Naar hoofdinhoud

Artikel VII

Artikel VII

Onderdeel van Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 toegespitst op het gebruik in Curaçao en Sint Maarten· Migratierecht

Deze tekst geldt sinds 29 juni 2009

1. De artikelen van deze Rijkswet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. 2. De onderdelen c en d van artikel 8, eerste lid, zoals deze komen te luiden ingevolge artikel I, onderdeel J van deze rijkswet zijn niet van toepassing op verzoeken ingediend voor de datum van de inwerkingtreding van dit onderdeel. RWN: artikel 8.1c en 8.1d; 8.3, 8.4 en 8.5 BNT: artikel 7 BVVN: artikelen 34.1; 36.1, 39, 46 en 73.1 De artikelen van deze Rijkswet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. De Rijkswetten van 21 december 2000 (Stb. 618) en van 18 april 2002 (Stb. 222) tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap met betrekking tot de verkrijging, de verlening en het verlies van het Nederlanderschap, zijn beide in werking getreden op 1 april 2003. N.B. Artikel V, tweede lid, RRWN, dat betrekking heeft op herstel in het Nederlanderschap van personen die het Nederlanderschap hebben verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder c, RWN (oud), is reeds in werking getreden op 1 februari 2001. De onderdelen c en d van artikel 8, eerste lid, zoals deze komen te luiden ingevolge artikel I, onderdeel J van deze rijkswet zijn niet van toepassing op verzoeken ingediend voor de datum van de inwerkingtreding van dit onderdeel. Sinds 1 april 2003 worden in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN stringentere voorwaarden gesteld aan het verblijf en aan de inburgering voorafgaand aan de indiening van een verzoek om naturalisatie. Echter, van personen die vóór de inwerkingtreding van RRWN een verzoek om naturalisatie hebben ingediend kan in redelijkheid niet worden verlangd dat zij voldoen aan deze stringentere voorwaarden. Artikel VII, tweede lid, RRWN bepaalt daarom dat de bepalingen van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN niet gelden ten aanzien van verzoeken die zijn ingediend vóór inwerkingtreding van de RRWN. Met andere woorden, ten aanzien van verzoeken die vóór 1 april 2003 zijn ingediend geldt niet de voorwaarde van vijf jaar toelating en hoofdverblijf en evenmin het vereiste van het afleggen van de naturalisatietoets bedoeld in artikel 2 BNT. Op deze verzoeken blijft de oorspronkelijke tekst van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN van toepassing, evenals de voormalige richtlijnen van de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 1999. Ten aanzien van deze oude verzoeken wordt de verblijfstermijn, inclusief het eventueel illegaal verblijf, dus beoordeeld aan de hand van een uittreksel uit de PIVA, zonodig aangevuld met door de verzoeker te overleggen bewijsstukken. De inburgering wordt bij oude verzoeken beoordeeld aan de hand van het inburgeringsgesprek bij de DIMAS. Verzoeken die zijn ingediend vóór 1 april 2003 kunnen ook ná 1 april 2003 nog steeds worden aangehouden wegens onvoldoende beheersing van het Nederlands of het papiamento. Aanhouding vindt dan plaats op grond van artikel 9, vijfde lid juncto artikel 9, vierde lid, RWN (nieuw). Ook artikel 73 BVVN bepaalt dat het BVVN niet van toepassing is op verzoeken om naturalisatie die zijn ingediend vóór 1 april 2003. Ten aanzien van oude verzoeken wordt dus géén overlegging verlangd van de volgende documenten: bericht omtrent toelating; verklaring van de verzoeker dat hij op rechtmatige wijze zijn verblijfstitel heeft verkregen (artikel 31, vierde lid, BVVN); Certificaat Naturalisatietoets (artikel 46, eerste lid, BVVN). Artikel VII RRWN voorziet niet in overgangsrecht voor minderjarige (mee te naturaliseren) kinderen. Artikel 11 RWN vereist dat minderjarige kinderen sedert het moment van de indiening van het verzoek tot medeverlening toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk hebben, alsmede – indien zij bij de indiening van het verzoek de leeftijd van zestien jaar reeds hebben bereikt – dat zij gedurende een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk hebben. Minderjarige mee te naturaliseren kinderen zullen daarom bij ieder verzoek om naturalisatie, waarop na inwerkingtreding van de RRWN wordt beslist, moeten voldoen aan de nieuwe voorwaarden, ongeacht of de ouders het verzoek hebben ingediend vóór of ná de inwerkingtreding van de RRWN. Het kan voorkomen dat vreemdelingen niet altijd onmiddellijk een verzoek om naturalisatie kunnen indienen bij de Gouverneur, bijvoorbeeld omdat zij daartoe eerst een afspraak moeten maken (of omdat er een andere reden is waarom de Gouverneur het verzoek pas op een later tijdstip wil laten indienen) en daardoor pas op een latere datum de mogelijkheid krijgen om een verzoek om naturalisatie in te dienen. Om te voorkomen dat vreemdelingen, die zich nog vóór de inwerkingtreding van de RRWN bij de Gouverneur hebben gemeld (hiervan dient een aspirant-verzoeker een bewijsje te ontvangen) voor het indienen van een verzoek om naturalisatie, maar door het maken van een afspraak pas na 1 april 2003 een verzoek om naturalisatie kunnen indienen en hierdoor worden geconfronteerd met de nieuwe regelgeving, geldt de volgende overgangsregeling op grond van artikel 73, eerste lid, BVVN (zie ook de toelichting bij artikel 73 BVVN): Het BVVN is niet van toepassing op verzoeken om naturalisatie indien: de verzoeker vóór 1 april 2003 bij de Gouverneur kennisgeving deed van zijn ‘voornemen tot naturalisatie’; én hij van dit ‘voornemen tot naturalisatie’ een bewijs overlegt dat hem verstrekt is door de Gouverneur (of diens ambtenaren); én dit ‘voornemen tot naturalisatie’ uiterlijk op 1 juli 2003 is omgezet in een daadwerkelijk verzoek om naturalisatie, tenzij deze datum wordt overschreden door toedoen van de Gouverneur; én de verzoeker onmiddellijk voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van de RRWN voldeed aan alle wettelijke voorwaarden en richtlijnen voor naturalisatie, die onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van de RRWN van toepassing waren.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel