**1.** Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker
die meerderjarig is;
tegen wiens verblijf voor onbepaalde tijd in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, geen bedenkingen bestaan;
die tenminste sedert vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, toelating en hoofdverblijf heeft;
die in het Koninkrijk en het land van ingezetenschap als ingeburgerd kan worden beschouwd op grond van het feit dat hij beschikt over een bij algemene maatregel van rijksbestuur te bepalen mate van kennis van de Nederlandse taal en – indien hij in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba hoofdverblijf heeft – de taal die op het eiland van het hoofdverblijf gangbaar is, alsmede van de staatsinrichting en maatschappij van het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, en hij zich ook overigens in een van deze samenlevingen heeft doen opnemen; en
die verklaart bereid te zijn bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen. Het besluit tot verlening wordt niet bekend gemaakt dan nadat de verklaring daadwerkelijk is afgelegd.
**2.** Het eerste lid, onder c, geldt niet met betrekking tot de verzoeker die hetzij te eniger tijd het Nederlanderschap of de staat van Nederlands onderdaan-niet-Nederlander heeft bezeten, hetzij sedert tenminste drie jaren de echtgenoot is van en samenwoont met een Nederlander, hetzij tijdens zijn meerderjarigheid in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten is geadopteerd door ouders van wie in elk geval één het Nederlanderschap bezit.
**3.** De termijn bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt op twee jaren gesteld voor degene die in totaal ten minste tien jaren in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba toelating en hoofdverblijf heeft gehad.
**4.** De termijn bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt op drie jaren gesteld voor de verzoeker die hetzij ongehuwd tenminste drie jaren onafgebroken met een ongehuwde Nederlander in een duurzame relatie anders dan het huwelijk samenleeft, hetzij staatloos is, tenzij het Nederlanderschap eerder is ingetrokken op grond van artikel 14, eerste lid.
**5.** De termijn bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt eveneens op drie jaren gesteld voor de verzoeker die door erkenning of wettiging zonder erkenning het kind van een Nederlander is geworden. Voor de verzoeker die tijdens zijn minderjarigheid is erkend of gewettigd wordt de termijn van drie jaren verminderd met de onafgebroken periode gedurende welke hij onmiddellijk voorafgaande aan zijn meerderjarigheid na de erkenning of wettiging zonder erkenning, verzorging en opvoeding heeft genoten van de Nederlander door wie hij is erkend of wiens kind hij door wettiging zonder erkenning is geworden.
**6.** Een krachtens het eerste lid, onder d, vastgestelde algemene maatregel van rijksbestuur treedt niet eerder in werking dan vier weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan beide kamers der Staten-Generaal.
RWN: artikelen 1.1b; 1.1f; 1.1g; 1.1h; 2; 7; 8; 9; 10; 11 en 14.1
RRWN: artikelen II en VII.2
BNT: artikelen 2; 3; 5 en 7
BON: artikel 3 en volgende
BVVN: artikel 24; hoofdstuk III en artikel 72
Awb: artikelen 4:2; 4:5.1 en 6:3
Bdr: artikelen 5; 6; 8 en 9
BWA: artikelen 1:33 en 1:69
WCE: artikel 3
WCH: artikel 3
WNI: artikel 7
LTU en LTUV: artikelen 1, 3, 7, 7a en overgangsbepalingen IV, V en VI
Voor artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN geldt overgangsrecht. Dit geldt ook voor de andere verkorte termijnen die samenhangen met artikel 8 lid 1 aanhef en onder c RWN, namelijk artikel 8 lid 3, 4, en lid 5 RWN. Zie de toelichting bij artikel 7 RWN, onder ‘Overgangsrecht’.
Dit artikel omvat voorwaarden waaraan een verzoeker moet voldoen om in aanmerking te komen voor verlening van het Nederlanderschap. De overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap worden genoemd in artikel 9, eerste lid, RWN. Voor (mede)verlening aan minderjarige kinderen worden de voorwaarden genoemd in artikel 11 RWN.
Om in aanmerking te komen voor verlening van het Nederlanderschap dient de verzoeker als hoofdregel niet alleen te voldoen aan de wettelijke voorwaarden en richtlijnen op het moment waarop het verzoek wordt ingediend, maar ook op het moment waarop de IND beslist op het verzoek. Een verzoek van een persoon die ten tijde van de indiening van het verzoek nog voldeed aan de wettelijke voorwaarden en richtlijnen voor naturalisatie, maar die op het moment van de beslissing op het verzoek inmiddels niet meer voldoet aan deze vereisten, wordt dus afgewezen. Hierbij kan worden gedacht aan de omstandigheid dat de verblijfstitel na de indiening van het verzoek is gewijzigd of niet meer geldt, of aan de omstandigheid dat er inmiddels niet meer sprake is van een huwelijk of samenwoning met een Nederlander of aan mee te naturaliseren kinderen die na de indiening van het verzoek meerderjarig zijn geworden. Voorts kan worden gedacht aan de omstandigheid dat na de indiening van het verzoek ernstige vermoedens zijn ontstaan dat de verzoeker een gevaar oplevert voor de openbare orde.
Een verzoeker die niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, c of d, RWN kan, uitsluitend in geval van zeer bijzondere omstandigheden, verzoeken om toepassing van de hardheidsclausule van artikel 10 RWN. Echter, toepassing van artikel 10 RWN is niet mogelijk indien de verzoeker niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b en e, RWN. Immers, uit de tekst van artikel 10 RWN vloeit voort dat niet kan worden afgeweken van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, en van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder e RWN. Een verzoeker die een beroep doet op toepassing van artikel 10 RWN dient daarom te allen tijde in het bezit te zijn van een verblijfsrecht dat naar zijn aard voor onbepaalde tijd is en zich te allen tijde bereid te verklaren bij verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen en deze verklaring ook te allen tijde daadwerkelijk af te leggen.
Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker die meerderjarig is.
Op het moment dat een verzoek om naturalisatie wordt ingediend moet de verzoeker meerderjarig zijn in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, RWN. Hij moet dus of de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, voordien in het huwelijk zijn getreden (of voordien in Nederland geregistreerd partnerschap zijn aangegaan) of buiten Nederland een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan als bedoeld in artikel 1, tweede lid, RWN (zie de toelichting bij artikel 1, tweede lid, RWN). De Gouverneur onderzoekt de meerderjarigheid van de verzoeker aan de hand van de gegevens in de PIVA. Indien de geboortedatum in de overgelegde stukken niet overeenstemt met de PIVA, bevordert de Gouverneur dat de PIVA zo mogelijk wordt aangepast. Is de verzoeker nog minderjarig, maar is naturalisatie gewenst op grond van zeer bijzondere omstandigheden, dan is verlening van het Nederlanderschap uitsluitend mogelijk met toepassing van artikel 10 RWN (zie de toelichting bij dat artikel). Zie echter voor medeverlening aan minderjarigen artikel 11, eerste lid, RWN. Zie ook artikel 11, vierde lid, RWN, waarin een categorie minderjarigen wordt genoemd die zelfstandig voor naturalisatie in aanmerking komt.
Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker tegen wiens verblijf voor onbepaalde tijd in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, geen bedenkingen bestaan.
Dit artikellid strekt ertoe te waarborgen dat het (op grond van de LTU gevoerde) vreemdelingenbeleid en het (op grond van de RWN gevoerde) naturalisatiebeleid met elkaar in overeenstemming zijn. De verlening van het Nederlanderschap mag het vreemdelingenbeleid immers niet doorkruisen.
Let op: Per 1 juli 2006 is de LTU gewijzigd in Landsverordening toelating, uitzetting en verwijdering (LTUV). Sinds 1 december 2018 (AB 2018, no. 70 en AB 2018, no.71) is weer sprake van de Landsverordening toelating en uitzetting (artikel 37 LTU).
In paragraaf 2 wordt aangegeven welke verblijfstitels er op grond van de LTU in Aruba bestaan. In paragraaf 3 wordt aangegeven op welke wijze aan de hand van het verblijfsdocument van de verzoeker kan worden beoordeeld of er in beginsel al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. Voor een naturalisatieverzoek (maar ook voor een optieverzoek) moet de niet-Nederlander tot Aruba zijn toegelaten in overeenstemming met de in de LTU geldende bepalingen. Jegens houders van een niet-conform de LTU verstrekte toelating bestaan in het kader van de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd, tenzij het op 1 december 2018 ingevoerde overgangsrecht van toepassing is (zie par. 2.1 voor de verklaring van toelating van rechtswege (artikel 3 g LTU).
Verder wordt beschreven hoe te handelen wanneer de verzoeker niet beschikt over een verblijfsdocument, hij niet beschikt over het juiste verblijfsdocument, het verblijfsrecht behoort te worden ingetrokken of het verblijfsrecht van rechtswege is komen te vervallen. In die gevallen kan de vraag of er bedenkingen bestaan in bovenbedoelde zin niet (eenvoudig) aan de hand van een verblijfsdocument worden beantwoord. Zie hiervoor paragraaf 5.
Toelating tot verblijf in Aruba wordt:
van rechtswege toegekend; of
bij vergunning verleend.
(Artikel 2, 3, 6, 7en 7a van de Landsverordening Toelating en Uitzetting jo. de overgangsbepalingen II, III, IV, V, VI en VII wijziging LTU (AB 2018 no 70 en 71).
Van rechtswege toelating wordt toegekend aan degene die voldoet aan de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 3 van de LTU (zie ook hierna paragraaf 3.1). Daarvan wordt op aanvraag een verklaring afgegeven (artikel 3, tweede lid, LTU).
De volgende personen hebben van rechtswege toelating tot verblijf in Aruba:
personen die in dienst zijn van het Land dan wel in dienst bij een van de andere landen van het Koninkrijk, of in dienst zijn van een internationale organisatie, of een door het Land dan wel de andere landen van het Koninkrijk gesubsidieerde instelling, en in Aruba zijn gestationeerd;
personen die in dienst zijn geweest van Aruba of vóór 1 januari 1986 in dienst waren van de Nederlandse Antillen of het eilandgebied Aruba en uit dien hoofde pensioen of uitkering bij wijze van pensioen genieten, alsmede de niet hertrouwde weduwen van zodanige personen;
in Aruba als zodanig toegelaten beroepsconsuls, beroepsconsulaire ambtenaren en ander consulair personeel;
militairen of civiele personeelsleden, in dienst van een ander land, gedurende de tijd dat zij in Aruba zijn gestationeerd, of op grond van een verdrag toelating in Aruba hebben;
opvarenden van tot de zee- of luchtmacht van enige mogendheid behorende schepen of luchtvaartuigen, gedurende de tijd, dat Aruba met toestemming van de bevoegde autoriteit wordt aangedaan;
Nederlanders die gedurende langer dan vijf jaar in Aruba zijn toegelaten geweest van rechtswege of krachtens vergunning;
personen die gedurende ten minste vijf jaar gehuwd zijn met en inwonen bij een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, LTU of een persoon als bedoeld als hiervoor, onderdeel a tot en met f, en gedurende een periode van ten minste vijf jaar toelating en hoofdverblijf in Aruba hebben of hebben gehad, alsmede de uit dat huwelijk geboren of staande dat huwelijk geadopteerde of erkende minderjarige inwonende kinderen;
personen, in Aruba geboren, die de Nederlandse nationaliteit niet bezitten, mits zij de leeftijd van tien jaar hebben bereikt, en sedert hun eerste levensjaar in Aruba zijn toegelaten geweest;
echtgenoten of partners in een duurzame relatie, alsmede minderjarige kinderen, voor zover zij een gemeenschappelijke huishouding voeren met een persoon als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, d of e LTU; aan bedoelde echtgenoten of partners worden geen nadere voorwaarden gesteld voor de uitoefening van een beroep of het verrichten van arbeid.
Ad g
Artikel 3, eerste lid, onderdeel g, van de LTUV (AB 1993 no. GT 33) luidde van 1 juli 2012 tot 1 december 2018: ‘g. degene die gehuwd is met en inwoont bij een persoon, genoemd in artikel 1, eerste lid, of een persoon als bedoeld in de onderdelen a tot en met f, alsmede de uit dat huwelijk geboren of staande dat huwelijk geadopteerde of erkende minderjarige inwonende kinderen;’
Degene die op 1 december 2018 van rechtswege toelating tot verblijf had op grond van dit artikel 3, eerste lid, onderdeel g, van de LTUV zoals dat ingevolge Artikel VI van de LTUV AB 2018 no. 70 van 1 juli 2012 tot 1 december 2018 luidde, behield deze verblijfstitel, onverminderd artikel 5, eerste lid, van de LTUV (AB 1993 no. GT 33).
Dit is van overeenkomstige toepassing op de uit het bedoelde huwelijk geboren of staande dat huwelijk geadopteerde of erkende minderjarige inwonende kinderen (zie artikel VI en VII van de LTUV 2018, no. 70).
De LTU onderscheidt twee soorten verblijfsvergunningen:
Een vergunning tot tijdelijk verblijf; en
Een vergunning tot verblijf.
De vergunning tot tijdelijk verblijf komt voorafgaand aan het verlenen van een vergunning tot verblijf.
Een vergunning tot tijdelijk verblijf (artikel 6, tweede lid, LTU jo. artikel 7 LTU; zie hierna paragraaf 3.2).
Al naargelang het verblijfsdoel worden de vergunningen tot tijdelijk verblijf voor verschillende perioden verleend c.q. verlengd. Dat een vergunning tot tijdelijk verblijf wordt afgegeven wil niet zeggen dat er bedenkingen bestaan tegen verblijf voor onbepaalde tijd in Aruba, zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b, RWN. Zie paragraaf 3 (geen) bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd. In artikel 7 van de LTU zijn de voorwaarden en vereisten met betrekking tot een vergunning tot tijdelijk verblijf opgenomen.
Een vergunning tot verblijf (artikel 6, derde lid, LTU jo. artikel 7a; zie hierna paragraaf 3.3).
De vergunning tot verblijf is een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd welke na verloop van tien jaar rechtmatig verblijf wordt afgegeven aan de vreemdeling. In artikel 7a van de LTU zijn de voorwaarden en vereisten voor de verlening van een vergunning tot verblijf (voor onbepaalde tijd) opgenomen.
In de beleidsinstructie van de DIMAS, gepubliceerd in de Landscourant van Aruba van 12 maart 2021, jaargang 21, editie no. 6, zijn de verblijfsdoelen voortvloeiende uit de artikelen 3, 7 en 7a van de LTU, geclassificeerd naar tijdelijke dan wel niet-tijdelijke aard. Als uitgangspunt geldt dat een verblijfsdoel van een vergunning tot tijdelijk verblijf dat als van tijdelijke aard is geclassificeerd in de beleidsinstructie ook leidt tot het bestaan van bedenkingen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b RWN. Dit kan echter anders zijn als sprake zou zijn van het daarmee doorkruisen van een uit de RWN voortkomend recht op naturalisatie.
Verblijfsdoelen/vergunningen van tijdelijke aard op grond van LTU:
Vergunning tot tijdelijk verblijf ex artikel 7 van de LTU: Kort verblijf van maximaal 11 maanden (waaronder animeerpersoon, project verbonden/kortlopend project, Model C, klein/groot/lang evenement, vrijwillig, non-profit/NGO en vroeger ook: kort verblijf);
Vergunning tot tijdelijk verblijf ex artikel 7 van de LTU: Stage;
Vergunning tot tijdelijk verblijf ex artikel 7 van de LTU: Sport (waaronder sport (beoefenaar of trainer), of sport/arbeid);
Vergunning tot tijdelijk verblijf ex artikel 7 van de LTU: Studie (studie, uitwisselingsstudent);
Vergunning tot tijdelijk verblijf ex artikel 19 Toelatingsbesluit: artikel 19 Toelatingsbesluit (voorheen: asiel).
Andere verblijfsdocumenten/statussen/verklaringen van tijdelijke aard op grond van de LTU:
Van rechtswege hebben toelating van tijdelijke aard in Aruba:
personen die in dienst zijn van een van de landen van het Koninkrijk of een internationale organisatie, of door een van de landen van het Koninkrijk gesubsidieerde instelling en in Aruba zijn gestationeerd;
als zodanig toegelaten beroepsconsuls, beroeps-consulaire ambtenaren en ander consulair personeel;
militairen of civiele personeelsleden, in dienst van een ander land, gedurende de tijd dat zij in Aruba gestationeerd zijn, of op grond van een verdrag toelating in Aruba hebben;
opvarenden van tot de zee- of luchtmacht van enige mogendheid behorende schepen of luchtvaartuigen gedurende de tijd dat Aruba met toestemming van de bevoegde autoriteit wordt aangedaan.
