatie een geldig identiteitsbewijs van de betrokken persoon over te leggen (en tevens de andere gegevens die nodig zijn voor de beoordeling van het geval). Onder zwaarwegend wordt niet verstaan strikt tijdelijke omstandigheden zoals het hebben van vakantie, het volgen van een cursus, het niet vrij kunnen krijgen van werk, enz. Bij een tijdelijke belemmering wordt in eerste instantie, in overleg met betrokkene, onderzocht of deelname aan een volgende naturalisatieceremonie uitkomst biedt. Onder zwaarwegend wordt bijvoorbeeld verstaan een langdurige zware depressie of een andere, ernstige psychologische belemmering. Daarnaast kan, anders dan in Nederland, incidenteel voor buiten het Koninkrijk woonachtigen sprake zijn van een zodanig grote af te leggen reisafstand naar de plaats waar de ceremonie wordt gehouden, dat in redelijkheid niet van de naturalisandus kan worden verlangd dat hij in persoon de ceremonie bijwoont (artikel 5, vijfde lid, onder c, RVVN).
Uitgangspunt van de regelgeving is dat de opgeroepen persoon zoveel mogelijk op de naturalisatieceremonie verschijnt. Dit betekent dat de Minister van Buitenlandse Zaken vrijstaat, op verzoek van de betrokkene zelf, in overleg met hem een andere datum te bepalen waarop een ceremonie wordt gehouden en hij toch kan verschijnen. Daarbij is het overigens wel van belang dat de duur van de periode die ligt tussen de vaststelling van het naturalisatiebesluit en de uitreiking van het desbetreffende uittreksel, zo beperkt mogelijk blijft, in ieder geval niet langer dan een jaar.
Bij een beroep op zwaarwegende redenen overweegt de Minister van Buitenlandse Zaken eerst of sprake is van een tijdelijke dan wel blijvende reden om niet te verschijnen. Bij een tijdelijke reden onderzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken of de verzoeker binnen een redelijke termijn toch aanwezig kan zijn op een naturalisatieceremonie. Als dat het geval is, wordt in overleg met hem een nieuwe datum bepaald. Bij een blijvende reden om niet te verschijnen, dan wel ingeval de volgende ceremonie pas na lange tijd plaatsvindt, wordt als volgt gehandeld. Als de verzoeker niet binnen een redelijke termijn aanwezig kan zijn, bijvoorbeeld vanwege een blijvende lichamelijke handicap, bepaalt de Minister van Buitenlandse Zaken of het beroep op zwaarwegende redenen gegrond is. Als dit het geval is, beslist de Minister van Buitenlandse Zaken dat betrokkene zich laat vertegenwoordigen door een daartoe schriftelijk gemachtigde, meerderjarige persoon. Ingeval dit laatste niet mogelijk is, kan de Minister van Buitenlandse Zaken het besluit na het al dan niet schriftelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid op een andere wijze bekendmaken, bijvoorbeeld door uitreiking in persoon buiten de naturalisatieceremonie om of door toezending per post van het desbetreffende uittreksel. Als het beroep op zwaarwegende redenen niet gegrond is, dan wijst de Minister van Buitenlandse Zaken het beroep af. Tegen deze beslissing staat bezwaar en beroep open.
Indien de opgeroepen persoon op of na de dag waarop het naturalisatiebesluit is gedagtekend, is overleden, wordt het desbetreffende uittreksel aan een andere belanghebbende, al naar gelang de omstandigheden, uitgereikt of toegezonden. Een belanghebbende kan in dit geval zijn een kind dat na de dag van dagtekening van het besluit, is geboren.
Onder belanghebbende kan ook worden verstaan een (voormalige) (huwelijks-) partner of een familielid van de overleden persoon.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Uitgangspunt is dat de verklaring van verbondenheid persoonlijk wordt afgelegd tijdens een naturalisatieceremonie waarbij het uittreksel uit het besluit tot verlening van het Nederlanderschap wordt uitgereikt. De verklaring van verbondenheid wordt in het Nederlands en doorgaans mondeling afgelegd. Zie artikel 60b, vierde lid, BVVN en artikel 23, tweede lid, RWN. Van de verplichting tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid kan geen vrijstelling worden gegeven, tenzij het afleggen ervan redelijkerwijs niet gevraagd kan worden. Het mondeling of schriftelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid kan niet worden overgelaten aan een gemachtigde gezien het persoonlijke karakter van de verklaring.
Op grond van artikel 60b, vijfde lid, BVVN en artikel 5, vierde lid, onder c, RVVN kan de Minister van Buitenlandse Zaken bepalen dat een verzoeker de verklaring van verbondenheid schriftelijk aflegt, indien van hem redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij hem schriftelijk aflegt. Hiervan is sprake als niet kan worden verlangd dat een verzoeker de naturalisatieceremonie bijwoont omdat hij bijvoorbeeld onredelijk ver zou moeten reizen om de ceremonie op de diplomatieke of consulaire post bij te wonen. Volstaan kan worden met het schriftelijk afleggen met de verklaring van verbondenheid (model 4.1a HRWN of 4.2a HRWN). De ondertekende schriftelijke verklaring van verbondenheid moet echter eerst (door toezending per post) in het bezit zijn van de Minister van Buitenlandse Zaken, voordat het naturalisatiebesluit door wordt bekendgemaakt, bijvoorbeeld toezending per post.
Voor een enkele verzoeker kan een uitzondering gemaakt worden. Indien van de verzoeker door omstandigheden redelijkerwijs niet verlangd kan worden dat hij de verklaring van verbondenheid mondeling uitspreekt tegenover de bevoegde autoriteit, wordt een schriftelijke verklaring van verbondenheid ondertekend. Voor het schriftelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid zijn twee modellen ontwikkeld. In model 4.1a HRWN is de verklaring van verbondenheid opgenomen die besluit met de bevestiging ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’ en in model 4.2a HRWN de verklaring van verbondenheid opgenomen die besluit met ‘Dat verklaar en beloof ik’. De verzoeker moet (volgens de dáár geldende regels) bij het indienen van het verzoek om naturalisatie wel de bereidverklaring invullen en ondertekenen. De beoordeling of sprake is van de hier bedoelde omstandigheden, ligt bij de Minister van Buitenlandse Zaken (zie artikel 60a, vijfde lid, BVVN) en wordt gestaafd door ten minste één door of namens de verzoeker overgelegde bewijsstuk(ken).
