**1.** De arbeider heeft voor ieder jaar, dat hij onafgebroken werkzaam is geweest in dienst van éénzelfde werkgever, aanspraak op vakantie gedurende ten minste drie maal de overeengekomen arbeidsduur per week, met behoud van het loon dat hij tijdens zijn vakantie met werken zou hebben verdiend.
**2.** De arbeider die over een deel van een jaar recht op loon heeft gehad, verwerft over dat deel aanspraak op vakantie die een evenredig gedeelte bedraagt van datgene waarop hij recht zou hebben gehad als hij gedurende het gehele jaar recht had op loon over de volledige overeengekomen arbeidsduur.
**3.** De werkgever is verplicht de arbeider op diens verzoek de in het vorige lid bedoelde vakantie te verlenen, behoudens het bepaalde in de artikelen 5, 6 en 7, terwijl de arbeider verplicht is deze vakantie, ook indien ongevraagd verleend, te nemen.
**4.** Niet als werkdagen worden aangemerkt de voor de arbeider krachtens zijn werktijdenregeling geldende rustdagen en, voor zover betreft de arbeider die niet werkzaam is krachtens een werktijdenregeling welke op grond van een regeling ter uitvoering van artikel 27 van de Arbeidswet 2000 BES werd goedgekeurd, tevens de krachtens die wet met de zondag gelijkgestelde dagen.
Titel II
Artikel 2
Artikel 2
Onderdeel van Vakantiewet 1949 BES· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2026