Verblijfsdoelen/vergunningen van niet-tijdelijke aard op grond van de LTU:
Vergunning tot tijdelijk verblijf ex artikel 7 van de LTU: Arbeid in loondienst (waaronder: arbeid in loondienst regulier, beroepspersoon, kennismigrant, vertrouwenspersoon, huishoudelijk personeel inwonend en niet inwonend, directeur);
Vergunning tot tijdelijk verblijf ex artikel 7 van de LTU: Zelfstandige ondernemer (zelfstandige zonder personeel, (digital) nomad, start up, investeerder);
Vergunning tot tijdelijk verblijf ex artikel 7 van de LTU: Gezin (waaronder gezinsvorming, gezinshereniging, verblijf bij partner);
Vergunning tot tijdelijk verblijf ex artikel 7 van de LTU: Voortgezet Gezin (waaronder voortgezet gezin, voortgezet gezin/studie, voortgezet gezin bijzondere meerderjarigen, voorheen bekend onder de benaming verblijf bij garantsteller);
Vergunning tot tijdelijk verblijf ex artikel 7 van de LTU: Bijzondere band met Aruba (voorheen bekend onder de benaming: vergunning tot tijdelijk verblijf ex artikel 7 van de LTU: verblijven, arbeid als zelfstandige);
Vergunning tot tijdelijk verblijf ex artikel 7 van de LTU: Rentenier;
Vergunning tot tijdelijk verblijf ex artikel 7 van de LTU: Gepensioneerde.
Andere verblijfsdocumenten/statussen/verklaringen van niet-tijdelijke aard op grond van de LTU:
Van rechtswege hebben toelating tot verblijf van niet tijdelijke aard in Aruba:
personen die in overheidsdienst zijn getreden;
personen die in dienst zijn geweest van Aruba of vóór 1 januari 1986 in dienst waren van de Nederlandse Antillen of het eilandgebied Aruba en uit dien hoofde pensioen of uitkering bij wijze van pensioen genieten, alsmede de niet hertrouwde weduwen van zodanige personen;
personen die gedurende ten minste vijf jaar gehuwd zijn met en inwonen bij een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, LTU of een persoon als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a tot en met f LTU, en gedurende een periode van ten minste vijf jaar toelating en hoofdverblijf in Aruba hebben of hebben gehad, alsmede de uit dat huwelijk geboren of staande dat huwelijk geadopteerde of erkende minderjarige inwonende kinderen;
personen, in Aruba geboren, die de Nederlandse nationaliteit niet bezitten, mits zij de leeftijd van tien jaar hebben bereikt, en sedert hun eerste levensjaar in Aruba zijn toegelaten geweest;
personen die een verblijfsstatus hebben conform de overgangsbepalingen II, III, IV, V, VI en VII van de LTU, AB 2018, 70/71.
De uiteindelijke beslissing of al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Aruba van een verzoeker om naturalisatie ligt bij Onze Minister die oordeelt over de afwijzing of de inwilliging van het verzoek. Daartoe hanteert Onze Minister de in de Nederlandse handleiding verwoorde uitgangspunten op verblijfsrechtelijk terrein. Dit betekent dat een als vóórtdurend gekenmerkt verblijfsrecht (doel van het verblijfsrecht is niet-tijdelijk van aard) een verblijfsrecht is waarbij geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in het Europese deel van Nederland (dat hiervoor aansluit bij het Vreemdelingenbesluit), Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba aanwezig zijn. Daarbij maakt het niet uit of de verblijfsvergunning met dat verblijfsdoel steeds moet worden verlengd. Het maakt daarbij ook niet uit of het verblijfsrecht zelf mogelijk afloopt en weer (met hetzelfde verblijfsdoel) moet worden verlengd.
Bij de beoordeling van een verzoek om naturalisatie zal steeds de vraag moeten worden beantwoord of er op grond van de verblijfstitel van de vreemdeling bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Aruba in de zin van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN. Hiervoor geldt voor de verschillende verblijfstitels het volgende.
Ten aanzien van de volgende categorieën vreemdelingen in artikel 3 LTU bestaan geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b, RWN:
personen die in dienst zijn geweest van Aruba of vóór 1 januari 1986 in dienst waren van de Nederlandse Antillen of het eilandgebied Aruba en uit dien hoofde pensioen of uitkering bij wijze van pensioen genieten, alsmede de niet hertrouwde weduwen van zodanige personen;
personen, in Aruba geboren, die de Nederlandse nationaliteit niet bezitten, mits zij de leeftijd van tien jaar hebben bereikt, en sedert hun eerste levensjaar in Aruba zijn toegelaten geweest.
Ten aanzien van de volgende categorieën vreemdelingen in artikel 3 LTU bestaan geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b, RWN, mits jegens de hoofdverblijfgever zelf ook geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b, RWN bestaan:
personen die gedurende ten minste vijf jaar gehuwd zijn met en inwonen bij een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, LTU of een persoon als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen a tot en met f, LTU, en gedurende een periode van ten minste vijf jaar toelating en hoofdverblijf in Aruba hebben of hebben gehad, alsmede de uit dat huwelijk geboren of staande dat huwelijk geadopteerde of erkende minderjarige inwonende kinderen;
echtgenoten of partners in een duurzame relatie, alsmede minderjarige kinderen, voor zover zij een gemeenschappelijke huishouding voeren met een persoon als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, d of e LTU; aan bedoelde echtgenoten of partners worden geen nadere voorwaarden gesteld voor de uitoefening van een beroep of het verrichten van arbeid.
Ten aanzien van vreemdelingen als bedoeld in artikel 3, lid 1, sub a LTU (in Aruba gestationeerde personen die in dienst zijn van Aruba, van een van de andere landen van het Koninkrijk of van een internationale organisatie of een door een van de landen van het Koninkrijk gesubsidieerde instelling) geldt dat zij in beginsel een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd moeten hebben om te kunnen aannemen dat er geen bedenkingen bestaan tegen hun verblijf voor onbepaalde tijd in Aruba. Verder bestaan er ook geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd voor vreemdelingen die een verklaring van rechtswege overleggen waaruit volgt dat het tijdelijke arbeidscontract telkens met een jaar wordt verlengd. Dit is anders voor vreemdelingen die werken voor een internationale organisatie. Zij hebben de intentie om tijdelijk te verblijven dus er bestaan wel bedenkingen tegen hun verblijfsdoel.
Ten aanzien van de volgende categorieën vreemdelingen in artikel 3 LTU bestaan bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b, RWN:
in Aruba als zodanig toegelaten beroepsconsuls, beroepsconsulaire ambtenaren en ander consulair personeel;
militairen of civiele personeelsleden, in dienst van een ander land, gedurende de tijd dat zij in Aruba zijn gestationeerd, of op grond van een verdrag toelating in Aruba hebben;
opvarenden van tot de zee- of luchtmacht van enige mogendheid behorende schepen of luchtvaartuigen gedurende de tijd dat Aruba met toestemming van de bevoegde autoriteit wordt aangedaan.
Als uitgangspunt geldt dat een vergunning tot tijdelijk verblijf die als van tijdelijke aard is geclassificeerd in de beleidsinstructie van de DIMAS van 12 maart 2021 (zie paragraaf 2.2) leidt tot het bestaan van bedenkingen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b RWN. Dit kan echter anders zijn als een uit de RWN voortkomend recht op naturalisatie daarmee wordt doorkruist.
Geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b, RWN bestaan bij de volgende vergunningen:
Vergunning tot tijdelijk verblijf ex artikel 7 van de LTU: Arbeid in loondienst (waaronder: arbeid in loondienst regulier, beroepspersoon, kennismigrant, vertrouwenspersoon, huishoudelijk personeel inwonend en niet inwonend, directeur);
Vergunning tot tijdelijk verblijf ex artikel 7 van de LTU: Zelfstandige ondernemer (zelfstandige zonder personeel, (digital) nomad, start up, investeerder);
Vergunning tot tijdelijk verblijf ex artikel 7 van de LTU: Gezin (waaronder gezinsvorming, gezinshereniging, verblijf bij partner);
Vergunning tot tijdelijk verblijf ex artikel 7 van de LTU: Voortgezet gezin (waaronder voortgezet gezin, voortgezet gezin/studie, voortgezet gezin bijzondere meerderjarigen, voorheen bekend onder de benaming verblijf bij garantsteller);
Vergunning tot tijdelijk verblijf ex artikel 7 van de LTU: Bijzondere band met Aruba (voorheen bekend onder de benaming: vergunning tot tijdelijk verblijf ex artikel 7 van de LTU: verblijven, arbeid als zelfstandige);
Vergunning tot tijdelijk verblijf ex artikel 7 van de LTU: Rentenier;
Vergunning tot tijdelijk verblijf ex artikel 7 van de LTU: Gepensioneerde.
Ten aanzien van verzoekers om naturalisatie die in het bezit zijn van een vergunning tot verblijf bestaan geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd in Aruba (zie hierboven paragraaf 2.2, sub 2).
Hoewel de verzoeker bij de indiening van het verzoek het verblijfsdocument moet overleggen waaruit moet blijken of er al dan niet bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd bestaan, is uiteindelijk doorslaggevend of op het moment van de beslissing op het verzoek om naturalisatie dergelijke bedenkingen bestaan. Indien ten tijde van het verzoek wel, maar op het moment van de beslissing geen bedenkingen bestaan, kan het verzoek toch worden ingewilligd (als ook aan de andere voorwaarden wordt voldaan). Ook omgekeerd geldt: als er ten tijde van het verzoek geen, maar op het moment van de beslissing wel bedenkingen bestaan, komt de verzoeker niet in aanmerking voor naturalisatie1Vergelijk ABRvS 18 juni 1998, H01.97.0969, ABRvS 5 november 1998, H01.98.0270; ABRvS 26 maart 1999, H01.98.1028.. Indien de verzoeker bij de indiening van het verzoek niet kan aantonen dat tegen zijn verblijf voor onbepaalde tijd geen bedenkingen bestaan, wordt hem ontraden een verzoek in te dienen en wordt hij verwezen naar de DIMAS. Indien de verzoeker er niettemin op staat een verzoek in te dienen, zal de Gouverneur het verzoek in ontvangst nemen. Het verdient aanbeveling een woordelijk verslag op te maken en dit door verzoeker te laten ondertekenen. Verzoeker wordt erop gewezen dat, in het geval zijn verzoek tot naturalisatie buiten behandeling wordt gesteld dan wel wordt afgewezen, hij de voor naturalisatie betaalde leges niet terugkrijgt. De Gouverneur kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in model 2.21 (Advies geen inwilliging van verzoek om naturalisatie).
Het bovenstaande neemt niet weg dat een verzoeker (met uitzondering van een verzoeker als bedoeld in artikel 8, tweede, derde, vierde of vijfde lid, RWN) op grond van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, RWN op het moment van indiening van het verzoek een onafgebroken periode van vijf jaar ‘toelating’ moet hebben in Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN (zie de toelichting bij dat artikel) en dat die ‘toelating’ moet voortduren tot en met het moment van beslissen op het verzoek.
Bij het indienen van een verzoek om naturalisatie en tijdens de behandeling van dat verzoek kunnen omstandigheden aan het licht komen die grond kunnen vormen om de vergunning tot (tijdelijk) verblijf in te trekken dan wel niet te verlengen.
Bestaan aanwijzingen dat een verblijfsvergunning dient te worden ingetrokken dan wel niet dient te worden verlengd, dan bestaan – ondanks dat verzoeker (nog) in het bezit is van een geldig verblijfsdocument – bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. Dat geldt ook voor een houder van een verklaring van toelating van rechtswege waarbij het vermoeden bestaat dat de toelating is geëindigd. De verzoeker wordt ontraden een verzoek in te dienen en hij wordt verwezen naar de vreemdelingendienst. Houdt verzoeker niettemin vast aan indiening van het verzoek, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in paragraaf 4 van de toelichting op dit artikellid. De Gouverneur zal de verblijfsrechtelijke status van verzoeker nader onderzoeken. Na dit onderzoek en na vaststelling van de juiste verblijfsrechtelijke status wordt advies uitgebracht aan de IND. Aan de hand van dit advies zal de IND beoordelen of bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd van verzoeker.
Artikel 5 LTU noemt de gronden waarop een toelating van rechtswege (artikel 3 LTU) eindigt.
De verklaring van toelating van rechtswege eindigt eveneens met het vervallen van de status waarvoor de toelating van rechtswege is verleend. Een toelating van rechtswege vervalt:
(altijd) door het vervallen van de reden waarvoor zij is toegekend;
voor twee groepen van rechtswege toegelatenen (artikel 3, onderdelen g en h LTU): door verblijf van langer dan tien jaar (sinds 2021 en eerder vijf jaar, sinds 01.12.2018 en voor 01.12.2018 drie jaar) buiten Aruba (tenzij men voor studie, voor medische behandeling of voor vervullen van een publieke taak als ambtenaar of op basis van een arbeidsovereenkomst buiten Aruba verblijft);
(incidenteel) door een verklaring van de Arubaanse Minister belast met vreemdelingen- en integratiebeleid in het geval van de in artikel 5 LTU omschreven omstandigheden.
In artikel 14 van de LTU worden de gronden aangegeven die tot intrekking van een vergunning tot tijdelijk verblijf of tot verblijf kunnen leiden.
Het gaat te ver om in de naturalisatieprocedure zelfstandig te onderzoeken of verzoeker in aanmerking zou kunnen komen voor een vergunning tot verblijf die naar zijn aard al dan niet tijdelijk is. De naturalisatieprocedure is daar niet op ingericht en is daar ook niet voor bedoeld2Vergelijk onder meer ABRvS 5 november 1998, H01.98.0270 en ABRvS 26 maart 1999, H01.98.1028. Inzet van de naturalisatieprocedure is evenmin de vraag of de vergunning tot (tijdelijk) verblijf die de verzoeker bezit al dan niet moet worden ingetrokken dan wel niet moet worden verlengd. Vragen omtrent de verlening, de intrekking dan wel de niet-verlenging van een vergunning tot (tijdelijk) verblijf behoren in beginsel inzet te zijn van een vreemdelingenrechtelijke procedure (dit is een procedure ingevolge de LAR). Daarom wordt in het kader van de behandeling van een verzoek om naturalisatie in het algemeen geen fictietoets toegepast, waarbij wordt bezien of de verzoeker die niet in het bezit is van een verblijfstitel om voor onbepaalde tijd in Aruba te verblijven, daarvoor wel in aanmerking zou kunnen komen indien daarom zou worden gevraagd. Indien vreemdelingrechtelijke vragen zich bij het indienen van een verzoek voordoen, dient de verzoeker te worden verwezen naar de vreemdelingendienst (artikel 48, eerste lid BVVN). Bij de vreemdelingendienst kan de verzoeker een aanvraag indienen om een (andere) verblijfstitel en zonodig een vreemdelingrechtelijke procedure volgen. In gevallen waarin een verzoeker in het geheel niet in het bezit is van een verblijfsdocument, niet bereid is om een verblijfsdocument te verkrijgen en niettemin een verzoek om naturalisatie wil indienen, kan het verzoek door de IND met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, Awb buiten behandeling worden gesteld (zie toelichting bij artikel 7 RWN, paragraaf 3.7.4).
Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker die tenminste sedert vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, toelating en hoofdverblijf heeft.
Vóór 1 april 2003 was in dit artikellid als voorwaarde opgenomen dat een verzoeker voor naturalisatie in aanmerking kon komen, indien hij of zij ten minste vijf jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek woonplaats of werkelijk verblijf in het Koninkrijk had. De vraag of verzoeker in deze periode was toegelaten, speelde daarbij geen rol (ook niet-rechtmatig verblijf werd meegeteld).
In het kader van de integratie van het vreemdelingenbeleid in de RWN is met ingang van 1 april 2003 in het onderhavige artikellid bepaald dat verzoeker gedurende de vereiste periode van vijf jaar in het Europese deel van Nederland, Curaçao, Sint Maarten, Aruba of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba ‘toelating en hoofdverblijf’ moet hebben. Deze bepaling is bedoeld om te voorkomen dat een vreemdeling rechten opbouwt in een periode dat hij geen recht heeft om in het Koninkrijk te verblijven.
Van toelating in Aruba als bedoeld in de RWN is sprake indien verzoeker rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 3, artikel 6, tweede en derde lid, LTUV. Verzoeker dient dit verblijf aan de hand van een verblijfsdocument aan te tonen (zie de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN en bij artikel 8, eerste lid aanhef en onder b RWN). De datum van eerste toelating is de datum van de beslissing (ondertekening) van de eerste vergunning tot (tijdelijk) verblijf.