De verklaring van verbondenheid wordt tevens schriftelijk afgelegd indien een persoon, vanwege zwaarwegende redenen, niet op een naturalisatieceremonie kan verschijnen, maar hij wel in staat is de verklaring van verbondenheid schriftelijk af te leggen. De gemachtigde die wél op de ceremonie verschijnt om namens de verzoeker het naturalisatiebesluit in ontvangst te nemen, overhandigt de Minister van Buitenlandse Zaken de schriftelijke verklaring van verbondenheid. De beoordeling of sprake is van zwaarwegende redenen ligt geheel bij de Minister van Buitenlandse Zaken (zie tevens paragraaf 2.3.13.6.1). De verklaring van verbondenheid kan ook schriftelijk worden afgelegd indien de verzoeker onredelijk ver zou moeten reizen om de naturalisatieceremonie op de diplomatieke of consulaire post bij te wonen.
In bovenstaande gevallen kan na het overhandigen dan wel na toezending aan de Minister van Buitenlandse Zaken van de ondertekende schriftelijk afgelegde verklaring van verbondenheid, tot uitreiking van het naturalisatiebesluit worden overgegaan, al dan niet aan een gemachtigde of op aangepaste wijze. Hierbij valt te denken aan een uitreiking buiten de ceremonie om of aan toezending van de bekendmaking van verlening van het Nederlanderschap aan de verzoeker.
Er zijn omstandigheden denkbaar waarbij de verzoeker in het geheel niet in staat is om de verklaring van verbondenheid af te leggen. Is de verzoeker vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat de verklaring van verbondenheid mondeling of schriftelijk af te leggen, dan wordt de verklaring van verbondenheid niet afgelegd. Het zal hier zeer uitzonderlijke gevallen betreffen. Indien de verzoeker vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is de verklaring van verbondenheid af te leggen, wordt het naturalisatiebesluit bekendgemaakt, zonder dat de verklaring van verbondenheid is afgelegd.
In voorkomende gevallen geeft de Minister van Buitenlandse Zaken (meestal) bij de indiening van het verzoek om naturalisatie (door een gemachtigde) op het adviesblad bij punt 6 (zie hiervoor paragraaf 2.3.4.1 onder alinea ‘Uitzondering ondertekenen bereidverklaring) reeds aan dat het afleggen van de bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid niet mogelijk is vanwege de fysieke of psychische toestand van de verzoeker. Zie artikel 60b, zesde lid, BVVN. Daarnaast heeft de Minister van Buitenlandse Zaken ten minste één door of namens de verzoeker overgelegde bewijsstuk(ken) toegevoegd. Zie hiervoor de toelichting bij artikel 2, tweede lid RWN; bijvoorbeeld een gemotiveerde medische verklaring van een onafhankelijk (behandelend) medisch specialist. De uiteindelijke beoordeling of er sprake is van een fysieke of psychische onmogelijkheid tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid ligt bij Onze Minister. De verklaring van verbondenheid is immers een voorwaarde voor naturalisatie. Als uitgangspunt volgt Onze Minister het advies in deze van de Minister van Buitenlandse Zaken.
Het is mogelijk dat, tussen het afleggen van de bereidverklaring en de naturalisatieceremonie waar de verklaring van verbondenheid moet worden afgelegd de fysieke of psychische toestand van de verzoeker is gewijzigd. Het is aan de Minister van Buitenlandse Zaken om te beoordelen of en zo ja op welke wijze de verklaring van verbondenheid onder de gewijzigde omstandigheden wordt afgelegd. Voorbeeld: Indien een verzoeker na het ondertekenen van de bereidverklaring in coma is geraakt, zal hij de verklaring van verbondenheid niet langer kunnen afleggen. In dit geval wordt het naturalisatiebesluit bekendgemaakt zonder dat de verklaring van verbondenheid is afgelegd.
Met betrekking tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid zijn de volgende, niet limitatieve, scenario’s denkbaar:Wijze bekendmaking
Wijze van afleggen verklaring van verbondenheid
Mondeling
Schriftelijk
Niet
(artikel 60b, vierde lid, BVVN)
(zie artikel 60b, vijfde lid, BVVN)
(zie artikel 60b, zesde lid, BVVN)
Aan betrokkene in beginsel op een naturalisatieceremonie
Scenario 1
Scenario 2
Scenario 3
Aan gemachtigde in beginsel op een naturalisatieceremonie (artikel 60b, negende lid, BVVN)
Scenario 4
Scenario 5
Aan betrokkene op aangepaste wijze waarbij artikel 5, vierde lid, RVVN is gevolgd (artikel 60b, negende lid, BVVN)
Scenario 6
Scenario 7
Scenario 8
Deze situatie zal doorgaans het geval zijn. De verzoeker heeft bij het indienen van zijn verzoek om naturalisatie de bereidverklaring ondertekend. Na het mondeling afleggen van de verklaring van verbondenheid wordt het besluit tot verlening van het Nederlanderschap aan de verzoeker uitgereikt.
De verzoeker heeft bij het indienen van zijn verzoek om naturalisatie de bereidverklaring ondertekend. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft, al dan niet bij de indiening van het verzoek om naturalisatie, bepaald dat van de verzoeker redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij de verklaring van verbondenheid mondeling aflegt. Eerst na het overleggen van de schriftelijke verklaring van verbondenheid wordt tot uitreiking overgegaan.
De Minister van Buitenlandse Zaken kan ervoor kiezen om de schriftelijke verklaring van verbondenheid met de uitnodiging voor de naturalisatieceremonie mee te sturen, zodat de verzoeker de ondertekende schriftelijke verklaring van verbondenheid aan de Minister van Buitenlandse Zaken overhandigt, voordat de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap aan de verzoeker wordt uitgereikt. Ook kan de Minister van Buitenlandse Zaken ervoor kiezen om op de naturalisatieceremonie zelf de schriftelijke verklaring van verbondenheid te laten ondertekenen.
