Naar hoofdinhoud

Artikel 1

Inleiding

Onderdeel van Heffing van omzetbelasting ten aanzien van veerdiensten· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2003

In het Besluit van 14 september 1972, nr. B72/4253, is aangegeven dat veerdiensten die door provincies en gemeenten worden geëxploiteerd, in een aantal gevallen niet in de heffing van omzetbelasting worden betrokken op grond van de gedachte dat hierbij mogelijk sprake zou kunnen zijn van het uitvoeren van een overheidstaak. In verband hiermee is in vorenbedoeld Besluit goedgekeurd, dat alle exploitanten van veerdiensten vanaf 1 oktober 1972 voor de door hen geëxploiteerde veerdiensten buiten de heffing van omzetbelasting blijven, onder voorwaarde dat zij terzake afzien van het recht op aftrek of teruggaaf van omzetbelasting. De gedachte dat provincies en gemeenten ter zake van de exploitatie van veerdiensten optreden als overheid, is gelet op de inmiddels door het Hof van Justitie van de EG gewezen jurisprudentie * [1]http://kluwerportal.rijksweb.nl/cl2/sf7_rss_doc.jsp?&listSLOT.offset=0&gc=WKNL-KL-PNP-10069749&scenario=zoeken_SF7&resultSessionName=SF7_resultSession_WKNL-KL-PNP-10069749_cl2#VNUITLEG-N129#VNUITLEG-N129 achterhaald. Provincies en gemeenten treden bij het tegen vergoeding exploiteren van veerdiensten onder dezelfde juridische voorwaarden op als reguliere ondernemers, zodat zij voor deze activiteit buiten het overheidshandelen vallen. Bovendien is in nr. 5 van Bijlage D bij de zesde BTW-Richtlijn personenvervoer (één van de vormen van vervoer die door exploitanten van veerdiensten worden aangeboden) aangewezen als een activiteit waarvoor publiekrechtelijke lichamen als ondernemer zijn aan te merken. In verband met het vorenstaande dienen de in het hiervoor genoemde Besluit gegeven richtlijnen met betrekking tot de heffing van omzetbelasting bij veerdiensten te worden aangepast.

Rechtspraak bij dit artikel