Het vereiste van vijf jaar ‘hoofdverblijf’ in het Europese deel van Nederland, Curaçao, Sint Maarten, Aruba of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is opgenomen om enige garantie te verschaffen dat een bepaalde mate van inburgering tot stand is gekomen en dat de verzoeker in het Koninkrijk wil blijven wonen. Of sprake is van hoofdverblijf in Aruba wordt getoetst aan de hand van de gegevens uit de PIVA. Indien deze gegevens niet afdoende blijken uit de PIVA, dient de verzoeker zijn hoofdverblijf gedurende de periode van vijf jaar voorafgaande aan het verzoek tot de beslissing daarop zelf aan te tonen door middel van andere bewijsstukken. Het begrip ‘hoofdverblijf’ is gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN (zie de toelichting bij dat artikellid).
In het onderhavige artikellid staat uitdrukkelijk dat de vijf jaren toelating en hoofdverblijf onmiddellijk vooraf dienen te gaan aan de indiening van het verzoek. Het heeft daarom geen zin om voortijdig een verzoek in te dienen in de veronderstelling dat in de loop van de procedure de termijn van vijf jaar zal worden gehaald. Uit de tekst van de wet vloeit voort dat een voortijdig ingediend verzoek wordt afgewezen. Uit de wettekst vloeit ook voort dat gedurende de vijf jaren vóór het indienen van zijn verzoek om naturalisatie het verblijfsrecht van verzoeker niet onderbroken mag zijn. Het woord ‘sedert’ duidt erop dat het vereiste van ononderbroken toelating en hoofdverblijf eveneens geldt voor de periode vanaf het moment van indiening van het verzoek tot en met de beslissing op het verzoek. Gedurende de periode van vijf jaar onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek én gedurende de periode vanaf de indiening van het verzoek tot en met de beslissing op het verzoek mogen er derhalve geen onderbrekingen in het hoofdverblijf binnen het Koninkrijk én geen zogenaamde ‘verblijfsgaten’ voorkomen. Een verblijfsgat leidt tot een onderbreking van de termijn. Na de onderbreking begint opnieuw een termijn van vijf jaar te lopen2Tenzij sprake is van toepasbaarheid van artikel 8, derde lid RWN. Dan betreft het geen vijf jaar onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek doch slechts twee jaar).. Of wordt voldaan aan de vereiste periode van onafgebroken toelating zal de Gouverneur afleiden uit het verblijfsdocument en de gegevens in het NAVAS. Daartoe zal de Gouverneur aan de DIMAS verzoeken om een bericht omtrent toelating af te geven. Voor de wijze waarop een bericht omtrent toelating moet worden gevraagd, wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 1, aanhef en onder g, RWN.
Het is uiteindelijk aan Onze Minister (lees: de IND) die beslist tot afwijzing of inwilliging van het verzoek om naturalisatie, om te bepalen aan de hand van het BOT en de meegestuurde stukken of sprake is van onafgebroken toelating in de zin van de Rijkswet.
Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker die in het Koninkrijk en het land van ingezetenschap als ingeburgerd kan worden beschouwd op grond van het feit dat hij beschikt over een bij algemene maatregel van rijksbestuur te bepalen mate van kennis van de Nederlandse taal en – indien hij in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba hoofdverblijf heeft – de taal die op het eiland van het hoofdverblijf gangbaar is, alsmede van de staatsinrichting en maatschappij van het Europese van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, en hij zich ook overigens in een van deze samenlevingen heeft doen opnemen.
In dit artikellid beschrijft de wetgever wat hij onder inburgering verstaat. Dit gebeurt aan de hand van een tweedeling: aan de ene kant moet de vreemdeling die in Aruba woont, over voldoende kennis van het Nederlands en het Papiaments beschikken, aan de andere kant moet hij zich hebben doen opnemen in de samenleving van Aruba en kennis hebben van de Arubaanse staatsinrichting en maatschappij.
De vreemdeling dient de kennis van de taal, staatsinrichting en maatschappij op een zodanig niveau te beheersen dat hij zelfstandig in de samenleving van Aruba kan functioneren. Dit algemeen geformuleerde niveau is bepaald door een algemene maatregel van rijksbestuur. Artikel 2, vierde lid, Regeling naturalisatietoets Aruba 2011 concretiseert dit niveau als niveau A2 van het Europese Raamwerk voor moderne talen. Dit is ook in Nederland het vereiste niveau van de naturalisatietoets.
Op 1 mei 2006 is in Aruba de naturalisatietoets ingevoerd. Met deze toets wordt vastgesteld of de verzoeker zoveel kennis van de taal en de samenleving bezit dat hij als voldoende ingeburgerd kan worden beschouwd (artikel 2, tweede lid, Besluit naturalisatietoets (BNT)).
Vanaf 1 januari 2011 bestaat de naturalisatietoets uit drie onderdelen, die elk worden getoetst:
Kennis van de staatsinrichting en maatschappij (deel I);
Spreek-, luister-, schrijf- en leesvaardigheid in het Papiaments (deel II);
Spreek-, luister-, schrijf- en leesvaardigheid in het Nederlands (deel III).
Het vereiste van kennis van de Nederlandse taal naast het Papiaments geldt vanaf 1 januari 2011 (Stb. 2010, 292). Vanaf deze datum is eveneens de taalkeuze vervallen voor de toetsing van deel I; de kennis van de Arubaanse staatsinrichting en maatschappij wordt uitsluitend getoetst in het Papiaments ( artikel 2, tweede lid, Regeling naturalisatietoets Aruba 2011).
Op verzoeken om naturalisatie ingediend vóór 1 januari 2011blijft de Regeling Naturalisatietoets Aruba d.d. 7 april 2006 (Stc. 2006, 80) van toepassing. Voor deze verzoeken geldt dus dat de verzoeker slechts ingeburgerd hoeft te zijn in één van beide talen, ofwel in het Nederlands ofwel in het Papiaments, en dat hij kan kiezen in welke van deze twee talen hij de naturalisatietoets aflegt.
Voor vreemdelingen die na 1 januari 2011 een verzoek om naturalisatie indienen en die vóór 1 januari 2011 al deel I of de gehele naturalisatietoets hebben afgelegd zoals die gold vóór 1 januari 2011, gelden gedeeltelijke vrijstellingen. Hiervoor wordt verwezen naar par. 2.2.2.
Soms komt een verzoeker in aanmerking voor volledige vrijstelling of volledige ontheffing van de naturalisatietoets. Op basis van een advies van de Gouverneur, zie hierna paragraaf 2.2 en 2.3, bepaalt de IND of de verzoeker is vrijgesteld of is ontheven. Ook kan het gaan om gedeeltelijke vrijstelling of gedeeltelijke ontheffing.
Aan de indiening van het verzoek om naturalisatie gaat een voorlichtingsfase vooraf, waarin de Gouverneur de aspirant-verzoeker informeert over de voorwaarden voor naturalisatie, waaronder het afleggen van de naturalisatietoets. In dit stadium kan en hoeft de aspirant-verzoeker nog geen verzoek om naturalisatie in te dienen en dus ook nog geen naturalisatiegelden te voldoen. De Gouverneur legt dan ook geen dossier aan totdat het verzoek om naturalisatie daadwerkelijk wordt ingediend. In de regel gebeurt dat pas nadat betrokkene de naturalisatietoets heeft gehaald en het Certificaat Naturalisatietoets kan overleggen.
Het Examenbureau Aruba van de Directie Onderwijs van Aruba is bevoegd om de naturalisatietoets af te nemen en om de uitslag daarvan vast te stellen (artikel 3 Regeling Naturalisatietoets Aruba 2011).
De aspirant-verzoeker meldt zich aan bij het Examenbureau Aruba en betaalt voorafgaande aan het afleggen van de naturalisatietoets de verschuldigde examengelden op een door het Examenbureau Aruba aangehouden bankrekening. Het Examenbureau Aruba roept de aspirant-verzoeker vervolgens schriftelijk op om de toets af te leggen, onder vermelding van het tijdstip, de locatie en vereisten voor toetsafname.
In het geval van digitale examinering van een taalvaardigheid waarbij het examensysteem de mogelijkheid kent tot het verlengen van de standaard examentijd stelt de examinator deze verlengingsmogelijkheid bij alle kandidaten in. Een verlenging van maximaal 30 minuten is op deze manier toegestaan. Voor zover geen computergestuurde beoordeling plaatsvindt, worden de resultaten van de naturalisatietoets standaard door twee correctoren beoordeeld. Tegen het oordeel van het Examenbureau Aruba staat geen afzonderlijke bezwaar- en beroepsprocedure open omdat de naturalisandus, los van zijn verzoek om naturalisatie, daardoor niet rechtstreeks in zijn belang wordt getroffen. Het oordeel over de resultaten van de naturalisatietoets is voor hem uitsluitend van belang in het kader van de uiteindelijke beslissing op zijn verzoek om naturalisatie. Tegen de afwijzing van het verzoek om naturalisatie staat bezwaar en beroep open (op grond van de Algemene wet bestuursrecht) in het Europese deel van Nederland.
Als de kandidaat na deel I ook de delen II en III in hun geheel met goed gevolg heeft afgelegd, reikt de Directeur van het Examenbureau Aruba het Certificaat Naturalisatietoets aan hem uit.
Als de kandidaat deel I of (één of meer delen van) deel II en III niet heeft behaald, kan hij deze onbeperkt herkansen. De aan de herkansing verbonden kosten moeten voorafgaande aan het afleggen van het betreffende toetsonderdeel worden voldaan.
De examengelden bedragen:
voor het afleggen van deel I Afl. 200,-
voor het afleggen van deel II Afl. 300,-
voor het afleggen van deel III Afl. 150,-
voor herkansing van deel I Afl. 100,-
voor herkansing van een taalvaardigheid van deel II Afl. 100,-
voor herkansing van meer dan drie taalvaardigheden van deel II Afl. 300,-
voor herkansing van een taalvaardigheid van deel III Afl. 50,-
voor herkansing van meer dan drie taalvaardigheden van deel III Afl. 150,-
De bedragen voor de delen I en II zijn vastgesteld in het Retributiebesluit naturalisatietoets Aruba1Afkondigingsblad van Aruba 2006 no. 73. Het bedrag voor deel III is bepaald in de Regeling naturalisatietoets Aruba 2011.
De verzoeker legt bij zijn verzoek om naturalisatie het Certificaat Naturalisatietoets over (artikel 5 BNT) tenzij hij voor volledige vrijstelling of volledige ontheffing in aanmerking komt (artikel 46, eerste lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap). Indien verzoeker niet voor volledige vrijstelling of volledige ontheffing in aanmerking komt (of daar moet in het geval van ontheffing nog nader onderzoek naar plaatsvinden), noch het Certificaat Naturalisatietoets kan overleggen, ontraadt de Gouverneur hem een verzoek om naturalisatie in te dienen. Staat hij er toch op een verzoek in te dienen, dan wordt zijn verzoek in ontvangst genomen. In dit geval wijst de Gouverneur verzoeker erop dat zijn verzoek om naturalisatie door de IND zal worden afgewezen en dat hij de voor naturalisatie te betalen leges niet terug zal ontvangen. De Gouverneur kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in model 2.21.
Indien verzoeker het Certificaat Naturalisatietoets overlegt, neemt de Gouverneur dit op in zijn advies en voegt een kopie van het origineel in het dossier dat aan de IND wordt gezonden. Een kopie conform origineel behoudt hij voor zichzelf. Het diploma wordt weer aan verzoeker overhandigd.
In artikel 3 BNT zijn de gronden voor vrijstelling van de naturalisatietoets opgenomen. Op onderdelen zijn deze ontleend aan de in het Europese deel van Nederland geldende Wet inburgering, maar van toepassing in het gehele Koninkrijk. In de praktijk zullen verschillende van de hieronder genoemde gronden niet voorkomen bij verzoeken in Aruba.
De verzoeker kan een beroep doen op een vrijstellingsgrond als genoemd in artikel 3 BNT. Hij moet aantonen dat hij behoort tot een van de volgende categorieën vrijgestelde personen:
Molukkers, die op grond van de Wet van 9 september 1976 (Stb. 1976, 468) bij de toepassing van de Nederlandse wetgeving worden behandeld als Nederlander en op grond daarvan als voldoende ingeburgerd worden beschouwd;
Degene die, na onderwijs te hebben gevolgd in de Nederlandse taal of de taal die daarnaast in Aruba gangbaar is, te weten Papiaments, en in het bezit is van een op wettelijke basis uitgereikt diploma of getuigschrift van afronding van een opleiding van wetenschappelijk onderwijs, hoger onderwijs, algemeen voortgezet onderwijs, beroepsonderwijs of leerlingwezen. De verzoeker die onderwijs heeft gevolgd in het Papiaments, is slechts volledig vrijgesteld van de naturalisatietoets als hij tevens heeft aangetoond dat hij in een vak Nederlandse taal is onderwezen en voor dat vak een voldoende heeft behaald (artikel 3, eerste lid onder b BNT).
(Dit is bijvoorbeeld het geval als iemand onderwijs heeft gevolgd in het kader van Educacion Profesional Basico (EPB). Deze opleiding is niet volledig in het Nederlands. Ten aanzien van het niveau Arbeidsmarkt is het Papiaments de instructietaal. Degene die EPB niveau Arbeidsmarkt heeft gevolgd moet dus ook een voldoende hebben voor het vak Nederlands.)
De verzoeker bezit dan bijvoorbeeld een:
getuigschrift Wetenschappelijk Onderwijs of Hoger beroepsonderwijs, uitgereikt op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
diploma voortgezet (middelbaar) onderwijs, uitgereikt op grond van de Wet op het voortgezet onderwijs;
diploma beroepsonderwijs, uitgereikt op grond van de Wet educatie beroepsonderwijs;
diploma leerlingwezen, uitgereikt op grond van de Wet educatie beroepsonderwijs of de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs;
diploma of getuigschrift, uitgereikt op een wettelijke basis anders dan een onderwijswet, nadat onderwijs in de Nederlandse taal of de Papiamentse taal is gevolgd;
Degene die in het bezit is van een diploma staatsexamen Nederlands als Tweede taal, programma I of II;
Degene die in het bezit is van een Certificaat Inburgering als bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de (voormalige) Wet inburgering nieuwkomers (WIN-certificaat). Het WIN-certificaat is alleen vrijstellend als zowel voor de vier taalonderdelen als voor het onderdeel Maatschappij Oriëntatie een voldoende resultaat is behaald. Hierbij is het volgende van belang:
De vier taalonderdelen
Voor elk van de onderdelen ‘Luisteren’, ‘Spreken’, ‘Lezen’ en ‘Schrijven’ moet ten minste minimaal niveau 2 van de eindtermen Referentiekader Nederlands als Tweede Taal zijn gehaald. Staat er, al is het maar één keer, ‘op weg naar 2’ (of een lager of helemaal geen niveau), dan is niet het vereiste niveau gehaald. De niveaus moeten in ieder geval zijn vermeld op de bij het WIN-certificaat over te leggen ROC-verklaring. De niveaus van de vier taalonderdelen kunnen ook nog op het WIN-certificaat zelf zijn vermeld. In dat laatste geval moeten de niveaus op de ROC-verklaring en op het WIN-certificaat exact hetzelfde zijn.
Het onderdeel Maatschappij Oriëntatie
Naast ten minste niveau 2 voor elk van de vier taalonderdelen moet voor het onderdeel Maatschappij Oriëntatie niveau 2 van de Kwaliteitsstructuur Educatie (KSE) zijn gehaald. Voor Maatschappij Oriëntatie kan een niveau zijn aangegeven, maar meestal wordt een scoringspercentage vermeld. De verzoeker moet dit altijd aantonen met de bij het WIN-certificaat behorende ROC-verklaring. Op het certificaat staat soms het niveau, soms het scoringspercentage, en soms is helemaal niets ingevuld.
Als op de onderliggende verklaring van het ROC geen niveau wordt vermeld voor het onderdeel Maatschappij Oriëntatie, maar wel een scoringspercentage, dan geldt het volgende. Niveau 2 KSE is in de periode tot en met 31 augustus 2001 behaald bij een percentage van 85 of hoger. Vanaf 1 september 2001 is niveau 2 KSE behaald bij een percentage van 80 of hoger. Omdat WIN-certificaten soms erg laat na de verklaring van het ROC zijn afgegeven, is de datum van de ROC-verklaring bepalend voor de vaststelling welk percentage moet zijn behaald om niveau 2 KSE te hebben gehaald.
Degene die beschikt over een beschikking van het College van Burgemeesters en Wethouders als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de (voormalige) Wet inburgering nieuwkomers. De verzoeker moet hiertoe de originele beschikking overleggen. In deze beschikking wordt ten aanzien van de verzoeker besloten het vaststellen van een inburgeringsprogramma achterwege te laten, omdat tijdens het inburgeringsonderzoek aannemelijk was geworden dat de verzoeker de kennis, het inzicht en de vaardigheden die hij door het deelnemen aan een inburgeringsprogramma zou kunnen verwerven, al in voldoende mate op een andere wijze heeft verworven (artikel 3, eerste lid, aanhef en onder e, BNT).
Degene die een toets als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de (voormalige) Wet inburgering nieuwkomers met goed gevolg heeft afgelegd, als gevolg waarvan hij beschikt over een besluit inhoudende dat de vaststelling van het inburgeringsprogramma achterwege wordt gelaten (artikel 3, eerst lid, aanhef en onder f, BNT).
Degene die beschikt over een beschikking van het College van Burgemeesters en Wethouders als bedoeld in artikel 3, derde lid, onder a, van de (voormalige) Wet inburgering nieuwkomers. De verzoeker moet hiertoe de originele beschikking overleggen. In deze beschikking wordt ten aanzien van de verzoeker vastgesteld dat hij wegens psychische of lichamelijke redenen voor onbepaalde duur is ontheven van de verplichting een inburgeringsprogramma te volgen (artikel 3, eerste lid, aanhef en onder g, BNT).
Degene die beschikt over een inburgeringsdiploma (alle onderdelen minimaal op niveau A2) als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de Wet inburgering, zoals dat luidde tot 1 januari 2013 of een diploma (alle onderdelen minimaal op niveau A2) als bedoeld in artikel 7, vierde lid, aanhef en onder g, van de Wet inburgering.
Degene die in het bezit is van het document dat wordt uitgereikt nadat de Korte Vrijstellingstoets, bedoeld in artikel 2.7 van het Besluit inburgering met goed gevolg is afgelegd, zoals die tot 1 januari 2013 gold. Hieruit moet blijken dat betrokkene niveau B1 van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde talen heeft gehaald.
Degene die tenminste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in het Europese deel van Nederland heeft verbleven. De leerplichtige leeftijd vangt aan op de eerste schooldag van de maand volgend op die waarin de leeftijd van vijf jaar is bereikt en eindigt aan het einde van het schooljaar waarin de leeftijd van 16 jaar is bereikt. Voor de onderhavige vrijstelling van de naturalisatietoets is het voldoende als wordt vastgesteld dat de verzoeker in de periode die is gelegen tussen zijn vijfde en zestiende verjaardag, ten minste acht jaar in Europees Nederland heeft gewoond. De verzoeker kan dit aantonen door een afschrift uit de BRP of een daaraan voorafgaande bevolkingsboekhouding (bijvoorbeeld het Vestigingsregister) waaruit blijkt dat hij ten minste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd woonachtig was in Europees Nederland.
Voor de toepassing van deze vrijstellingsgrond is niet vereist dat het hierbij om een ononderbroken inschrijving van acht jaar gaat; ook de betrokken persoon die tijdens de leerplichtige leeftijd bijvoorbeeld twee perioden van vier jaar ingeschreven was, is vrijgesteld. Ook is niet vereist dat het om legaal verblijf gaat.
Degene die in het bezit is van een diploma of getuigschrift, vergelijkbaar diploma of een ander document zoals genoemd onder punt 2, behaald in het Nederlandstalig onderwijs in België, mits een voldoende is behaald voor het vak Nederlands.
Degene die in het bezit is van een diploma of getuigschrift, vergelijkbaar diploma of een ander document zoals genoemd onder punt 2, behaald in het Nederlandstalig onderwijs in Suriname, mits een voldoende is behaald voor het vak Nederlands.
Degene die in het bezit is van het diploma van het Europees baccalaureaat van de Europese school (Trb. 1957, 246), voorzover dat baccalaureaat het vak Nederlands als eerste of tweede taal omvat en voor dat vak een voldoende is behaald.
Degene die in het bezit is van het getuigschrift International baccalaureaat Middle Years Certificate, International General Certificate of Secondary Education (IGCSE Certificaat) of International Baccalaureaat, als daartoe een cursus Engels-Nederlandstalig of een cursus Internationaal Baccalaureaat met daarin het vak Nederlands is gevolgd en voor het vak een voldoende is behaald. Bij het IGCSE Certificaat betekent de waardering A t/m G een voldoende voor het vak Nederlands. De vermelding Ungraded betekent een onvoldoende voor het vak Nederlands.
Degene die in het bezit is van het certificaat Naturalisatietoets als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van het Besluit naturalisatietoets, zoals dit luidde voor 1 april 2007. Hieruit moet blijken dat betrokkene is geslaagd voor de volgende vijf onderdelen: kennis van staatsinrichting en maatschappij; spreek-, luister-, schrijf- en leesvaardigheid.
Om voor bovengenoemde vrijstellingsgronden in aanmerking te komen, overlegt de verzoeker bij zijn verzoek om naturalisatie het originele diploma en in het geval vereist is dat voor het vak Nederlands een voldoende is behaald, een door de onderwijsinstelling gewaarmerkte cijferlijst waaruit blijkt dat een voldoende is behaald voor dat vak.
De verzoeker is zelf verantwoordelijk voor het verkrijgen van de documenten en, als van toepassing, voor de vertalingen, legalisatie of apostille van de stukken. Als de documenten zijn opgesteld in een andere taal dan het Nederlands of Engels dan moet de verzoeker zelf ervoor zorgen dat de stukken worden vertaald door een beëdigd vertaler. Deze vertaling moet gehecht zijn aan het originele (afschrift van het) document. De op dit moment geldige legalisatiecirculaire is van toepassing.
Voorafgaand aan het in behandeling nemen van het verzoek om naturalisatie beoordeelt de Gouverneur summier of het overgelegde document dat recht op vrijstelling kan geven origineel is, of de personalia overeenkomen met die van verzoeker en of de inhoud juist is. Als hij van oordeel is dat het document origineel is, de inhoud klopt en de personalia juist zijn, neemt hij deze stukken in ontvangst. Het verzoek om naturalisatie wordt op dat moment in behandeling genomen. De Gouverneur maakt een kopie van het document en voegt die met de gedateerde en door of namens hem ondertekende aantekening ‘kopie van origineel’ in het dossier. Het origineel geeft hij terug aan verzoeker. Hij stelt een advies op waarin hij de IND meedeelt dat de verzoeker naar zijn oordeel is vrijgesteld van de naturalisatietoets en stuurt het advies met de kopie van het overgelegde document mee aan de IND. In deze gevallen wordt uiteraard geen Certificaat Naturalisatietoets verlangd.
Als de Gouverneur in dit stadium twijfelt aan de echtheid van het overgelegde document of de juistheid van de personalia of de inhoud, deelt hij dit mee aan verzoeker en stelt hem ervan in kennis dat hij het document en de gegevens, ná het in behandeling nemen van het verzoek, nader zal onderzoeken. De Gouverneur neemt het verzoek – als de verzoeker dit nog steeds wenst in te dienen – wel in behandeling. Als de Gouverneur onmiddellijk vaststelt dat het overgelegde document niet origineel is of de personalia niet overeenkomen met die van de verzoeker, wordt hem ontraden een verzoek in te dienen. In dat geval wordt er conform deel 2.1.2 gehandeld.
In het geval de Gouverneur, ná het in behandeling nemen van het verzoek, de echtheid van het document of de juistheid van de gegevens op het overgelegde document nader wil onderzoeken, kan hij daarover het advies van het Examenbureau Aruba inwinnen. In dat geval wordt het originele document tijdelijk ingenomen. Als de Gouverneur tot de conclusie komt dat de gegevens op het document niet juist zijn of het document zelf niet authentiek is, neemt hij dat op in zijn advies. De eventuele verklaring van het Examenbureau Aruba en een kopie van het document zelf, worden aan de IND meegezonden. Als het contact met het Examenbureau Aruba leidt tot de vaststelling dat de gegevens juist zijn en het document echt is bevonden, maakt de Gouverneur een kopie van het door de verzoeker overgelegde document en voegt hij die kopie met de gedateerde en door of namens hem ondertekende aantekening ‘kopie van origineel’ in het dossier van verzoeker, met daarbij de aantekening over de visie van het Examenbureau Aruba. De Gouverneur stuurt het hele dossier door aan de IND. In zijn advies wordt opgenomen of de verzoeker naar zijn oordeel is vrijgesteld van de naturalisatietoets.
In het geval dat verzoeker slechts een kopie van de hierboven genoemde documenten kan overleggen, komt hij alleen in aanmerking voor vrijstelling als hij een recente verklaring van de leiding van het betrokken onderwijsinstituut overlegt waaruit blijkt dat de kopie overeenstemt met het door dat instituut afgegeven originele getuigschrift of diploma. In het geval van een overgelegde verklaring als hiervoor bedoeld, neemt de Gouverneur ter verificatie contact op met het instituut dat de verklaring heeft afgegeven. Als de Gouverneur tot de conclusie komt dat de kopie of de verklaring (of beide documenten) niet authentiek zijn, neemt hij dit op in zijn advies. Als het contact met het instituut waar de opleiding is gevolgd leidt tot de vaststelling dat de gegevens juist zijn en het document echt is, neemt de Gouverneur de kopie van het document en de begeleidende verklaring van het desbetreffende instituut op in het dossier. Het hele dossier stuurt hij door naar de IND. In het advies wordt nu ook opgenomen dat de verzoeker naar het oordeel van de Gouverneur is vrijgesteld van de naturalisatietoets. Wordt een dergelijke verklaring niet afgelegd, dan moet betrokkene alsnog de naturalisatietoets afleggen.
Artikel 3, derde lid BNT bepaalt dat bij ministeriële regeling kan worden voorzien in gedeeltelijke vrijstelling van de naturalisatietoets op grond van andere diploma’s of certificaten dan de hiervoor genoemde. Artikel 6 van de Regeling naturalisatietoets Aruba 2011 geeft hieraan uitwerking.
Van het afleggen van het deel dat de mate van kennis van de Nederlandse taal (deel III) toetst is vrijgesteld de verzoeker die beschikt over één van de volgende certificaten van het Certificaat Nederlands als Vreemde Taal:
Certificaat Maatschappelijk Informeel (niveau A2); dit certificaat kende tot 2015 de benaming Certificaat Profiel Toeristische en Informele Taalvaardigheid (niveau A2);
Certificaat Profiel Taalvaardigheid Praktische Beroepen (niveau A2); dit certificaat wordt sinds 2016 niet meer verstrekt;
Certificaat Maatschappelijk Formeel (niveau B1); dit certificaat kende tot 2015 de benaming Certificaat Profiel Maatschappelijke Taalvaardigheid (niveau B1);
Certificaat Zakelijk Professioneel (niveau B2); dit certificaat kende tot 2015 de benaming Certificaat Profiel Professionele Taalvaardigheid (niveau B2);
Certificaat Educatief Startbekwaam (niveau B2); dit certificaat kende tot 2015 de benaming Certificaat Profiel Taalvaardigheid Hoger Onderwijs (niveau B2);
Certificaat Educatief Professioneel (niveau C1); dit certificaat kende tot 2015 de benaming Certificaat Profiel Academische Taalvaardigheid (niveau C1).
Verzoekers om naturalisatie die na 1 januari 2011 een verzoek om naturalisatie indienen, kunnen al in het bezit zijn van een bewijs van slagen voor deel I (kennis van de staatsinrichting en maatschappij) of van het Certificaat Naturalisatietoets afgegeven vóór 1 januari 2011. Voor deze verzoekers gelden gedeeltelijke vrijstellingen. De volgende situaties kunnen zich voordoen:
Verzoeker is in het bezit van een Certificaat Naturalisatietoets Aruba uitgereikt vóór 1 januari 2011 en de toets is afgelegd in het Papiaments:
Deze verzoeker is vrijgesteld van het afleggen van het deel dat de kennis van de staatsinrichting en maatschappij (deel I) toetst. Vermeldt het Certificaat Naturalisatietoets Aruba van deze verzoeker dat de naturalisatietoets is afgelegd in het Papiaments dan is deze verzoeker naast deel I tevens vrijgesteld van het deel beheersing van het Papiaments (deel II). Deze verzoeker dient dus nog wel het deel beheersing van de Nederlandse taal (deel III) af te leggen.
Verzoeker is in het bezit van een Certificaat Naturalisatietoets Aruba uitgereikt vóór 1 januari 2011 en de toets is afgelegd in het Nederlands:
Deze verzoeker is vrijgesteld van het afleggen van het deel dat de kennis van de staatsinrichting en maatschappij (deel I) toetst.
Vermeldt het Certificaat Naturalisatietoets Aruba van deze verzoeker dat de naturalisatietoets is afgelegd in de Nederlandse taal dan is deze verzoeker naast deel I tevens vrijgesteld van het deel beheersing van de Nederlandse taal (deel III). Deze verzoeker dient dus nog wel het deel beheersing van het Papiaments (deel II) af te leggen.
Verzoeker is in het bezit van een bewijs van slagen voor deel I van de naturalisatietoets, afgelegd voor 1 januari 2011 en in het Papiaments:
Deze verzoeker is vrijgesteld van het afleggen van het deel dat de kennis van de staatsinrichting en maatschappij toetst (deel I). Deze verzoeker dient nog wel de delen II (beheersing van het Papiaments) en III (beheersing van het Nederlands) af te leggen.
Verzoeker is in het bezit van een bewijs van slagen voor deel I van de naturalisatietoets, afgelegd voor 1 januari 2011 en in het Nederlands:
Deze verzoeker is slechts tot 1 januari 2013 vrijgesteld van het afleggen van het deel dat de kennis van de staatsinrichting en maatschappij toetst (deel I). Ook deze verzoeker dient nog wel de delen II (beheersing van het Papiaments) en III (beheersing van het Nederlands) af te leggen.
De reden voor deze beperking in de tijd van een in het Nederlands behaald deel I is dat deze verzoeker strikt genomen niet voldoet aan de per 1 januari 2011 geldende eisen van de naturalisatietoets. Voor degenen die bij invoering van de eis, dat deel I in de taal van het land van inwoning wordt afgelegd, bezig zijn aan het examen is met deze maatregel een overgangsperiode ingevoerd.
Verzoeker is in het bezit van een bewijs van slagen voor deel I van de naturalisatietoets, afgelegd voor 1 januari 2011 in het Papiaments of het Nederlands en enkele taalvaardigheden van deel II:
Deze verzoeker kan na 1 januari 2011 zijn lopende taaltraject afmaken in de taal waarin hij dit traject gestart was d.w.z. de restende delen van de taal waarin hij bezig was afronden. Er geldt na 1 januari 2011 geen wachttermijn voor herkansingen meer. Deze verzoeker dient na 1 januari 2011 daarnaast nog wel voor het deel (II dan wel III) te slagen in de taal waarin hij nog geen toets heeft afgelegd.
Nadat de verzoeker, die recht heeft op een gedeeltelijke vrijstelling van de naturalisatietoets als bedoeld in paragraaf 2.2.1 en 2.2.2, geslaagd is voor het deel of de delen die hij nog wel moet afleggen, ontvangt hij van de directeur van de Directie Onderwijs in Aruba een Certificaat naturalisatietoets waarop is aangetekend welk deel of welke delen hij niet heeft afgelegd (artikel 9 Regeling naturalisatietoets Aruba 2011).Deze aantekening geschiedt alleen op verzoek van degene aan wie het Certificaat wordt afgegeven. De directeur van de Directie Onderwijs in Aruba treedt niet in een beoordeling of de verzoeker terecht afziet van het afleggen van een deel van de naturalisatietoets. Daarover oordeelt uiteindelijk immers de IND. De verzoeker overlegt bij de indiening van zijn verzoek om naturalisatie aan de Gouverneur dit Certificaat en de bewijsstukken op grond waarvan hij gedeeltelijke vrijstelling heeft.
Een naturalisatieverzoek wordt niet afgewezen wegens het niet behalen van de naturalisatietoets, als de verzoeker ten behoeve van Onze Minister heeft aangetoond dat:
de verzoeker door een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap, niet binnen vijf jaar in staat is de naturalisatietoets te behalen; of
het op grond van door de verzoeker geleverde inspanningen voor hem redelijkerwijs niet mogelijk is de naturalisatietoets te behalen (zie artikel 4 BNT).
Voor het toepassen van artikel 4 BNT moet de verzoeker aantonen dat:
hij door een lichamelijke of psychische belemmering dan wel een verstandelijke handicap, niet in staat is om binnen vijf jaar de naturalisatietoets te halen (paragraaf 2.3.1 / medische belemmering); of
het ondanks geleverde inspanningen voor hem redelijkerwijs niet mogelijk is om op niveau A2 van het Europees Raamwerk voor moderne vreemde talen te leren schrijven en lezen in het Latijnse schrift en derhalve de naturalisatietoets te halen (paragraaf 2.3.2/ geleverde inspanningen).
Relevante bepaling: Artikel 10 van de Regeling naturalisatietoets Aruba 2011.
De verzoeker om naturalisatie die aantoont dat hij een zodanige psychische of lichamelijke belemmering dan wel een zodanige verstandelijke handicap heeft, dat hij binnen vijf jaar niet in staat is de naturalisatietoets af te leggen, is ontheven van het afleggen van de naturalisatietoets.
Verzoeker is ontheven van de volledige toets (zie Stb. 2007, nr. 15, blz. 10), als hij fysiek niet in staat is om (een of meer delen van) de naturalisatietoets af te leggen en/of binnen vijf jaar te halen vanwege een:
medische belemmering (bijvoorbeeld doofheid, blindheid, spraakstoornis); of
geestelijke belemmering (bijvoorbeeld een psychische belemmering zoals schizofrenie dan wel een verstandelijk handicap zoals bijvoorbeeld een laag IQ).
Een beroep op deze ontheffingsmogelijkheid vangt alleen aan met een verwijzing van de verzoeker door de Gouverneur naar de aangewezen medisch adviseur. Voor een medisch advies dat de belemmering of handicap aantoont, kan de naturalisatieverzoeker alleen terecht bij de door de Gouverneur aangewezen adviserende instantie.
De aanwijzing van de adviserende instantie, die adviseert over het al dan niet bestaan van een psychische of lichamelijke belemmering dan wel over een verstandelijke handicap, is bekendgemaakt in de Landscourant van Aruba van 4 maart 2011.
Als de medisch adviseur van oordeel is dat sprake is van een medische belemmering of verstandelijke handicap, legt hij dit vast in een medisch advies. Het advies wordt door de medisch adviseur rechtstreeks naar betrokkene gestuurd. Het medisch advies is als model 2.26 opgenomen in de Handleiding. In het advies dienen de volgende gegevens ingevuld te zijn: persoonlijke gegevens van betrokkene, de naam van de medische adviseur, onderzoeksactiviteiten, probleemanalyse, conclusie en advies. Medische adviezen opgemaakt anders dan conform dit model, dan wel onvolledige adviezen, worden niet geaccepteerd.
De verzoeker overlegt dit advies bij de indiening van zijn verzoek om naturalisatie. Het advies mag bij de indiening van het verzoek om naturalisatie niet ouder zijn dan zes maanden.
In de voorlichtende sfeer wijst de Gouverneur betrokkene op het feit dat het medisch advies afkomstig moet zijn van de daarvoor aangewezen medisch adviseur.
De Gouverneur kan zonder nadere inhoudelijke controle afgaan op het medisch advies, en op het adviesblad naturalisatie bij ‘inburgering’ aantekenen dat ontheffing van het examen wordt geadviseerd. Mocht het advies niet conform het advies (model 2.26) of onvolledig zijn, dan adviseert de Gouverneur betrokkene een nieuw advies te krijgen. Wenst betrokkene toch een verzoek om naturalisatie in te dienen, onder overlegging van een advies dat onvolledig of onduidelijk is, dan wordt op het adviesblad naturalisatie bij inburgering ‘niet akkoord’ aangetekend. Overleg met de IND over overgelegde adviezen is voor de Gouverneur altijd mogelijk.
Relevante bepaling: Artikel 11 van de Regeling naturalisatietoets Aruba 2011.
Het gaat hier alleen om een verzoeker:
die in Aruba in de drie jaar voorafgaand aan dit beroep op geleverde inspanningen ten minste 600 uur heeft deelgenomen aan een taalcursus Papiaments en op die wijze heeft geprobeerd te leren lezen en schrijven in het Latijnse schrift; en
van wie, gezien zijn leeftijd en overige omstandigheden, in een gesprek bij het Examenbureau Aruba is beoordeeld dat niet kan worden verwacht dat hij (nog) Papiaments leert lezen en schrijven op niveau A2 van het Europees Raamwerk voor moderne vreemde talen. Is betrokkene 65 jaar of ouder dan blijft het gesprek achterwege.
Let op! De voorwaarden 1 en 2 worden hier direct onder nader toegelicht. Voorwaarde 3 wordt nader toegelicht in paragraaf 2.3.2.3 'Rol van en procedure bij het Examenbureau Aruba'.
Betrokkene is ontheven van de volledige naturalisatietoets (zie Stb. 2007, nr. 15, blz. 10).
Iemand is ‘niet-gealfabetiseerd’ in het kader van de naturalisatietoets als hij zijn eigen taal niet heeft leren schrijven en lezen omdat hij in zijn herkomstland niet naar school is geweest of de laagste schoolopleiding daar niet heeft volgemaakt. Het laatste wordt aangenomen als iemand voor of op zijn twaalfde jaar van school is gegaan. Met de laagste schoolopleiding is het basisonderwijs van een land bedoeld.
Beheerst iemand wel het schrift van zijn eigen taal (bijvoorbeeld betrokkene kan Arabisch, Chinees of Urdu schrijven), maar beheerst hij niet het Latijnse schrift, dan kan hij niet als ‘niet-gealfabetiseerd’ worden beschouwd. Betrokkene beheerst immers de kunst van het schrijven. Onderwijsdeskundigen spreken in dat geval van ‘anders’ gealfabetiseerd zijn.
Een verzoeker die ‘anders’ gealfabetiseerd is, kan geen ontheffing krijgen van de naturalisatietoets. Er hoeft dan ook geen gesprek plaats te vinden naar het vermogen van deze verzoeker om het Papiaments nog op het niveau voor de naturalisatietoets te leren lezen en schrijven, want betrokkene komt niet in aanmerking voor deze regeling.
Heeft iemand in zijn eigen land niet de aldaar gebruikelijke basisopleiding (lagere school) afgerond, dan wordt hij in het kader van de naturalisatietoets als niet-gealfabetiseerd beschouwd. Om die reden verklaart betrokkene op model 2.27 dat hij in het herkomstland (of het land/de landen waar hij woonde tussen zijn zesde en dertiende jaar) niet naar school is geweest dan wel voor zijn dertiende van school te zijn gegaan.
Onder deze omstandigheden moet een ‘beperkt leervermogen’ in de zin van ‘beperkte studievaardigheden als gevolg van gebrek aan educatie’ worden verondersteld. Iemand die nooit geleerd heeft om ‘te leren’ bezit, in deze context, een ‘beperkt leervermogen’. Mogelijkerwijs kan betrokkene enigszins in zijn eigen taal en (al dan niet) in het Papiaments en/of het Nederlands enige woorden lezen en schrijven, toch is betrokkene te beschouwen als niet-gealfabetiseerd. Van een ieder die op model 2.27 aangeeft dat hij tussen zijn zesde en dertiende jaar in het herkomstland in het geheel niet naar school is geweest of dat hij voor zijn dertiende van school is gegaan, wordt als uitgangspunt aangenomen dat hij in zijn eigen taal niet kan lezen en schrijven. Betrokkene hoeft hiervoor geen stukken te overleggen.
Let op! Mogelijk is de verzoeker tijdens de jeugd niet of kort naar school zijn geweest, als gevolg van een nog steeds voortdurende psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap. In dat geval dient betrokkene een beroep te doen op een medische belemmering, zoals bedoeld in artikel 10 van de Regeling naturalisatietoets Aruba 2011.
De eigen verklaring van ongeletterdheid door betrokkene moet natuurlijk wel stroken met de dagelijkse activiteit van betrokkene en daarnaar zal dan ook worden gevraagd. De vraag of het aannemelijk is dat een ongeletterde een goede invulling kan geven aan het type verblijfsrecht dat betrokkene heeft, komt ook aan de orde. Alleen als aannemelijk is dat betrokkene in het dagelijkse leven functioneert zonder daarbij te hoeven lezen en schrijven wordt model 2.27 ingevuld.
Blijkt evenwel later toch dat betrokkene in een eerdere procedure anders heeft verklaard of indien anderszins blijkt dat betrokkene toch niet voldeed aan de hierboven vermelde beleidscriteria, dan wordt bij de beslissing op het verzoek om naturalisatie gemotiveerd van het advies van het Examenbureau Aruba afgeweken. Ook bestaat tot twaalf jaar na de naturalisatie de mogelijkheid om op grond van artikel 14, 1 RWN het Nederlanderschap in te trekken.
Betrokkene moet bij de Gouverneur aan de hand van certificaten of verklaringen van (bij voorkeur onderwijs-)instellingen aantonen dat hij zich heeft ingespannen om gealfabetiseerd in het Latijnse schrift te raken. Het moet wel ten minste gaan om één of meer leergangen of cursussen Papiaments (inclusief lezen en schrijven) in georganiseerd verband, bij voorkeur bij een onderwijsinstelling, maar het kan ook gaan om welzijnswerk, een cursus bij of via het arbeidsbureau of een cursus bij buurt- of clubhuis.
Alleen als betrokkene aantoont dat hij/zij in de drie voorafgaande jaren één of meer leergangen of cursussen heeft gevolgd, wordt model 2.27 ingevuld. Uit de stukken moet tevens blijken dat het gaat om ten minste in totaal 600 les- en leeruren taalcursus Papiaments. Het aantal uren dat een leergang of cursus bevat, staat vaak in het onderwijsmateriaal van de cursusinstelling. De stukken die betrokkene hiervoor overlegt, worden later bij het naturalisatieverzoek gevoegd.
Er is gekozen voor een periode van drie jaren voorafgaande aan het moment waarop model 2.27 wordt ingevuld voor de vraag, wanneer de te leveren inspanning van ten minste 600 uur deelname aan een alfabetiseringscursus moet hebben plaatsgehad. Daarmee is niet gezegd dat in ieder van die drie jaar een of meer alfabetiseringsuren moeten zijn gevolgd. De ten minste 600 uren kunnen ook in het jaar van of direct voorafgaande aan het invullen van model 2.27 zijn volgemaakt. De reden voor het stellen van deze voorwaarde is dat in het geval van een alfabetiseringspoging van langer dan drie jaar geleden het niet plausibel is dat aan de alfabetisering is gewerkt met het oog op het kunnen halen van de naturalisatietoets en het daarmee op reguliere wijze kunnen voldoen aan een wettelijke voorwaarde tot naturalisatie. Onder die omstandigheid ontbreekt het directe verband tussen de (ooit) geleverde inspanning en de naturalisatietoets, zoals deze is bedoeld in artikel 4, eerste lid en onder b BNT.
Sprake moet zijn van ten minste 600 uur deelname aan een alfabetiseringscursus in de taal die op het eiland van hoofdverblijf gangbaar is. Ook om beter in de samenleving te kunnen functioneren, mag worden verwacht dat de alfabetiseringscursus in het Papiaments zal worden gevolgd. Het volgen van een eventuele alfabetiseringscursus in het Nederlands, een taal die in het dagelijkse leven en de samenleving niet wordt gesproken of gelezen, betekent een keuze die minder snel zal leiden naar het op A2 kunnen lezen en schrijven van een van de talen van de naturalisatietoets. Om te kunnen spreken van een serieuze inspanning om toch te kunnen voldoen aan de naturalisatietoets moet daarom sprake zijn van een inspanning tot het leren lezen en schrijven in de in de taal die op het eiland van hoofdverblijf gangbaar is.
De in paragraaf 2.3.2.1 genoemde voorwaarden zijn relevant op het moment dat bij de Gouverneur tezamen met betrokkene moet worden bezien of model 2.27 moet worden ingevuld.
Een beroep op deze ontheffingsmogelijkheid vangt alleen aan met een bij de Gouverneur ingevuld model 2.27. Model 2.27 wordt bij de Gouverneur ingevuld en door betrokkene ondertekend.
Bij het invullen van model 2.27 komt aan de orde:
De vraag of betrokkene in het herkomstland (of het land/de landen waar hij woonde voor de vestiging in Aruba) niet naar school is geweest dan wel voor zijn dertiende jaar van school is gegaan;
Hoe hij/zij zich ondanks dat beweegt en functioneert in de Arubaanse samenleving, welke maatschappelijke positie betrokkene daarin heeft, of zijn ongeletterdheid in overeenstemming kan zijn met zijn verblijfsrecht, rijdt betrokkene zelf auto? Hoe heeft hij zijn rijbewijs gehaald en hoe leest hij geschreven verkeersborden? Etc.;
De geleverde inspanning in de afgelopen drie jaar om het Latijnse schrift (beter) te leren lezen en schrijven en de overgelegde bewijsstukken daarvan.
Als niet is aan te nemen dat betrokkene voldoet aan de hiervoor bij Ad1 en Ad2 gestelde beleidscriteria en/of betrokkene kan niet bewijzen dat hij aan zijn cursusverplichting heeft voldaan, dan wordt model 2.27 niet verstrekt.
Is betrokkene 65 jaar of ouder en voldoet hij aan de beleidsregels om model 2.27 naar juistheid in te vullen, dan wordt dat model ingevuld. Met de bewijsstukken erbij dat betrokkene in Aruba in de drie jaar voorafgaand aan dit beroep op geleverde inspanningen ten minste 600 uur heeft deelgenomen aan een taalcursus Papiaments en op die wijze heeft geprobeerd te leren lezen en schrijven in het Latijnse schrift kan het naturalisatieverzoek worden ingediend. Een advies van het Examenbureau Aruba blijft in dat geval achterwege. De reden hiervoor is dat mag worden aangenomen dat onder deze omstandigheden en bij deze leeftijd het advies van het Examenbureau Aruba altijd zal luiden dat betrokkene niet voldoende leervermogen bezit om nog het Papiaments op niveau A2 van het Europees Raamwerk voor moderne vreemde talen te leren schrijven en lezen en derhalve niet in staat moet worden geacht de naturalisatietoets in Aruba te kunnen halen. De Gouverneur kan op het adviesblad naturalisatie bij ‘inburgering’ aantekenen: ontheffing naturalisatietoets wegens ongeletterdheid, leeftijd en aantoonbaar geleverde inspanningen.
Het Examenbureau Aruba is aangewezen om te adviseren over ontheffing als een verzoeker zich beroept op geleverde inspanningen als bedoeld in artikel 4, eerste lid onder b, BNT (artikel 11 Regeling naturalisatietoets Aruba 2011).
Met het ingevulde model 2.27 meldt betrokkene (die jonger is dan 65 jaar) zich binnen een jaar bij het Examenbureau Aruba voor een gesprek over zijn leervermogen (studievaardigheden). Komt betrokkene later dan dat jaar, dan is model 2.27 niet meer geldig.
Een ingevuld model 2.27 betekent voor het Examenbureau Aruba dat het hier gaat om iemand die niet-gealfabetiseerd is in zijn eigen taal/schrift en die in Aruba ten minste in de drie jaar voorafgaand aan dit beroep op geleverde inspanningen heeft geprobeerd te leren lezen en schrijven in het Latijnse schrift.
Naar deze twee aspecten doet Examenbureau Aruba dan ook geen onderzoek. Wel houdt het Examenbureau Aruba met betrokkene een gesprek. Aan de hand van dit gesprek wordt ingeschat of betrokkene (ondanks alles) toch het leervermogen (studievaardigheden) bezit om nog op het niveau voor de naturalisatietoets te leren lezen en schrijven in het Papiaments. Indien gewenst kan het te houden gesprek plaats vinden door of in samenwerking met een in volwassene-educatie en alfabetisering gespecialiseerde organisatie.
Beleidsregel 3 luidt: ‘van wie, gezien zijn leeftijd en overige omstandigheden, in een gesprek bij het Examenbureau Aruba is beoordeeld dat niet kan worden verwacht dat hij (nog) Papiaments leert lezen en schrijven op niveau A2 van het Europees Raamwerk voor moderne vreemde talen’.
De vormgeving van het gesprek met de vreemdeling is niet nader bepaald. Dit betekent dat naast aanwezigheid van een medewerker die betrokken is bij het examineren van de naturalisatietoets het mogelijk is om bijvoorbeeld een psycholoog of een deskundige in volwasseneneducatie en/of alfabetiseringsvraagstukken te betrekken. In de situatie dat de betrokken specialisten kosten in rekening brengen voor hun werkzaamheden komen deze kosten voor rekening van de vreemdeling.
In het gesprek moet worden onderzocht of van betrokkene nog kan worden verwacht dat hij nog leert lezen en schrijven in het Latijnse schrift op een niveau, dat het halen van een taalexamen Papiaments op taalbeheersingsniveau A2 van het Europees Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen mogelijk maakt.
Minimaal 30, maximaal 60 minuten.
In de afweging om te komen tot een advies voor de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid worden in ieder geval betrokken:
de leeftijd van betrokkene;
de leeftijd waarop betrokkene in Aruba is komen wonen;
de tijdsduur dat betrokkene inmiddels in Aruba woont;
de afstand die betrokkene naar inschatting nog moet overbruggen om op A2 niveau te leren lezen en schrijven in het Latijnse schrift.
Daarnaast kan aan andere aspecten worden gedacht, zoals de fysieke gezondheid van betrokkene, diens verdere leefomstandigheden en indien van toepassing of er een deskundigenoordeel is.