Bij het (door een gemachtigde) indienen van het verzoek om naturalisatie of na het indienen hiervan is gebleken dat de verzoeker vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is de verklaring van verbondenheid af te leggen. Zie artikel 60b, zesde lid BVVN, artikel 5, vierde lid, onder c, RVVN en de toelichting bij artikel 2, tweede lid RWN. Derhalve is afgezien van het invullen en ondertekenen van de bereidverklaring en van het afleggen van de verklaring van verbondenheid door de optant. Het naturalisatiebesluit wordt bekendgemaakt zonder dat verklaring van verbondenheid is afgelegd.
Vanwege aangetoonde zwaarwegende redenen is de verzoeker vertegenwoordigd door een gemachtigde. Zie artikel 60b, negende lid BVVN en de toelichting bij artikel 7, paragraaf 2.3.13.6, HRWN. De verzoeker heeft bij het indienen van zijn verzoek om naturalisatie de bereidverklaring ondertekend. De verzoeker moet de ondertekende schriftelijke verklaring van verbondenheid meegeven aan de gemachtigde. Eerst na het overleggen van de door de verzoeker ondertekende schriftelijke verklaring van verbondenheid, wordt tot uitreiking aan de gemachtigde overgegaan. De Minister van Buitenlandse Zaken kan ervoor kiezen om de schriftelijke verklaring van verbondenheid bij de indiening van zijn verzoek om naturalisatie aan de verzoeker of gemachtigde mee te geven, zodat de gemachtigde de door de verzoeker ondertekende verklaring op de naturalisatieceremonie aan de Minister van Buitenlandse Zaken kan overhandigen. Ook kan de Minister van Buitenlandse Zaken ervoor kiezen om de schriftelijke verklaring van verbondenheid met de uitnodiging voor de naturalisatieceremonie mee te sturen, zodat de verzoeker de ondertekende schriftelijke verklaring ter overhandiging aan de Minister van Buitenlandse Zaken aan de gemachtigde kan meegeven.
Vanwege aangetoonde zwaarwegende redenen is de verzoeker vertegenwoordigd door een gemachtigde. Zie artikel 60b, negende lid BVVN en de toelichting bij artikel 7, paragraaf 2.3.13.6, HRWN. Bij het (door een gemachtigde) indienen van het verzoek om naturalisatie is gebleken dat de verzoeker vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is de verklaring van verbondenheid af te leggen. Zie artikel 60b, zesde lid BVVN en de toelichting bij artikel 2, tweede lid RWN. Er is derhalve afgezien van het invullen en onderteken van de bereidverklaring en er wordt afgezien van het afleggen van de verklaring van verbondenheid. In voorkomende gevallen wordt het naturalisatiebesluit aan de gemachtigde bekendgemaakt zonder dat verklaring van verbondenheid is afgelegd.
Bij het indienen van het verzoek om naturalisatie heeft de verzoeker de bereidverklaring ondertekend. Het verzoek van betrokkene om, vanwege zwaarwegende redenen, niet in persoon op een naturalisatieceremonie te verschijnen is door de Minister van Buitenlandse Zaken gehonoreerd. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft besloten om de uitreiking op een aan de omstandigheden aangepaste wijze te doen. Na het mondeling afleggen van de verklaring van verbondenheid, wordt het naturalisatiebesluit aan de verzoeker uitgereikt.
Bijvoorbeeld indien de verzoeker vanwege langdurige ziekenhuisopname niet in staat is de naturalisatieceremonie bij te wonen, maar fysiek wel in staat is de verklaring van verbondenheid uit te spreken, kan de Minister van Buitenlandse Zaken een 'privé naturalisatieceremonie' organiseren op de kamer van de verzoeker. Na het mondeling afleggen van de verklaring van verbondenheid, reikt de Minister van Buitenlandse Zaken het naturalisatiebesluit uit.
De verzoeker heeft bij het indienen van zijn verzoek om naturalisatie de bereidverklaring ondertekend. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft, al dan niet bij de indiening van het verzoek om naturalisatie, bepaald dat van de verzoeker redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij de verklaring van verbondenheid mondeling aflegt.
Het verzoek van de verzoeker om, vanwege zwaarwegende redenen, niet in persoon op een naturalisatieceremonie te verschijnen is door de Minister van Buitenlandse Zaken gehonoreerd. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft besloten om de uitreiking op een aan de omstandigheden aangepaste wijze te doen.
Indien het naturalisatiebesluit bijvoorbeeld door het toezenden per post wordt bekendgemaakt, moet de ondertekende schriftelijke verklaring van verbondenheid voorafgaand aan die toezending in het bezit van de Minister van Buitenlandse Zaken zijn.
Bij het (door een gemachtigde) indienen van het verzoek om naturalisatie is gebleken dat de verzoeker vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is de verklaring van verbondenheid af te leggen. Zie artikel 60b, zesde lid BVVN, artikel 5, vierde lid, onder c, RVVN en de toelichting bij artikel 2, tweede lid, RWN. Derhalve is afgezien van het invullen en onderteken van de bereidverklaring en van het afleggen van de verklaring van verbondenheid. In voorkomende gevallen wordt het naturalisatiebesluit bekendgemaakt zonder dat verklaring van verbondenheid is afgelegd. Het verzoek van de optant om, vanwege zwaarwegende redenen, niet in persoon op een naturalisatieceremonie te verschijnen is gehonoreerd. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft besloten om de uitreiking op een aan de omstandigheden aangepaste wijze te doen.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Na uitreiking van het desbetreffende uittreksel stuurt de Minister van Buitenlandse Zaken door middel van het terugmeldformulier (model 2.29a HRWN of 2.29b HRWN) daarvan onverwijld een bericht aan de IND (artikel 60b, negende lid BVVN). Op het terugmeldformulier vermeldt de Minister van Buitenlandse Zaken de datum waarop het besluit is bekendgemaakt en de wijze van bekendmaking. Op grond van artikel 60b, twaalfde lid, BVVN, deelt de uitreikende autoriteit Onze Minister mee ‘of en op welke wijze de verklaring van verbondenheid is afgelegd’. Deze informatie wordt op het terugmeldformulier (model 2.29a HRWN of 2.29b HRWN) aangetekend en is alleen van toepassing op verzoeken om naturalisatie ingediend op of na 1 maart 2009. Ook vermeldt de Minister van Buitenlandse Zaken of hij na herhaalde oproepingen het besluit niet heeft kunnen bekendmaken, als gevolg waarvan het besluit is vervallen. De uittreksels die de Minister van Buitenlandse Zaken niet heeft kunnen uitreiken, stuurt hij terug aan de IND in Rijswijk.
