Indien de bewaarder vermoedt dat een inschrijving, bedoeld in de artikelen 38 en 39 van de wet, niet meer van belang is, benadert hij de in artikel 40, onder a, van de wet bedoelde personen, met de vraag of de desbetreffende inschrijving nog van belang is, en met de uitnodiging om, zo dit niet het geval is, de waardeloosheid daarvan te doen inschrijven. Desgewenst kan door de bewaarder het in te schrijven stuk zodanig worden gereedgemaakt dat betrokkene de stukken slechts heeft te ondertekenen en ter inschrijving aan te bieden.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Organisatiewet Kadaster in werking treedt.
Hoofdstuk 2 › Titel 5
Artikel 20
Artikel 20
Onderdeel van Kadasterregeling 1994· Ruimtelijke ordening en milieu
Deze tekst geldt sinds 1 mei 1994