Let op! Niet in de afweging hoort thuis dat dat de vreemdeling wegens een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap ontheven zou moeten zijn van de naturalisatietoets. In het geval van een beroep door een vreemdeling om wegens een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap te zijn ontheven, heeft het Examenbureau géén rol. Dat geldt ook voor het geval dat de reden voor het tijdens de jeugd niet of kort naar school zijn geweest, werd veroorzaakt door de psychische of lichamelijke belemmering, dan wel het verstandelijke handicap.
Na het gesprek stelt het Examenbureau Aruba een advies op voor de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Er zijn twee adviesmogelijkheden [A) of B)]:
Advies ontheffing te verlenen op grond van artikel 4, eerste lid en onder b Besluit naturalisatietoets van de naturalisatietoets in Aruba.
mogelijke standaard vormgeving daarbij:
Dit advies is tot stand gekomen aan de hand van een gesprek op datum met naam vreemdeling.
Uit het gesprek moet worden geconcludeerd dat betrokkene onvoldoende studievaardigheden bezit om nog het Latijnse schrift te leren schrijven en lezen en derhalve niet in staat moet worden geacht de naturalisatietoets in Aruba te halen.
Toelichting van het advies: een uitgeschreven motivering van het advies is noodzakelijk.
Advies geen ontheffing op grond van artikel 4, eerste lid en onder b Besluit naturalisatietoets te verlenen van de naturalisatietoets in Aruba.
mogelijke standaard vormgeving daarbij:
Dit advies is tot stand gekomen aan de hand van een gesprek op datum met naam vreemdeling.
Uit het gesprek moet worden geconcludeerd dat betrokkene voldoende studievaardigheden bezit om nog het Latijnse schrift te leren schrijven en lezen en derhalve in staat moet worden geacht op enig moment de naturalisatietoets in Aruba te halen.
Toelichting van het advies: een uitgeschreven motivering van het advies is noodzakelijk.
Een advies A) kan betrokkene gebruiken in zijn te starten naturalisatieprocedure. Ontvangt betrokkene advies B) dan krijgt hij geen ontheffing van de naturalisatietoets.
Het origineel van het advies geeft het Examenbureau aan de vreemdeling. Een kopie van het advies stuurt het Examenbureau per mail aan het Kabinet van de Gouverneur en het Examenbureau bewaart de verstuurde mail.
Naast het in zijn bezit hebben van een door de wet bepaalde mate van kennis van de Nederlandse en van de Papiamentse taal, staatsinrichting en maatschappij dient de verzoeker die in aanmerking wil komen voor naturalisatie zich te hebben doen opnemen in de Arubaanse samenleving. Deze voorwaarde wordt onder andere getoetst aan de hand van een monogaam huwelijk.
Voor wat betreft polygamie (of bigamie) kan worden opgemerkt dat er sprake is van opneming in de Arubaanse samenleving wanneer verzoeker zijn situatie in overeenstemming heeft gebracht met de in Aruba geldende rechtsbeginselen, waaronder dat van monogamie.
Het rechtsbeginsel van monogamie komt onder andere tot uiting in artikel 1:33 BW-A en artikel 1:69 BW-A. Deze artikelen bepalen respectievelijk dat een man slechts met een vrouw, de vrouw slechts met een man kan zijn gehuwd en dat een polygaam huwelijk nietig kan worden verklaard. Het beginsel van monogamie komt ook tot uitdrukking in artikel 10:28 BW-NL die in Aruba niet van toepassing is. Dit artikel verbiedt het voltrekken van een polygaam huwelijk in Europees Nederland voor zowel Nederlanders als vreemdelingen.
De Arubaanse openbare orde verzet zich dan ook tegen het voortbestaan of het aangaan van een polygaam huwelijk van een vreemdeling op het moment waarop deze het Nederlanderschap heeft verkregen. Onder inburgering valt dus ook dat verzoeker slechts met een één persoon door het huwelijk verbonden kan zijn. Dit kan ook een in Europees Nederland gesloten huwelijk zijn tussen personen van gelijk geslacht.
Als een verzoeker zich niet wenst te conformeren aan de in de Aruba geldende fundamentele rechtsbeginselen, is hij eigenlijk niet voldoende ingeburgerd. Bovendien is zijn situatie dan niet in overeenstemming met de Arubaanse civielrechtelijke openbare (rechts)orde (zie bij artikel 6 en 9 RWN).
De vraag of een verzoeker monogaam is, doet zich het meest voor bij personen afkomstig uit islamitische landen die polygamie kennen, evenals huwelijksontbinding door verstoting. Zie voor een overzicht van landen met een indicatie van de mogelijkheid van polygamie en verstoting: bijlage 1 bij paragraaf 2.2 bij de toelichting op artikel 6, vierde lid RWN.
Artikel 10:28 BW-NL geeft onder meer aan dat een in het buitenland uitgesproken verstoting in Europees Nederland slechts dan als een rechtsgeldige ontbinding van het huwelijk wordt aangemerkt, eerst dan naar Europees Nederlands recht erkend kan worden, als de verstoting onherroepelijk is en de vrouw hiermee (uitdrukkelijk of stilzwijgend) heeft ingestemd of zich erbij heeft neergelegd, door middel van bijvoorbeeld een bewijs van verstotingshandeling (waaruit de instemming van de vrouw kan worden afgeleid), een bewijs van instemming of berusting, een bewijs dat de ex-echtgenote hertrouwd is of een huwelijksakte van de man betreffende een huwelijk gesloten ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand in Europees Nederland. Als bewijs dat een polygaam huwelijk niet meer in stand is geldt uiteraard ook de overlijdensakte van de verstoten vrouw. Verstotingen van vóór de inwerkingtreding van artikel 10:27 BW-NL tot en met 10:53 BW-NL worden analoog behandeld.
Als verzoeker de nationaliteit bezit van een land waar polygamie mogelijk is, zal de Gouverneur aan de hand van de gegevens in de PIVA nagaan of er sprake is (geweest) van eerdere huwelijken. Als uit de PIVA blijkt dat sprake is (geweest) van eerdere huwelijken zal onderzocht moeten worden of de ontbinding van het huwelijk naar Arubaans recht kan worden erkend. Het ligt op de weg van de verzoeker om aan de hand van documenten aan te tonen dat een eerdere echtgenote heeft ingestemd met de verstoting. Zo is de omstandigheid dat de verstoting lang geleden heeft plaatsgevonden geen reden om aan te nemen dat de vrouw stilzwijgend heeft ingestemd met de verstoting. De Gouverneur zal bij de indiening van het verzoek aan een verzoeker als hier bedoeld vragen of er nog sprake is van eerdere huwelijken die niet in de PIVA zijn opgenomen (zie model 2.1 HRWN-A). Als dat het geval is zal aan de hand van de door verzoeker overlegde documenten onderzocht moeten worden of dat huwelijk is ontbonden op een naar Arubaans recht erkende wijze.
Bij de behandeling van een verzoek om naturalisatie worden moeilijkheden ondervonden die vaak verband houden met de beoordeling door ambtenaren van de PIVA van buitenlandse verstotingsakten. Het blijkt namelijk dat bij de inschrijving in de PIVA van eenzijdige verstotingen, in het verleden veelal is nagelaten na te gaan of de vrouw met de verstoting heeft ingestemd dan wel zich daarbij heeft neergelegd. De omstandigheid dat een verstoting in de PIVA staat ingeschreven als ontbinding van een huwelijk levert dan ook geen bewijs op dat de verstoting rechtsgeldig tot stand is gekomen. Dit kan tot gevolg hebben dat de ongeldigheid van een verstoting jaren na inschrijving alsnog aan de betrokken persoon wordt tegengeworpen. Het kan dan voor hem moeilijk zijn na zo lange tijd nog een bewijs van de berusting van de vrouw te verkrijgen.
Mede teneinde een adequate afhandeling van verzoeken tot naturalisatie te bevorderen, moeten de ambtenaren van de PIVA steeds de geldigheid van een eenzijdige verstoting aan de hand van de door de wet gestelde criteria te toetsen. Daartoe worden hier enige richtlijnen gegeven.
Op 1 januari 2012 is de Wet conflictenrecht echtscheiding (WCE), die niet van toepassing is in Aruba, vervallen. Vanaf die datum is in Europees Nederland artikel 10:54 BW-NL tot en met artikel 10:59 BW-NL van toepassing. Op grond van artikel 10:58 BW-NL wordt een ontbinding van het huwelijk die uitsluitend door een eenzijdige verklaring van één van de echtgenoten tot stand is gekomen in Europees Nederland erkend als:
er conform het nationale recht van één van de echtgenoten, een verstotingsakte is opgemaakt in het land van herkomst of een ander land dat de verstoting kent. De verstotingsakte mag niet zijn opgemaakt door het consulaat van het land van herkomst in Europees Nederland. Is dit het geval, dan is geen geldige verstoting tot stand gekomen. Verklaart het consulaat dat een akte in het land van herkomst is opgemaakt, dan is dit onvoldoende bewijs; én
de ontbinding ter plaatse waar zij geschiedde rechtsgevolgen heeft; met andere woorden de verstoting moet onherroepelijk zijn, hetgeen moet zijn aangetoond met stukken van – bijvoorbeeld – een rechtbank (Marokko); én
de andere echtgenoot uitdrukkelijk of stilzwijgend heeft ingestemd met de verstoting of zich erbij heeft neergelegd. Dit blijkt slechts in incidentele gevallen uit de verstotingsakte.
De instemming of berusting van de vrouw kan wel worden afgeleid uit onder meer de volgende omstandigheden:
de vrouw heeft zelf om inschrijving van de verstotingsakte in de PIVA gevraagd, of zij heeft verzocht om op haar Nederlandse huwelijksakte een latere vermelding betreffende de huwelijksontbinding te plaatsen;
de vrouw is blijkens een huwelijksakte – of een ander officieel document – hertrouwd. Let op! Een islamitische vrouw mag zelf geen polygaam huwelijk aangaan;
uit de vrouw zijn na de verstoting natuurlijke kinderen geboren, hetgeen blijkt uit het feit dat deze kinderen in de buitenlandse geboorteakte onder haar naam, althans niet onder de naam van de gewezen echtgenoot, staan vermeld;
de vrouw heeft een authentieke akte overgelegd, waaruit blijkt dat zij instemt met de verstoting. De handtekening van de vrouw moet zijn gelegaliseerd door een autoriteit van het land waar de vrouw de verklaring heeft afgelegd (eventueel kan – ter vergelijking met de handtekening op de verklaring van instemming – een kopie van de handtekening van de vrouw in haar paspoort worden meegestuurd). Een verklaring van de vrouw dat zij op de hoogte is van de verstoting is in dit verband overigens onvoldoende;
de man is hertrouwd ten overstaan van een Nederlandse ambtenaar van de burgerlijke stand. In dit geval wordt ervan uitgegaan dat die ambtenaar de verstoting op geldige grond heeft erkend;
de verstotingsakte vermeldt dat de vrouw om verstoting heeft verzocht én voor die verstoting is een vergoeding (‘khul’) aan de man toegezegd. Die vergoeding kan bijvoorbeeld blijken uit de omstandigheid dat zij afstand heeft gedaan van bepaalde rechten die zij gewoonlijk na de verstoting heeft, zoals het recht op betaling van het restant van de bruidsgift (‘mahr’ of ‘sadaq’ geheten), het recht op alimentatie, zij kan de feitelijke zorg voor de kinderen aan de man hebben overgedragen, zij kan ook verplichtingen op zich hebben genomen, zoals de betaling van het onderhoud van de kinderen. In geval van een ‘khul’ is de verstoting steeds onherroepelijk;
de verstotingsakte vermeldt dat de vrouw, optredend als vertegenwoordiger van de man, zichzelf verstoot.
De hierboven gegeven criteria zijn uiteraard vatbaar voor rechterlijke toetsing. De hierboven genoemde lijst van omstandigheden, waaruit de instemming of de berusting blijkt, is niet limitatief. Er kunnen andere feitelijke omstandigheden zijn die er mede op wijzen dat de vrouw zich bij de verstoting heeft neergelegd.
Met betrekking tot de in deze paragraaf genoemde buitenlandse documenten geldt ook hier dat deze pas na legalisatie (en eventueel inhoudelijke verificatie) of voorzien van een apostille in het Nederlands rechtsverkeer kunnen worden gebruikt en geaccepteerd (zie toelichting op artikel 7 RWN, paragraaf 3.5.3 en 3.5.4).
Inburgering veronderstelt in algemene zin een zekere aanvaarding van de Arubaanse samenleving.
Inburgering wordt met name getoetst aan de hand van de naturalisatietoets en het vereiste van een monogaam huwelijk. Als verzoeker aan deze voorwaarden voldoet, wordt in beginsel aangenomen dat hij de Arubaanse rechtsorde in algemene zin heeft aanvaard.
Echter, indien duidelijk blijkt dat verzoeker zich buiten deze vereisten om opzettelijk afzijdig houdt van – of afzet tegen – alles wat Arubaans is of op Aruba betrekking heeft, of bijvoorbeeld weigert zijn kinderen naar school te laten gaan, zal hij niet kunnen worden beschouwd als te zijn opgenomen in de Arubaanse samenleving en zal zijn verzoek om naturalisatie worden afgewezen. Gedacht wordt hier bijvoorbeeld ook aan het doen van uitlatingen die zich richten tegen de democratische rechtsorde of oproepen tot feitelijk handelen in strijd met de geldende wet- en regelgeving, of die een gevaar opleveren voor de goede betrekkingen van Aruba met andere mogendheden. Er moeten in het geval van weigering tot opneming dus omstandigheden zijn die blijk geven van onvoldoende inburgering, van contra-indicaties als het ware.
Een Colombiaanse vrouw die in 1981 is gehuwd met een Nederlandse man, sindsdien in Aruba woont en op grond van dit huwelijk over een geldige verblijfstitel beschikt, wil een verzoek om naturalisatie indienen. Zij is bereid de naturalisatietoets af te leggen. Wat dient haar geadviseerd te worden?
Beslissing: De Colombiaanse vrouw komt in beginsel in aanmerking voor de verkrijging van het Nederlanderschap door optie ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g, RWN. Zij hoeft niet te voldoen aan de voorwaarde van inburgering die de wetgever onder verlening van het Nederlanderschap beschrijft en hoeft dientengevolge ook geen naturalisatietoets af te leggen. Overigens staat het haar vrij de toets toch te doen. Voor de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap door optie speelt de toets echter geen rol.
Kent polygamie
Polygamie alleen voor moslims
Kent geen polygamie
Polygamie onbekend
Verstoting (talaq) mogelijk
Geen verstoting
Verstoting onbekend
Afghanistan
x
x
Algerije
x
x
Bahrein
x
x
Bangladesh
x
x
Benin
x
x
Botswana
x
x
Brunei
x
x
Burkina Faso
x
x
Centraal Afrikaanse Republiek
x
x
China
x
x
Congo (Brazzaville)
x
x
Djibouti
x
x
Egypte
x
x
Equatoriaal Guinea
x
x
Eritrea
x
x
Ethiopië
x
x
Gabon
x
x
Gambia
x
x
Ghana
x
x
Guinee (Conakry)
x
x
Guinee Bissau
x
x
India
x
x
Indonesië
x
x
Irak
x
x
Iran
x
x
Israel
x
x
Ivoorkust
x
x
Jemen
x
x
Jordanië
x
x
Kameroen
x
x
Kenia
x
x
Koeweit
x
x
Libanon
x
x
Liberia
x
x
Libië
x
x
Maleisië
x
x
Malediven
x
x
Mali
x
x
Marokko
x
x
Mauritanië
x
x
Mongolië
x
x
Myanmar
x
x
Niger
x
x
Nigeria
x
x
Oeganda
x
x
Oman
x
x
Pakistan
x
x
Palestijnse gebieden (West-bank en Gaza)
x
x
Qatar
x
x
Rusland
x
x
Saudi-Arabië
x
x
Senegal
x
x
Sierra Leone
x
x
Singapore
x
x
Soedan
x
x
Somalië
x
x
Sri Lanka
x
x
Suriname
x
x
Syrië
x
x
Tanzania
x
x
Tsjaad
x
x
Tunesië
x
x
Turkije
x
x
Ver. Arab. Emiraten
x
x
Zambia
x
x
Zuid-Afrika
x
x
Zuid-Soedan
x
x
Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker die verklaart bereid te zijn bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen. Het besluit tot verlening wordt niet bekend gemaakt dan nadat de verklaring daadwerkelijk is afgelegd.
Met ingang van 1 maart 2009 is de verklaring van verbondenheid een nieuwe voorwaarde voor verkrijging van het Nederlanderschap door naturalisatie en een verplicht onderdeel van de naturalisatieceremonie. Niet alleen is het ondertekenen van de bereidverklaring bij de indiening van het verzoek om naturalisatie een vereiste voor het verkrijgen van het Nederlanderschap, maar ook het daadwerkelijk afleggen van deze verklaring. De eis om een bereidverklaring te ondertekenen en vervolgens de verklaring van verbondenheid af te leggen, geldt alleen als het verzoek om naturalisatie op of ná 1 maart 2009 wordt ingediend. Het Nederlanderschap wordt niet verkregen indien de verklaring van verbondenheid niet wordt afgelegd.109Zie ook toelichting bij artikel 60b, derde lid, BVVN en artikel 2, vijfde lid, artikel 6, tweede lid , artikel 11, vierde en vijfde lid, artikel 23, artikel 26 en artikel 28 RWN.
De verplichting tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid rust op de meerderjarige naturalisandus. Daarnaast geldt de verplichting tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid ook voor de minderjarige die zelfstandig een verzoek om naturalisatie op grond van artikel 11, vierde lid, RWN indient en ten tijde van de indiening zestien jaar of ouder is. Medenaturalisandi van zestien of zeventien jaar (artikel 11, derde lid, RWN) zijn niet verplicht om de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid af te leggen, dit is nog niet geregeld door de wetgever. Hier wordt op termijn door de wetgever in voorzien.
Vanaf 1 maart 2009 moet zowel de meerderjarige naturalisandus als de minderjarige die een verzoek om naturalisatie op grond van artikel 11, vierde lid, RWN indient en ten tijde van de indiening van dat verzoek zestien jaar of ouder is, zich bij de indiening van het verzoek om naturalisatie bereid verklaren de verklaring van verbondenheid af te leggen bij de bekendmaking van het naturalisatiebesluit.
Betrokkene verklaart bereid te zijn de verklaring van verbondenheid af te leggen, door het ondertekenen van de‘Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid’ (model 2.30). De verklaring van verbondenheid legt hij vervolgens in persoon, in beginsel op een naturalisatieceremonie, doorgaans mondeling af voordat het uittreksel van het naturalisatiebesluit aan hem wordt uitgereikt (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN paragraaf 3.13.3Afleggen verklaring van verbondenheid).
Van de verplichting van het ondertekenen van de bereidverklaring en het vervolgens afleggen van de verklaring van verbondenheid kan geen vrijstelling worden gegeven, tenzij het afleggen van de verklaring van verbondenheid redelijkerwijs niet gevraagd kan worden (zie daarvoor toelichting bij artikel 60b, vijfde lid en zesde lid, BVVN). Er zijn omstandigheden denkbaar waarin het voor de verzoeker niet mogelijk is om de bereidverklaring in te vullen en te ondertekenen. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat de verzoeker wel bereid is de verklaring van verbondenheid af te leggen, maar vanwege zijn fysieke of psychische toestand model 2.30 niet zelf kan invullen of dat bij het indienen van zijn verzoek om naturalisatie duidelijk is dat de verzoeker niet in staat zal zijn de verklaring van verbondenheid mondeling af te leggen. Zie de toelichting op artikel 7 RWN, paragraaf 3.4.1Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30) hoe met deze uitzonderingssituaties moet worden omgegaan.
Uitgangspunt is dat de verklaring van verbondenheid in persoon wordt afgelegd tijdens de naturalisatieceremonie waarbij de bevestiging tot verkrijging van het Nederlanderschap wordt uitgereikt. De verklaring van verbondenheid wordt in het Nederlands en doorgaans mondeling afgelegd.
Uitzonderingen (zie tevens de toelichting bij artikel 7, paragraaf 3.13.4.2‘Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen’)
Voor een enkele verzoeker kan echter een uitzondering gemaakt worden. Indien van de verzoeker door omstandigheden redelijkerwijs niet verlangd kan worden dat hij de verklaring van verbondenheid mondeling uitspreekt tegenover de bevoegde autoriteit, wordt een schriftelijke verklaring van verbondenheid ondertekend. De beoordeling of sprake is van de hier bedoelde omstandigheden, ligt bij de Gouverneur110Zie artikel 60b, vijfde lid, BVVN en paragraaf 3.13.4 Zwaarwegende redenen en uitzonderingen. en wordt gestaafd door ten minste één door of namens de verzoeker overgelegd bewijsstuk.
Daarnaast zijn omstandigheden denkbaar waarbij de verzoeker vanwege zijn fysieke of psychische toestand in het geheel niet in staat is om de verklaring van verbondenheid af te leggen. Dan wordt de verklaring van verbondenheid niet afgelegd. Het zal hier zeer uitzonderlijke gevallen betreffen. De onmogelijkheid tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid, wordt beoordeeld door de Minister van Justitie van het Koninkrijk.111Zie artikel 60b, zesde lid, BVVN.
Wordt de toezegging een verklaring van verbondenheid af te leggen niet nagekomen en er is geen ontheffing van het mondeling of schriftelijk afleggen verleend, dan wordt de bekendmaking niet uitgereikt en het Nederlanderschap niet verkregen. Immers, pas door de bekendmaking kan iemand Nederlander worden door naturalisatie.
Het eerste lid, onder c, geldt niet met betrekking tot de verzoeker die hetzij te eniger tijd het Nederlanderschap of de staat van Nederlands onderdaan-niet-Nederlander heeft bezeten, hetzij sedert tenminste drie jaren de echtgenoot is van en samenwoont met een Nederlander, hetzij tijdens zijn meerderjarigheid in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten is geadopteerd door ouders van wie in elk geval één het Nederlanderschap bezit.
De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte.
Op grond van dit artikellid geldt géén termijn van toelating en hoofdverblijf indien de verzoeker:
te eniger tijd Nederlander of Nederlands onderdaan-niet-Nederlander is geweest. Tenzij de verzoeker de Nederlandse nationaliteit heeft verloren op grond van artikel 14, eerste lid, RWN;
ten minste drie jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek onafgebroken is gehuwd én gedurende die drie jaren onafgebroken heeft samengewoond met één-en-dezelfde Nederlander. Op het moment van de indiening van het verzoek dient de echtgenoot van de verzoeker in het bezit te zijn van de Nederlandse nationaliteit. Het huwelijk en de samenwoning dienen voort te duren op het moment van de beslissing op het verzoek;
als meerderjarige binnen het Koninkrijk is geadopteerd door ouders, van wie ten tijde van de adoptie in elk geval één Nederlander was.
Echter, indien de verzoeker hoofdverblijf heeft in het land waarvan hij onderdaan is, wordt het verzoek om naturalisatie afgewezen (zie de toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, RWN).
Hieronder worden de eerste en tweede categorie nader toegelicht.
Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld:
personen die het Nederlanderschap hebben verloren op grond van hoofdstuk 5 RWN of op grond van artikel 7 WNI;
vrouwen die door of in verband met hun huwelijk de Nederlandse nationaliteit hebben verloren en niet binnen een jaar na de ontbinding van dit huwelijk de optie ex artikel 28 RWN hebben uitgebracht;
personen die zich zonder Koninklijk verlof hebben begeven in vreemde krijgs- of staatsdienst (artikel 7, aanhef en onder 4°, WNI (zoals gewijzigd bij verschillende wetten) en op wie de Wet van 2 juli 1986, tot aanpassing van enige wetten aan de Rijkswet op het Nederlanderschap, artikel 5 (Stb. 1986, 373) niet wordt toegepast;
personen die de Nederlandse nationaliteit hebben verloren, omdat zij meer dan tien achtereenvolgende jaren buiten het Koninkrijk woonplaats hebben en voor het verstrijken van die termijn voor 1 januari 1985 hebben verzuimd aan de Nederlandse autoriteiten mee te delen dat zij Nederlander willen blijven (artikel 7, aanhef en onder 5°, WNI);
personen die op grond van de toescheidingsovereenkomst met Indonesië (TOI) respectievelijk Suriname (TOS) de nationaliteit van dat land hebben verkregen.
N.B. Een persoon van wie het Nederlanderschap is ingetrokken op grond van artikel 14, eerste lid, RWN komt niet in aanmerking voor versnelde naturalisatie met toepassing van het onderhavige artikellid (en evenmin voor optie krachtens artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN). Immers, artikel II, tweede lid, RRWN bepaalt dat een persoon van wie het Nederlanderschap is ingetrokken, geacht wordt het Nederlanderschap niet te hebben bezeten. Hij kan daarom géén aanspraak maken op de rechten die de RWN in het algemeen verbindt aan de status van oud-Nederlander. Zie ook de
toelichting bij artikel 14, eerste lid, RWN en artikel II, RRWN.
Indien de verzoeker in de afgelopen drie jaar onafgebroken is gehuwd met een Nederlander (of in geval van drie jaar geregistreerd partnerschap, vergelijk artikel 1, tweede lid, RWN en zie de toelichting bij artikel 1, tweede lid, RWN) en beide partners tijdens deze periode drie jaar onafgebroken samenwonen, geldt geen termijn van toelating en hoofdverblijf. Het huwelijk en de samenwoning mogen gedurende deze periode van drie jaar niet onderbroken zijn geweest aangezien een onderbreking afbreuk doet aan de bij een huwelijk met een Nederlander veronderstelde versnelde inburgering. Deze onderbreking wordt niet tegengeworpen als deze is ontstaan door het overlijden van de echtgeno(o)t(e) tussen de datum van het verzoek om naturalisatie en de datum van de beslissing op het naturalisatieverzoek. Op het moment van de indiening van het verzoek dient de echtgenoot van de verzoeker in het bezit te zijn van de Nederlandse nationaliteit. Niet vereist is dat de Nederlandse echtgenoot van de verzoeker reeds drie jaar het Nederlanderschap bezit. Het is dus niet zo dat pas drie jaren na de naturalisatie van de één de ander een verzoek mag indienen.
Een periode van ongehuwd samenwonen binnen het Koninkrijk, onmiddellijk voorafgaand aan het huwelijk, mag worden meegerekend voor de toepassing van het onderhavige artikellid. Echter, een periode waarin de verzoeker buiten het Koninkrijk ongehuwd heeft samengewoond met een Nederlander, telt niet mee.
De samenwoning binnen het Koninkrijk kan worden aangetoond door inschrijving op hetzelfde adres in de BRP, PIVA of de bevolkingsregistratie. Indien de samenwoning niet afdoende blijkt uit de BRP, PIVA, of de bevolkingsregistratie, dient de verzoeker de samenwoning te bewijzen door middel van andere bewijsstukken. Samenwoning tijdens het huwelijk buiten het Koninkrijk kan in sommige gevallen worden aangetoond met een bewijs van inschrijving in de bevolkingsadministratie van het land van samenwoning. Overigens heeft niet ieder land een gemeentelijke of centrale bevolkingsadministratie. In die gevallen zal de verzoeker met andere bewijsstukken moeten aantonen dat er sprake is geweest van onafgebroken samenwoning met de Nederlandse echtgenoot.
Rogelio is in 1968 geboren in Suriname als zoon van Nederlandse ouders. Op 25 november 1975 heeft hij de Nederlandse nationaliteit verloren op grond van de toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Suriname (TOS). Rogelio kan als oud-Nederlander onmiddellijk na vestiging in Aruba een verzoek om naturalisatie indienen. Hij hoeft voorafgaand aan de indiening van zijn verzoek geen toelating en hoofdverblijf in het Koninkrijk te hebben gehad. Uiteraard dient hij wel aan alle overige voorwaarden voor naturalisatie te voldoen. Zodra Rogelio een jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in Aruba heeft gehad kan hij er overigens ook voor kiezen om een optieverklaring af te leggen. Zie hiervoor artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN.
Dolores heeft de Spaanse nationaliteit en woont met haar Nederlandse echtgenoot in Spanje. Na drie jaar huwelijk vestigt Dolores zich met haar echtgenoot in Aruba. Als Dolores kan aantonen dat zij gedurende haar huwelijk tenminste drie jaren in Spanje heeft samengewoond met haar Nederlandse echtgenoot, kan zij onmiddellijk na vestiging in Aruba een verzoek om naturalisatie indienen. Zij hoeft voorafgaand aan de indiening van haar verzoek geen toelating en hoofdverblijf in het Koninkrijk te hebben gehad. Uiteraard moet Dolores wel aan alle overige voorwaarden voor naturalisatie voldoen om in aanmerking te komen voor verlening van het Nederlanderschap. Het huwelijk en de samenwoning van Dolores en haar echtgenoot dienen voort te duren tot en met de beslissing op het verzoek.
Regina heeft de Nederlandse nationaliteit en woont al haar hele leven in Aruba. Op 1 november 2021 heeft zij in Aruba met de Colombiaan Fernando een geregistreerd partnerschap gesloten. Fernando woont pas een half jaar in Aruba. Aangezien aan een in Aruba geregistreerd partnerschap beperktere rechtsgevolgen zijn verbonden dan aan een geregistreerd partnerschap als bedoeld in artikel 1, tweede lid, RWN, kan Fernando op 1 november 2024 niet met toepassing van artikel 8, tweede lid, RWN naturaliseren
De termijn bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt op twee jaren gesteld voor degene die in totaal ten minste tien jaren in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba toelating en hoofdverblijf heeft gehad.
Op grond van deze bepaling geldt een – verkorte – termijn van twee jaar onafgebroken toelating en hoofdverblijf indien de verzoeker in totaal ten minste tien jaar toelating en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk heeft gehad maar zijn hoofdverblijf in het Koninkrijk heeft onderbroken doordat hij in een ander land woonde of geen aaneengesloten periode van toelating heeft gehad in de periode dat hij hoofdverblijf in het Koninkrijk had.
De duur van de onderbreking van de periode van tien jaar toelating dan wel het hoofdverblijf is niet relevant. Echter, de onafgebroken termijn van twee jaren toelating en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk dient onmiddellijk vooraf te gaan aan de indiening van het verzoek. Vervolgens dienen de toelating en het hoofdverblijf onafgebroken voort te duren tot en met het moment waarop op het verzoek wordt beslist. In deze periode van twee jaar mogen dus geen verblijfsgaten voorkomen.
Of sprake is van twee jaren onafgebroken toelating en hoofdverblijf kan in de meeste gevallen worden afgeleid uit het verblijfsdocument en de PIVA. Indien deze gegevens onvoldoende uitsluitsel bieden, kan de Gouverneur aan de DIMAS een bericht omtrent toelating vragen. Voor de beoordeling van de vraag of de verzoeker voor de indiening van het verzoek in totaal ten minste tien jaar toelating en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk heeft gehad kan – zo nodig – eveneens een bericht omtrent toelating worden gevraagd. Zie voor uitleg van de begrippen ‘toelating’ en ‘hoofdverblijf’ de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g en h, RWN.
Ook voor artikel 8, derde lid geldt het overgangsrecht (zie de paragraaf ‘Overgangsrecht’) in de toelichting onder artikel 7. Het overgangsrecht is ook beschreven in de toelichting onder artikel VII, tweede lid RRWN.
Carlos is 20 jaar en bezit de Colombiaanse nationaliteit. Van zijn 5e tot zijn 12e woonde hij in Aruba bij zijn ouders. Zijn moeder was in die tijd aaneengesloten in het bezit van een vergunning tot verblijf bij zijn vader. Ook Carlos had deze vergunning tot verblijf (bij vader).
Van zijn 12e tot zijn 17e woonde Carlos met zijn moeder in Colombia. Sinds zijn 17e woont hij weer in Aruba. Gedurende een jaar was hij in het bezit van een vergunning tot verblijf (bij vader) en vervolgens vergat hij om een nieuwe verblijfsvergunning tijdig aan te vragen. Drie maanden na het verstrijken van de geldigheidsduur werd hij alsnog in het bezit gesteld van een vergunning tot tijdelijk verblijf, met een geldigheidsduur van een jaar.
Carlos heeft in totaal 7 jaar + 2 jaar + 3 maanden + een jaar = 10 jaar en drie maanden hoofdverblijf in Aruba gehad. Carlos kan, als hij aansluitend nog een jaar in Aruba hoofdverblijf heeft en hij zijn vergunning tot verblijf tijdig laat verlengen, een verzoek om naturalisatie indienen. Hij heeft dan immers in totaal meer dan tien jaar toelating en hoofdverblijf in Aruba, waarvan 2 jaar toelating en hoofdverblijf direct voorafgaand aan het verzoek om naturalisatie. Of het verzoek van Carlos wordt ingewilligd, hangt uiteraard ook af van de vraag of hij voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap.
Evelyn is burger van Dominica. Zij woont en werkt in totaal al 15 jaar in Aruba, maar zij heeft pas sinds twee jaar een vergunning tot tijdelijk verblijf. Evelyn komt dus niet in aanmerking voor de verkorte termijn van twee jaar toelating en hoofdverblijf. Weliswaar heeft zij in totaal meer dan tien jaar hoofdverblijf in Aruba, maar zij heeft in totaal nog geen tien jaar toelating in Aruba of het Koninkrijk. Als Evelyn haar hoofdverblijf in Aruba houdt en haar vergunning tot verblijf steeds tijdig laat verlengen, kan zij over drie jaar een verzoek om naturalisatie indienen. Zij heeft dan direct voorafgaand aan een verzoek om naturalisatie vijf jaar toelating en hoofdverblijf in Aruba. Of het verzoek van Evelyn wordt ingewilligd, hangt uiteraard ook af van de vraag of zij voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap.