Aan de hand van het terugmeldformulier stelt Onze Minister vast of de verzoeker Nederlander is geworden en zijn procedure kan worden afgesloten. Is betrokkene Nederlander geworden, dan worden de gegevens ten aanzien van deze verlening in het nationaliteitenregister opgenomen. Ook wordt na terugmelding de eventuele afstandsprocedure opgestart.
Indien van toepassing moet een uitwisselingsformulier betreffende het uitwisselen van gegevens met betrekking tot verkrijging van nationaliteit (model 1.35 HRWN) worden opgemaakt en worden verzonden naar het land van herkomst. Dit is, op grond van de Overeenkomst van Parijs van 10 september 1964, het Aanvullend Protocol bij het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 en bilaterale afspraken met Duitsland, van toepassing bij verlening van het Nederlanderschap aan een persoon met de nationaliteit van België, Duitsland, Griekenland, Italië, Luxemburg, Noorwegen, Oostenrijk en Portugal.
Bij een persoon van Surinaamse nationaliteit voegt hij een ingevuld formulier gebaseerd op het Memorandum of Understanding inzake wederzijdse uitwisseling van informatie betreffende de verkrijging en verlies van de nationaliteit tussen Nederland en Suriname, ondertekend op 26 augustus 2008 (model 1.35a HRWN) toe. De Minister van Buitenlandse Zaken maakt één uitwisselingsformulier op per meerderjarige, die door optie het Nederlanderschap verkregen heeft en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezat. Minderjarige kinderen die hebben gedeeld in de verkrijging van het Nederlanderschap van de ouder door optie en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezaten, staan vermeld op het uitwisselingsformulier van de ouder. Bij zelfstandige verkrijging van het Nederlanderschap door optie van een minderjarige van Surinaamse nationaliteit wordt eveneens een uitwisselingsformulier opgemaakt.
Indien de verklaring van verbondenheid schriftelijk is afgelegd (model 4.1a HRWN of 4.2a HRWN), wordt deze verklaring gearchiveerd in het naturalisatiedossier bij de diplomatieke of consulaire post.
Eventuele onjuistheden in het desbetreffende uittreksel
De Minister van Buitenlandse Zaken wordt verzocht eventuele onjuistheden in het besluit zo spoedig mogelijk te melden aan de IND. De IND draagt (zonodig) in dat geval zorg voor een nieuw besluit. De Minister van Buitenlandse Zaken hoeft een eerder uitgereikt uittreksel niet door middel van een verbeterd exemplaar opnieuw uit te reiken. Ingeval het besluit reeds is bekendgemaakt, mag het verbeterde exemplaar (aangetekend) aan de betrokkene worden opgestuurd. Wanneer de Minister van Buitenlandse Zaken nog in het bezit is van het onjuiste uittreksel is het wenselijk dat hij dit, ter voorkoming van fraude, terugstuurt aan de IND, alwaar het wordt vernietigd.
Kolom I
Kolom II
Kolom IV
Optie en Naturalisatie
Meerderjarige
Medeoptie en medenaturalisatie
jonger dan 16 jaar
16 jaar of ouder
Oproepen
(artikelen 60a en 60b lid 2 BVVN)
Betrokkene
Medenaturalisatie:
wettelijk vertegenwoordiger
(meestal de hoofdnaturalisandus)
Medeoptie:
hoofdoptant
Betrokkene
(samen met de hoofdoptant of hoofdnaturalisandus)
Uitreiken
(artikelen 60a en 60b lid 5 BVVN)
Betrokkene
Medenaturalisatie:
wettelijk vertegenwoordiger
(meestal de hoofdnaturalisandus)
Mede-naturalisatie:
betrokkene
Medeoptie:
hoofdoptant
Medeoptie:
hoofdoptant
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker
tegen wiens verblijf voor onbepaalde tijd in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, geen bedenkingen bestaan;
die tenminste sedert vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, toelating en hoofdverblijf heeft;
die in de samenleving van het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba als ingeburgerd kan worden beschouwd op grond van het feit dat hij beschikt over een bij algemene maatregel van rijksbestuur te bepalen mate van kennis van de Nederlandse taal, dan wel – indien hij in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba hoofdverblijf heeft – de taal die op het eiland van hoofdverblijf naast het Nederlands gangbaar is, alsmede van de staatsinrichting en maatschappij van het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, en hij zich ook overigens in een van deze samenlevingen heeft doen opnemen; en
die verklaart bereid te zijn bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen. Het besluit tot verlening wordt niet bekend gemaakt dan nadat de verklaring daadwerkelijk is afgelegd.
Het eerste lid, onder c, geldt niet met betrekking tot de verzoeker die hetzij te eniger tijd het Nederlanderschap of de staat van Nederlands onderdaan-niet-Nederlander heeft bezeten, hetzij sedert tenminste drie jaren de echtgenoot is van en samenwoont met een Nederlander, hetzij tijdens zijn meerderjarigheid in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten is geadopteerd door ouders van wie in elk geval één het Nederlanderschap bezit.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Weliswaar geldt voor de onder lid 2 bedoelde verzoekers niet het vereiste van vijf jaar onafgebroken toelating en hoofdverblijf (artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, RWN), maar het vereiste van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN geldt onverkort. Derhalve dient ambtshalve aan de hand van de voorwaarden in het vreemdelingenbeleid die op de verzoeker van toepassing zouden zijn – indien hij om toelating in Nederland zou vragen – te worden beoordeeld of de verzoeker in aanmerking zou kunnen komen voor een verblijfsrecht, mits hij daar om zou vragen. Alleen indien aan hem een verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard verleend zou kunnen worden, voldoet hij aan het vereiste in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b. RWN.
