**1.** De minister kan subsidie verstrekken aan een instelling die haar standplaats in een kernpunt heeft en met als kernactiviteit het verzorgen van dansrepertoire, indien de instelling:
een substantieel deel van haar voorstellingen realiseert op een podium, dat meer dan 400 zitplaatsen heeft in de regio of de gemeente waar de instelling haar standplaats heeft;
haar activiteiten verspreid over het jaar realiseert;
voor haar artistieke continuïteit niet afhankelijk is van één maker of een groep van makers van dans; en
een beleid voert dat talentontwikkeling bevordert.
**2.** De minister verstrekt op grond van het eerste lid aan ten hoogste vijf instellingen, waarvan:
één instelling voorziet in een voor Nederland onderscheidend grootschalig repertoire op het gebied van ballet in een internationale context en zich richt op een groot landelijk publieksbereik;
één instelling voorziet in de verzorging van grootschalig, onderscheidend modern dansaanbod in een internationale context;
één instelling voorziet in de productie en distributie van grootschalig, onderscheidend dansaanbod en in de productie en distributie van jeugddans; en
twee instellingen die voorzien in de productie en distributie van grootschalig, onderscheidend dansaanbod.
**3.** Per kernpunt verstrekt de minister op grond van dit artikel aan niet meer dan één instelling subsidie.
Artikel III van Stcrt. 2023/32605 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Hoofdstuk 3 › Afdeling 3.2 › § 3.2.2
Artikel 3.14
Dans
Onderdeel van Regeling op het specifiek cultuurbeleid· Cultureel recht
Deze tekst geldt sinds 29 november 2023