In dit hoofdstuk en de daarbij behorende bijlagen wordt verstaan onder:
Amsterdamse dekschuit: sleepvrachtschip dat uitsluitend geschikt is om door middel van kruisdraden op korte afstand achter een slepend schip te worden voortbewogen, of om langszij gekoppeld meegevoerd te worden, en dat:
aan de bovenzijde door een doorlopend waterdicht dek is afgesloten,
een lengte heeft van ten hoogste 40 m, en
niet is voorzien van verblijven, machinekamers of ketelruimen;
niet-vrijvarende veerpont: veerpont die tijdens de vaart door kabels, kettingen of anderszins aan een bepaalde vaarweg is gebonden;
skûtsje: zeilend passagiersschip:
met een lengte van ten hoogste 22 m en een breedte van ten hoogste 4 m,
dat is gebouwd voor 1950, en
dat de kenmerken van de eerdere bestemming als vrachtschip heeft behouden en waarvan het laadvermogen niet meer bedroeg dan 55 ton.
Hoofdstuk 3 › § 1
Artikel 3.1
Artikel 3.1
Onderdeel van Binnenvaartregeling· Vervoersrecht
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2010