Opdat de IND kan beoordelen of de verzoeker in aanmerking komt voor toelating voor onbepaalde tijd, is van belang dat bij het verzoek de nodige stukken worden overgelegd die relevant zijn voor een mogelijk verblijfsdoel en een fictieve verblijfstoets. Indien verzoeker gehuwd is met een Nederlander, wordt ambtshalve getoetst of hij voldoet aan de voorwaarden voor gezinshereniging of gezinsvorming met een Nederlander (Vc 2000, Hoofdstuk B7). in dat geval zullen onder meer recente inkomensgegevens van de Nederlandse echtgenoot worden verlangd, om te beoordelen of de Nederlandse echtgenoot beschikt over voldoende middelen van bestaan. Indien verzoeker de Nederlandse nationaliteit ooit heeft gehad maar die heeft verloren, kan ambtshalve worden getoetst aan de voorwaarden voor wedertoelating voor oud-Nederlanders zoals omschreven in Vc 2000, Hoofdstuk B9. Indien verblijf voor een ander doel in de rede ligt (bijvoorbeeld EU-/EER-onderdanen; op grond van vestigingsverdragen of anderszins), wordt ambtshalve getoetst aan de toepasselijke voorwaarden voor toelating en moeten de daartoe relevante stukken worden overgelegd. Deze stukken moeten met het advies aan de IND worden meegezonden.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor een gedetailleerde beschrijving van de voorwaarden en procedure behorende bij onderhavig artikellid wordt hier in eerste instantie verwezen naar de toelichting onder artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d van de Handleiding voor Nederland, waaronder ook de informatie over de Wet inburgering 2021, die per 1 januari 2022 in werking treedt en de gevolgen daarvan voor de naturalisatieprocedures op het gebied van de naturalisatietoets. In beginsel biedt deze toelichting de Minister van Buitenlandse Zaken voldoende houvast om dit artikellid toe te passen.
Enkele procedurele stappen verschillen echter met de situatie in Nederland zoals de wijze waarop het inburgeringsexamen wordt afgenomen en de manier waarop een ontheffingsadvies aan de verzoeker wordt gegeven.
Voor dit onderdeel van de Handleiding voor de diplomatieke of consulaire post wordt deze procedure nader beschreven.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Om een naturalisatieverzoek in het buitenland te kunnen indienen moet de aspirant-verzoeker (vóór indiening van het verzoek) kunnen aantonen het inburgeringsexamen met goed gevolg te hebben afgelegd. Indien het inburgeringsexamen nog niet werd behaald en dit op de post wordt afgelegd dient betrokkene de volgende vijf onderdelen af te leggen:
Kennis Nederlandse Maatschappij (KNM);
Schrijfvaardigheid;
Leesvaardigheid;
Luistervaardigheid;
Spreekvaardigheid.
Indien de verzoeker het inburgeringsexamen dient af te leggen, deelt de Minister van Buitenlandse Zaken dit aan hem mee en wordt in overleg met verzoeker en de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) een plaats en datum bepaald waarop het examen afgelegd kan worden. De Minister van Buitenlandse Zaken stelt de aspirant-verzoeker op de hoogte van de onderdelen van het examen die afgelegd dienen te worden, het te behalen niveau, de wijze waarop het examen is ingericht, de volgorde en de kosten die betaald dienen te worden (€ 350). De Minister van Buitenlandse Zaken deelt aan de verzoeker mee dat de beoordeling van het inburgeringsexamen zal geschieden door DUO. De DUO informeert kandidaat over de examenuitslag. Ook wordt verzoeker in dit stadium gewezen op de mogelijkheid in aanmerking te komen voor (gedeeltelijke) vrijstelling of ontheffing. Voor de procedure hieromtrent wordt verwezen naar de betreffende paragrafen hieronder.
Indien verzoeker het inburgeringsexamen wenst af te leggen, laat de Minister van Buitenlandse Zaken hem een aanmeldingsformulier invullen, dat door verzoeker dient te worden ondertekend. Verzoeker voldoet het daarvoor geldende tarief aan de Minister van Buitenlandse Zaken. De Minister van Buitenlandse Zaken handelt overeenkomstig het examenreglement naturalisatietoets in het buitenland (artikel 3, vijfde lid, Regeling naturalisatietoets Nederland).
Op de dag dat verzoeker het examen aflegt, stelt de Minister van Buitenlandse Zaken de ruimte aan hem ter beschikking, alsook de andere middelen die voor het afleggen van het examen benodigd zijn (hoofdtelefoon, microfoon, computer). De verzoeker identificeert zich bij deelname aan het examen door middel van een geldig nationaal paspoort.
De examenleider legt uit welke examenonderdelen aan bod komen en geeft uitleg over het gebruik van de apparatuur. Indien betrokkene de instructies heeft begrepen vangt het examen aan.
In geval betrokkene niet alle onderdelen heeft behaald wordt betrokkene ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen. De Minister van Buitenlandse Zaken stelt verzoeker in kennis van die onderdelen die niet zijn behaald en wijst hem op de mogelijkheid om het examen of onderdelen daarvan opnieuw af te leggen. Staat betrokkene er in dit stadium toch op een verzoek in te dienen, dan wordt zijn verzoek in ontvangst genomen. In dit geval wordt verzoeker door de Minister van Buitenlandse Zaken erop gewezen dat zijn verzoek om naturalisatie door de IND zal worden afgewezen, en dat hij de voor naturalisatie te betalen leges niet terug zal ontvangen. De Minister van Buitenlandse Zaken kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in model 2.21a HRWN. De Minister van Buitenlandse Zaken neemt in zijn advies op dat hij in geval van betrokkene negatief adviseert inzake de verlening van het Nederlanderschap. Zie verder onder artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, paragraaf 6.3.1.3, HRWN.