De termijn bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt op drie jaren gesteld voor de verzoeker die hetzij ongehuwd tenminste drie jaren onafgebroken met een ongehuwde Nederlander in een duurzame relatie anders dan het huwelijk samenleeft, hetzij staatloos is, tenzij het Nederlanderschap eerder is ingetrokken op grond van artikel 14, eerste lid.
Op grond van deze bepaling geldt een – verkorte – termijn van drie jaar toelating en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk indien de verzoeker voorafgaand aan de indiening van het verzoek ten minste drie jaar onafgebroken ongehuwd samenwoont binnen het Koninkrijk met een en dezelfde ongehuwde Nederlandse partner. De toelating en de samenwoning met die ongehuwde Nederlandse partner dienen op het moment van de beslissing op het verzoek voort te duren. In deze periode van toelating mag dus geen verblijfsgat voorkomen. De samenwoning binnen het Koninkrijk kan worden aangetoond door inschrijving op een zelfde adres in de BRP, PIVA of de bevolkingsregistratie. Een periode van samenwoning buiten het Koninkrijk telt niet mee.
De (niet-Nederlandse) ongehuwde partner van een ongehuwde en tot Nederlander genaturaliseerde vreemdeling komt in aanmerking voor toepassing van dit artikellid, mits onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek en sinds deze relatie sprake is van ten minste drie jaar onafgebroken samenwoning binnen het Koninkrijk. Op het moment van de indiening van het verzoek dient de partner van de verzoeker in het bezit te zijn van de Nederlandse nationaliteit. Niet vereist is dat de Nederlandse partner reeds drie jaar het Nederlanderschap bezit. Het is dus niet zo dat pas drie jaren na de naturalisatie van de één, de ander een verzoek kan indienen.
Eveneens geldt een – verkorte – termijn van drie jaar toelating en hoofdverblijf voor de verzoeker die staatloos is. Zie voor uitleg van het begrip ‘staatloze’ de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f, RWN.
Voor artikel 8, vierde lid geldt het overgangsrecht (zie de paragraaf ‘Overgangsrecht’) in de toelichting onder artikel 7.
Als het Nederlanderschap eerder is ingetrokken op grond van artikel 14, eerste lid, RWN, dan geldt de verkorte termijn van drie jaar niet. Dit geldt voor zaken van personen die vanaf 1 oktober 2023 een naturalisatieverzoek hebben ingediend. Als een naturalisatieverzoek, bezwaarschrift of beroepschrift is ingediend voor 1 oktober 2023 dan geldt nog het oude artikel 8 lid 4 RWN en is dus de verkorte termijn nog van toepassing.
Eveneens geldt een – verkorte – termijn van drie jaar toelating en hoofdverblijf voor de verzoeker van wie de staatloosheid is vastgesteld. Zie voor uitleg van het begrip ‘staatloze’ de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f, RWN.
De Fransman E woonde in Frankrijk tien jaar ongehuwd samen met een Nederlandse vrouw, die geboren is in Aruba. Beiden vestigden zich vervolgens in Aruba. Op grond hiervan werd E in het bezit gesteld van een vergunning tot (tijdelijk) verblijf voor verblijf bij Nederlandse partner. Na anderhalf jaar hebben zij in Aruba hun samenwoning vastgelegd in een notariële akte. E kan, vanaf het moment dat hij nog eens anderhalf jaar onafgebroken samenwoont met zijn Nederlandse partner en mits hij gedurende die periode onafgebroken in het bezit blijft van een geldige vergunning tot (tijdelijk) verblijf, een verzoek om naturalisatie indienen. Hij voldoet dan aan de verkorte termijn van drie jaar toelating en hoofdverblijf. De termijn van tien jaar ongehuwd samenwonen in het buitenland telt niet mee. Of het verzoek van E wordt ingewilligd hangt uiteraard ook af van de vraag of hij voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap.
Als het Nederlanderschap van E eerder ingetrokken is op grond van artikel 14, eerste lid, RWN, dan geldt de verkorte termijn van artikel 8, vierde lid, RWN niet.
De termijn bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt eveneens op drie jaren gesteld voor de verzoeker die door erkenning of wettiging zonder erkenning het kind van een Nederlander is geworden. Voor de verzoeker die tijdens zijn minderjarigheid is erkend of gewettigd wordt de termijn van drie jaren verminderd met de onafgebroken periode gedurende welke hij onmiddellijk voorafgaande aan zijn meerderjarigheid na de erkenning of wettiging zonder erkenning, verzorging en opvoeding heeft genoten van de Nederlander door wie hij is erkend of wiens kind hij door wettiging zonder erkenning is geworden.
Op grond van deze bepaling geldt een – verkorte – termijn van drie jaar toelating en hoofdverblijf onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek, indien de verzoeker tijdens of vlak voor zijn meerderjarigheid door erkenning of wettiging zonder erkenning het kind van een Nederlander is geworden. De toelating en het hoofdverblijf dienen op het moment van de beslissing op het verzoek voort te duren. In deze periode van toelating mogen dus geen verblijfsgaten voorkomen. Of sprake is van drie jaren onafgebroken toelating en hoofdverblijf kan in de meeste gevallen worden afgeleid uit het verblijfsdocument en de PIVA. Indien deze gegevens onvoldoende uitsluitsel bieden, kan de Gouverneur aan de DIMAS een bericht omtrent toelating vragen (zie voor uitleg van de begrippen ‘toelating’ en ‘hoofdverblijf’ de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g en h, RWN).
De erkenning of wettiging kan plaats hebben gevonden tijdens de meer- of minderjarigheid van het kind.
Voor de meerderjarige verzoeker die tijdens zijn minderjarigheid is erkend of gewettigd mag de onafgebroken periode dat hij door zijn juridische vader is verzorgd en opgevoed na de erkenning of wettiging worden afgetrokken van de termijn van drie jaar toelating en hoofdverblijf. Dit kan echter alleen indien deze periode van verzorging en opvoeding direct vooraf is gegaan aan de meerderjarigheid van de verzoeker. De periode van verzorging en opvoeding moet dus direct vooraf zijn gegaan aan zijn achttiende jaar, zijn voordien gesloten huwelijk, of zijn voordien in Nederland geregistreerd partnerschap of buiten Nederland geregistreerd partnerschap als bedoeld in artikel 1, tweede lid, RWN (zie de toelichting bij artikel 1, tweede lid, RWN). Het begrip ‘verzorging en opvoeding’ in deze bepaling komt overeen met het begrip ‘verzorging en opvoeding’ in de zin van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN. Voor de wijze waarop de verzoeker moet aantonen dat aan deze voorwaarde is voldaan, wordt hier verwezen naar de toelichting bij die bepaling.
Als de erkenning of wettiging zonder erkenning heeft plaatsgevonden tijdens de minderjarigheid van het kind moet dit, voor toepassing van dit artikellid, na 1 april 2003 zijn gebeurd. Voor die datum kreeg een minderjarig kind immers de Nederlandse nationaliteit van rechtswege op grond van artikel 4 RWN (oud) als het door erkenning of door wettiging zonder erkenning het kind van een Nederlandse vader werd.
Artikel 4 RWN bepaalt sinds 1 maart 2009 dat een minderjarige door erkenning of door wettiging zonder erkenning het Nederlanderschap verkrijgt of kan verkrijgen. Op grond van artikel 4, tweede en derde lid, RWN verkrijgt de minderjarige vreemdeling die na zijn geboorte door een Nederlander wordt erkend en jonger is dan zeven jaar, dan wel de minderjarige vreemdeling die door een Nederlander wordt gewettigd zonder erkenning, het Nederlanderschap van rechtswege. Op grond van artikel 4, vierde lid, RWN verkrijgen minderjarige vreemdelingen die door een Nederlander worden erkend als zij zeven jaar of ouder zijn, het Nederlanderschap als de Nederlandse erkenner zijn biologische vaderschap bij of binnen een jaar na de erkenning aantoont via DNA-bewijs dat voldoet aan de eisen zoals gesteld in het Besluit DNA-onderzoek vaderschap. Zie voor meer informatie de toelichting op artikel 4 RWN in deze Handleiding.
Bij toepassing van artikel 8, vijfde lid, RWN is het goed om te letten op het op 1 maart 2009 gewijzigde recht met betrekking tot verkrijging van het Nederlanderschap als minderjarige door een erkenning of een wettiging. Geadviseerd wordt dat voordat een naturalisatieverzoek ex artikel 8, vijfde lid, RWN wordt ingediend, eerst wordt bekeken of niet na 1 maart 2009 het Nederlanderschap van rechtswege is verkregen door artikel 4 RWN, dan wel dat gebruik kan worden gemaakt van het optierecht uit artikel II, Staatsblad 2008, 270.
Artikel 8, vijfde lid, RWN is een nogal ingewikkelde bepaling waarin twee elementen samenkomen. Er wordt tot uitdrukking gebracht dat een familierechtelijke betrekking tussen een Nederlandse vader en zijn al dan niet minderjarige kind een band met het Koninkrijk doet ontstaan die verkorting van de termijn van vijf jaar toelating en hoofdverblijf rechtvaardigt. Daarnaast wordt ook bewerkstelligd dat een minderjarig kind dat ouder is dan vijftien jaar op het moment dat het door erkenning of door wettiging zonder erkenning in een familierechtelijke betrekking tot de vader komt te staan en door die vader wordt verzorgd en opgevoed, rechten opbouwt. Een dergelijk kind kan namelijk nooit door optie op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN de Nederlandse nationaliteit verkrijgen. Het zal immers nimmer kunnen voldoen aan de uit die bepaling voortvloeiende eis van drie jaar ononderbroken opvoeding en verzorging door de Nederlandse vader voorafgaand aan de meerderjarigheid.
Voor kinderen die tussen 1 april 2003 en 1 maart 2009 zijn erkend of gewettigd, maar die geen gebruik kunnen maken van het optierecht in artikel II, Staatsblad 2008, 270, biedt artikel 8, vijfde lid, RWN eveneens een mogelijkheid om versneld Nederlander te worden. Het gaat dan bijvoorbeeld om minderjarige kinderen die tussen 1 april 2003 en 1 maart 2009 op 7-jarige leeftijd of ouder zijn erkend, terwijl de erkenner niet de biologische vader is of waarbij de erkenner vanwege het kostenaspect geen DNA-onderzoek wil/kan laten uitvoeren. Ook kan gedacht worden aan kinderen die als meerderjarige zijn erkend.
Met wettiging zonder erkenning wordt, evenals in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN gedoeld op de gevallen waarin Aruba een wettiging zonder voorafgaande erkenning moet aanvaarden op grond van de Overeenkomst van Rome van 10 september 1970 inzake wettiging door huwelijk (Trb. 1972, 61). De erkenning of wettiging kan plaatshebben gevonden tijdens de meer- of minderjarigheid van het kind. Deze overeenkomst is op 31 juli 1977 voor Aruba in werking getreden. Dit betekent dat een buitenlandse wettiging op of na 31 juli 1977 in Aruba op grond van deze Overeenkomst geaccepteerd moet worden, ongeacht of het land waar de wettiging plaats vond partij is bij de Overeenkomst. Sinds de hierboven beschreven wijziging van artikel 4 RWN van 1 maart 2009 verkrijgt een naar vreemd recht door een Nederlander zonder erkenning gewettigd minderjarig kind echter van rechtswege het Nederlanderschap vanaf de datum van wettiging zonder erkenning. Voor kinderen gewettigd tijdens hun minderjarigheid tussen 1 april 2003 en 1 maart 2009 geldt deze verkrijgingsgrond niet. Zie voor hen het optierecht in paragraaf 6 in de toelichting op artikel 6 RWN. Zie de oudere Handleidingen voor een toelichting op de regelgeving voor 1 april 2003.
Voorbeeld 1
Jennifer is de dochter van een Jamaicaanse ongehuwde moeder en een juridisch onbekende vader. Zij is uitsluitend in het bezit van de Jamaicaanse nationaliteit. Als Jennifer 22 jaar oud is wordt zij erkend door een Nederlander. Zij verkrijgt hierdoor niet de Nederlandse nationaliteit. Als Jennifer 40 is gaat zij in Aruba wonen. Na vijf maanden wordt zij in het bezit gesteld van een vergunning tot verblijf. Als Jennifer daarna nog eens drie jaar ononderbroken haar hoofdverblijf in Aruba houdt en in het bezit blijft van een vergunning tot verblijf kan zij een verzoek om naturalisatie indienen. Of het verzoek van Jennifer wordt ingewilligd, hangt uiteraard ook af van de vraag of zij voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap.
Voorbeeld 2
Rodrigo is de zoon van een Ecuadoraanse ongehuwde moeder en een juridisch onbekende vader. Hij is uitsluitend in het bezit van de Ecuadoraanse nationaliteit. Als Rodrigo 14 jaar oud is gaat zijn moeder samenwonen met een Nederlander. Rodrigo woont bij hen in. Ze wonen alle drie in Ecuador. Als Rodrigo 15 jaar en 4 maanden oud is wordt hij erkend door de Nederlander. Als Rodrigo 18 jaar en 3 maanden is verlaat hij de ouderlijke woning om te gaan werken in Aruba. Bij aankomst wordt hij direct in het bezit gesteld van een vergunning tot tijdelijk verblijf. Zodra Rodrigo vier maanden toelating en hoofdverblijf in Aruba heeft kan hij een verzoek om naturalisatie indienen. Hij heeft immers voor zijn 18e jaar al twee jaar en acht maanden in gezinsverband met zijn Nederlandse vader gewoond. Deze twee jaar en acht maanden mogen afgetrokken worden van de drie jaar termijn. De drie maanden na zijn 18e verjaardag mogen niet van die termijn afgetrokken worden. De jaren dat hij deel uitmaakte van het gezin van de Nederlander voordat hij werd erkend, evenmin. Of het verzoek van Rodrigo wordt ingewilligd, hangt uiteraard ook af van de vraag of hij voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap.
Een krachtens het eerste lid, onder d, vastgestelde algemene maatregel van rijksbestuur treedt niet eerder in werking dan vier weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan beide kamers der Staten-Generaal.
Het Besluit naturalisatietoets, houdende regels ter uitvoering van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN is op 25 april 2002 inStb. 2002, 197 geplaatst. Deze algemene maatregel van rijksbestuur is in werking getreden op 1 april 2003.
Artikel 8
Artikel 8
Onderdeel van Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 toegespitst op het gebruik in Aruba· Migratierecht
Deze tekst geldt sinds 1 april 2010
Verwijzingen
- artikel 3
- Artikel 2
- artikel 3
- artikel 11
- artikel 9
- artikel 1
- artikel 1
- artikel 1
- artikel 1
- artikel 7
- artikel 3
- artikel 11
- artikel 7
- artikel 3
- artikel 1
- artikel 6
- artikel 1
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 14
- artikel 1
- artikel 3
- artikel 48
- artikel 24
- artikel 2
- artikel 46
- Artikel 3
- artikel 7
- artikel 7
- artikel 3
- artikel 6
- artikel 1
- artikel 4
- artikel 7
- artikel 6
- artikel 1
- artikel 13
- artikel 72 Awb
- artikel 3
- artikel 5
- artikel 3
- artikel 2
- artikel 1
- artikel 7a
- artikel 1
- Artikel 2
- artikel 7
- artikel 1
- artikel 4
- artikel 5
- artikel 1
- artikel 7
- artikel 4
- artikel 7
- artikel 9
- artikel 4
- artikel 14
- artikel 14
- artikel 10
- artikel 60b
- artikel 14
- artikel 6
- artikel 1
- artikel 10
- artikel 11
- artikel 5
- Artikel 3
- artikel 3
- artikel 1
- artikel 4
- artikel 1
- artikel 6
- artikel 14
- artikel 6
- artikel 14
- artikel 1
- artikel 6
- artikel 3
- artikel 10
- artikel 4
- artikel 14
- artikel 3
- artikel 1
- artikel 1
- artikel 1
- artikel 7
- artikel 7
- artikel 11
- artikel 60b
- artikel 60b
- Artikel 10
- artikel 26
- artikel 4
- artikel 11
- artikel 5
- artikel 1
- artikel 1
- artikel 2
- artikel 6
- artikel 2
- artikel 7
- artikel 23
- artikel 14
- artikel 10
- artikel 6
- artikel 6
- artikel 60b
- artikel 14
- artikel 5
- artikel 11
- artikel 6
- artikel 6
- artikel 10
- artikel 7
- artikel 3