De zogenoemde moeder-dochterrichtlijn, (richtlijn 90/435/EEG), is bij richtlijn 2003/123/EG gewijzigd. De wijzigingsrichtlijn is met ingang van 1 januari 2005 in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. In de bijlage bij de Richtlijn zijn opgenomen de in de lidstaten van de EU voorkomende rechtsvormen (in de Richtlijn aangeduid als "vennootschappen"), die aanspraak kunnen maken op de toepassing van de richtlijnbepalingen. Niettemin geeft de Richtlijn Nederland de mogelijkheid om deze vennootschappen zelfstandig te kwalificeren (artikel 4, eerste lid, bis, van de Richtlijn). Voor deze beoordeling geldt het toetsingskader uit dit besluit.
Op de winsten die een Nederlandse moedermaatschappij behaalt met een buitenlandse transparante dochteronderneming worden de bestaande Nederlandse regels ter voorkoming van dubbele belasting toegepast. Indien zich daarbij in de praktijk een probleem mocht voordoen, dan zal in het concrete geval worden bezien hoe daarmee om te gaan, zonodig in het kader van een onderlinge overlegprocedure. Overigens merk ik op dat de richtlijn de bestrijding van fraude en misbruik niet belet.
Artikel 5
Moeder-dochterrichtlijn
Onderdeel van Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, dividendbelasting, Europees recht, kwalificatie rechtsvormen· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 22 december 2009