Het diploma inburgering of de negatieve resultatenbrief wordt door de Dienst Uitvoering Onderwijs aan de examenkandidaat uitgereikt door tussenkomst van de Minister van Buitenlandse Zaken of aan de examenkandidaat toegezonden. Betrokkene wordt als hij in het bezit is van het inburgeringsdiploma in de gelegenheid gesteld een naturalisatieverzoek in te dienen. Het verzoek dient -in beginsel- te worden ingediend op de diplomatieke of consulaire post waar verzoeker het inburgeringsexamen met goed gevolg heeft afgelegd.
Voor 1 juli 2019 behaalde examenonderdelen gelden als behaald voor de overeenkomstige onderdelen van de vanaf 1 juli 2019 afgenomen naturalisatietoets. De niet eerder behaalde examenonderdelen moeten nog wel behaald worden volgens de nieuwe werkwijze.
In onderstaande tabel zijn de oude en overeenkomstige nieuwe onderdelen van het inburgeringsexamen buitenland opgenomen.
Oud:
Nieuw:
KNS
KNM
Spreken A2
Spreken A2
EPE
Lezen A2 en Luisteren A2
-
Schrijven A2
Voorbeeld
Een verzoeker heeft voor 1 juli 2019 alleen het onderdeel EPE gehaald. Verzoeker hoeft de overeenkomstige onderdelen Lezen en Luisteren dus niet te doen. De (nieuwe) onderdelen KNM, Spreken, en Schrijven moet de verzoeker nog wel behalen, voordat hij zijn inburgeringsdiploma kan ontvangen.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Om voor vrijstelling in aanmerking te kunnen komen, dient betrokkene het document over te leggen op grond waarvan hij stelt te zijn vrijgesteld (zie de toelichting op artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, paragraaf 6.3.2, HRWN). De Minister van Buitenlandse Zaken onderzoekt of het document recht op vrijstelling geeft. Is dit niet het geval, dan licht hij betrokkene hierover in.
Het is in eerste instantie aan betrokkene zelf om te onderzoeken of het document recht op vrijstelling geeft. Bij twijfel aan de echtheid van het document of de juistheid van de gegevens kan de Minister van Buitenlandse Zaken contact opnemen met de DUO.
In geval betrokkene slechts een kopie van een getuigschrift of diploma overlegt, dient hij tevens een recente verklaring van de leiding van het betrokken onderwijsinstituut over te leggen waaruit blijkt dat de kopie overeenstemt met het door dat instituut afgegeven originele getuigschrift of diploma. Ter verificatie neemt de Minister van Buitenlandse Zaken contact op met het instituut waar het getuigschrift of diploma is uitgereikt en dat de verklaring heeft afgelegd. Indien een recente verklaring van de leiding van het betrokkene onderwijsinstituut niet overgelegd kan worden, dient betrokkene het inburgeringsexamen af te leggen.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Op grond van artikel 4 Besluit naturalisatietoets juncto artikelen 5 en 6 van de Regeling naturalisatietoets Nederland is een verzoeker om naturalisatie ontheven van het afleggen van het inburgeringsexamen, als de verzoeker heeft aangetoond:
door een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap, niet binnen vijf jaar in staat te zijn het inburgeringsexamen te halen; of
dat op grond van door hem geleverde inspanningen het voor hem redelijkerwijs niet mogelijk is het inburgeringsexamen te behalen.
Een verzoeker om naturalisatie wordt ontheven van het afleggen van het inburgeringsexamen als de verzoeker heeft aangetoond door een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap, niet in staat is het inburgeringsexamen te halen.
Bij de medische belemmering geldt dat als te verwachten is dat betrokkene niet binnen vijf jaren op reguliere wijze of met bijzondere examenomstandigheden het inburgeringsexamen kan afleggen, reden tot ontheffing bestaat. Eenzelfde termijn van vijf jaren wordt gehanteerd bij de beoordeling of het voor betrokkene redelijkerwijs mogelijk is om het inburgeringsexamen te behalen.
Voordat hij het verzoek om naturalisatie in behandeling neemt, onderzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken of aan de voorwaarden voor ontheffing van de naturalisatietoets wordt voldaan. Betrokkene moet zelf aantonen dat hij in aanmerking komt voor ontheffing. In alle gevallen moet ervan uitgegaan worden dat ontheffing alleen in uitzonderlijke gevallen wordt verleend. Voordat hij het verzoek om naturalisatie in behandeling neemt, onderzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken of aan de voorwaarden voor ontheffing wordt voldaan.
Hij doet dit in het geval van een psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap aan de hand van een gemotiveerde verklaring van een arts of deskundige, die op de dag van indiening van het naturalisatieverzoek niet ouder is dan zes maanden. Uit die verklaring moet blijken dat er sprake is van een belemmering of een handicap op grond waarvan betrokkene niet in staat is binnen vijf jaar het inburgeringsexamen te behalen. De Minister van Buitenlandse Zaken baseert zich bij zijn oordeel op vorengenoemde verklaring en neemt dit op in zijn advies aan de IND. Bij twijfel kan hij het advies, door tussenkomst van Onze Minister- en alvorens het verzoek in behandeling te nemen – door de IND laten controleren. De IND neemt in dat geval onmiddellijk een beslissing op het ontheffingsberoep en stelt de post hiervan in kennis.
Hoewel in artikel 4 van het Besluit naturalisatietoets juncto artikelen 5 en 6 van de Regeling naturalisatietoets Nederland is opgenomen dat ook een verzoeker om naturalisatie in het buitenland een beroep kan doen op ontheffing van het inburgeringsexamen wegens aantoonbaar geleverde inspanningen, zijn vanaf 1 juli 2013 voor verzoekers in het buitenland geen beleidsregels hiervoor opgesteld. Mocht een verzoeker in het buitenland vanaf 1 juli 2013 een beroep doen op deze ontheffing, dan zal dit per geval worden beoordeeld.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Samenwoning buiten het Koninkrijk kan in sommige gevallen worden aangetoond met een bewijs van inschrijving in de bevolkingsadministratie van het land van samenwoning. Overigens heeft niet ieder land een gemeentelijke of centrale bevolkingsadministratie. In die gevallen moet de verzoeker met andere bewijsstukken aantonen dat sprake is geweest van drie jaar feitelijke samenwoning met de Nederlandse echtgenoot. Hierbij wordt onder meer gedacht aan een combinatie van stukken zoals een huurovereenkomst, bankafschriften, rekeningen en officiële documenten van een overheidsinstantie. Van belang is dat in deze stukken de personalia van de verzoeker en het betreffende samenwoonadres worden vermeld.
Een buitenlands huwelijk moet overigens blijken uit een naar Nederlands recht erkende huwelijksakte. Van belang is dat het huwelijk of het in Nederland geregistreerd partnerschap van drie jaar op het moment van het verzoek nog in stand is. Aan de hand van actuele officiële stukken moet dit worden aangetoond.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Een verzoek van de vader of moeder tot medeverlening van het Nederlanderschap aan een kind beneden de leeftijd van 16 jaar wordt ingewilligd indien het kind sedert het tijdstip van het verzoek in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf heeft.
Een verzoek van de vader of moeder tot medeverlening van het Nederlanderschap aan een kind dat ten tijde van het verzoek de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt wordt ingewilligd indien het kind in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf en, sedert het tijdstip van het verzoek, toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf heeft. Het Nederlanderschap wordt slechts verleend, indien het kind daarmee uitdrukkelijk instemt, hij bereid is bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen en op hem geen van de afwijzingsgronden van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, met inbegrip van het tweede lid van dat artikel, van toepassing is. Het besluit tot verlening wordt niet bekend gemaakt dan nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd.
De vereisten van toelating en van hoofdverblijf van het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op het minderjarige kind van een vader of moeder die hoofdverblijf heeft in het buitenland en die met toepassing van het tweede lid van artikel 8 het Nederlanderschap verkrijgt, mits het kind feitelijk tot het gezin van deze ouder behoort en zijn hoofdverblijf niet heeft in het land waarvan hij onderdaan is
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Verzoeken om medeverlening voor kinderen die bij het indienen van het verzoek van de ouder zestien jaar of ouder zijn, worden afgewezen indien er op grond van hun gedrag ernstige vermoedens bestaan dat zij een gevaar opleveren voor de openbare orde als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN en artikel 9, tweede lid, RWN. Bij deze groep kinderen wordt op dezelfde wijze als bij meerderjarige verzoekers beoordeeld of er openbare orde aspecten zijn op grond waarvan het verzoek moet worden afgewezen. Zie ook de toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, paragraaf 3.7, HRWN.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
De vereisten van toelating en van hoofdverblijf van het tweede en derde lid van artikel 11 RWN zijn niet van toepassing op het minderjarige kind van een vader of moeder die hoofdverblijf heeft in het buitenland en die met toepassing van het tweede lid van artikel 8 het Nederlanderschap verkrijgt, mits het kind feitelijk tot het gezin van deze ouder behoort en zijn hoofdverblijf niet heeft in het land waarvan hij onderdaan is.
Op grond van artikel 8, tweede lid, RWN kunnen verzoekers die oud-Nederlander zijn, verzoekers die drie jaren gehuwd zijn met een Nederlander en daarmee samenwonen én verzoekers die tijdens hun meerderjarigheid in het Koninkrijk zijn geadopteerd door ouders waarvan één de Nederlandse nationaliteit bezit, in aanmerking komen voor naturalisatie ondanks het feit dat zij niet in het Koninkrijk zijn toegelaten en daar evenmin hun hoofdverblijf hebben. Voor deze verzoekers geldt immers niet het vereiste van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, RWN (sedert vijf jaar toelating en hoofdverblijf onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek) (zie de toelichting bij artikel 8 RWN). Het is uiteraard niet de bedoeling dat minderjarige en feitelijk tot het gezin behorende kinderen van deze verzoekers worden uitgesloten van de mogelijkheid tot medeverlening. Dat zou immers afbreuk doen aan het streven dat binnen een gezin zoveel mogelijk eenheid van nationaliteit bestaat. Om die reden is in dit lid bepaald dat voor kinderen van deze verzoekers ‘de vereisten van toelating en hoofdverblijf van het tweede en derde lid niet van toepassing’ zijn. Onder ‘de vereisten van toelating en hoofdverblijf’ moet in dit verband worden verstaan zowel de onafgebroken periode van toelating en hoofdverblijf van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek alsook de periode van toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf van het moment van indiening van het verzoek tot en met het moment van beslissen op het verzoek. De in de onderhavige bepaling bedoelde kinderen kunnen derhalve ook buiten het Koninkrijk in aanmerking komen voor medeverlening.
Het onderhavig artikellid verklaart slechts de vereisten van toelating en hoofdverblijf van het tweede en derde lid niet van toepassing, hetgeen betekent dat de overige in die leden gestelde vereisten voor medeverlening wél van toepassing zijn. Zo zal bij een verzoek om medeverlening van een kind van zestien jaar of ouder worden getoetst of er afwijzingsgronden van artikel 9 RWN aanwezig zijn en zal het kind uitdrukkelijk moeten instemmen met de medeverlening. Ook het bepaalde in artikel 2 RWN is onverkort van toepassing. Zo zal het betrokken kind dat de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, de wettelijk vertegenwoordiger of de andere ouder (mits de wettelijk vertegenwoordiger of andere ouder in hetzelfde land wonen) worden gewezen op de mogelijkheid om op verzoek een zienswijze omtrent de medeverlening naar voren te brengen (zie artikel 54, vierde lid, BVVN en de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN).
Op grond van artikel 2 BVVN is in het buitenland de Minister van Buitenlandse Zaken bevoegd een verzoek om (mede)naturalisatie in ontvangst te nemen. De artikelen 31, 32, en 51 tot en met 56 BVVN voor de administratieve behandeling van verzoeken om naturalisatie vanuit het buitenland zijn van toepassing. Net als bij een verzoek in het Koninkrijk dient de ouder derhalve de kinderen die hij in zijn verzoek wenst te betrekken, te vermelden in zijn verzoek om naturalisatie en verstrekt hij voor zoveel mogelijk de relevante gegevens betreffende zichzelf en die kinderen.
Voorts is in dit artikellid bepaald dat het mee te naturaliseren kind feitelijk tot het gezin moet behoren van de vader of moeder die hoofdverblijf heeft in het buitenland en aldaar om naturalisatie verzoekt. ‘Feitelijk behoren tot het gezin’ van de vader of moeder houdt in het kader van de RWN in dat het kind bij die ouder op hetzelfde adres woont en er sprake is van een morele en financiële afhankelijkheid van de ouder(s). De feitelijke gezinsband met de ouder kan als verbroken worden beschouwd indien ouder en kind niet meer samenwonen (bijvoorbeeld omdat het kind duurzaam is opgenomen in een ander gezin, omdat het zelfstandig is gaan wonen of omdat het zelfstandig een gezin heeft gevormd door het aangaan van een relatie). De bewijslast om aan te tonen dat de feitelijke gezinsband niet is verbroken, ligt bij de ouder. De ouder zal goede redenen moeten aanvoeren waarom hij en het kind (die beiden hoofdverblijf hebben in het buitenland) niet meer samenwonen. Het enkele feit dat de ouder nog met het gezag is belast, is bijvoorbeeld onvoldoende grond om aan te nemen dat het kind nog feitelijk behoort tot het gezin van die ouder.
Op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, RWN wordt een verzoek om naturalisatie van een vreemdeling als bedoeld in artikel 8, tweede lid, RWN afgewezen, indien hij zijn hoofdverblijf heeft in het land waarvan hij onderdaan is. In artikel 11, zesde lid, RWN is opgenomen dat deze afwijzingsgrond eveneens geldt voor de mee te naturaliseren kinderen van die persoon (zie ook de toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, RWN).
Samengevat gelden voor het in deze bepaling bedoelde kind de volgende voorwaarden:
het kind behoort feitelijk tot het gezin van de ouder als bedoeld in artikel 8, tweede lid, RWN;
er bestaan geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd van het kind in het Koninkrijk (het kind zou in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning van niet-tijdelijke aard, indien daarom zou worden gevraagd);
het kind en de ouder hebben hoofdverblijf buiten het Koninkrijk;
het kind heeft geen hoofdverblijf in het land waarvan hij tevens de nationaliteit bezit;
Hierbij is voor een deel aangesloten bij het begrip ‘feitelijk behoren tot het gezin’, zoals dat in de het vreemdelingenbeleid wordt gehanteerd.
er zijn op grond van het gedrag van het kind geen ernstige vermoedens dat hij of zij een gevaar oplevert voor de openbare orde als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN en artikel 9, tweede lid, RWN (geldt alleen voor een kind dat bij het indienen van het verzoek zestien jaar of ouder is);
het kind heeft in een op schrift gestelde en ondertekende verklaring ingestemd met de medeverlening (geldt alleen voor een kind dat bij het indienen van het verzoek zestien jaar of ouder is);
deze instemmingsverklaring is in persoon door het kind afgelegd.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Voor het Overzicht Hernummeren Circulaire voor optie- en
naturalisatieverzoeken in het buitenland, zie de bijlage op pag. 63
van Stcrt. 2025/35600.
Artikel 3
Naturalisatie vanuit het buitenland
Onderdeel van Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland· Migratierecht
Deze tekst geldt sinds 1 februari 2026
Verwijzingen
- artikel 9
- artikel 9
- Art. 8
- artikel 11
- Art. 11
- Artikel 2
- artikel 31
- artikel 11
- artikel 8
- artikel 60b
- artikel 2
- artikel 8
- artikel 31
- artikel 11
- artikel 8
- Art. 11
- artikel 9
- artikel 2
- artikel 9
- artikel 60b
- artikel 2
- artikel 8
- artikel 11
- artikel 8
- Art. 11
- artikel 26
- artikel 8
- artikel 13
- Artikel 7
- artikel 60b
- artikel 10
- artikel 2
- artikel 2
- artikel 60b
- artikel 31
- artikel 60b
- Art. 11
- artikel 6
- artikel 2
- artikel 11
- artikel 9
- artikel 31
- artikel 23
- artikel 11
- artikel 6
- artikel 31
- artikel 17
- artikel 8
- artikel 2
- artikel 1
- artikel 31
- artikel 31
- artikel 8
- artikel 11
- artikel 60b
- artikel 7
- artikel 8
- artikel 60b
- artikel 8
- artikel 8
- artikel 9
- artikel 5
- artikel 5
- artikel 51
- artikel 9
- artikel 5
- artikel 6
- artikel 2
- artikel 60b
- artikel 5
- artikel 60b
- artikel 5
- artikel 2
- artikel 13
- artikel 54
- artikel 56
- artikel 53
- artikel 9
- artikel 60b
- artikel 60b
- artikel 60b
- artikel 11
- artikel 54
- artikel 60b
- artikel 9
- artikel 9
- artikel 8
- artikel 2
- artikel 60b
- artikel 2
- artikel 51
- artikel 60b
- artikel 56
- artikel 54
- artikel 60b
- artikel 53
- artikel 55
- artikel 60b
- artikel 23
- artikel 9
- artikel 8
- artikel 5
- artikel 8
- artikel 60b
- artikel 8
- artikel 11
- artikel 52
- artikel 60b
- artikel 5
- artikel 60b
- artikel 8
- artikel 11
- artikel 2
- artikel 4
- artikel 60b
- artikel 9
- artikel 53
- artikel 4 van het Besluit naturalisatietoets
- artikel 60a
- artikel 5
- artikel 8
- artikel 8
- artikel 5
- artikel 7
- artikel 8
- artikel 60b
- artikel 9
- artikel 60b
- artikel 60b
- artikel 2
- artikel 7
- artikel 8
- artikel 8
- artikel 5
- artikel 60b
- artikel 2
- artikel 8
- artikel 60b
- artikel 8
- artikel 5
- artikel 9
- artikel 60b
- artikel 51
- artikel 51
- artikel 60b
- artikel 55
- artikel 8
- artikel 8
- artikel 2
- artikel 7
- artikel 13
- artikel 9
- artikel 5
- artikel 60b
- artikel 60b
- artikel 60b
- artikel 8
- artikel 60b
- artikel 60b
- artikel 9
- artikel 8
- artikel 9
- artikel 60a