Naar hoofdinhoud

§ 4 › Subparagraaf

Artikel 14

Parameters vanaf 2012

Onderdeel van Besluit Pensioenwet BES· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 10 oktober 2010

1. Vanaf 1 januari 2012 gaat een fonds voor de berekeningen, bedoeld in de artikelen 5b, 13, 13b, 16a en 16b van de wet uit van: minimale verwachtingswaarden voor de groeivoeten van het loon- en prijsindexcijfer van 2%, respectievelijk 2%; een maximaal verwacht rendement op vastrentende waarden van 4,5% per jaar; een verwacht rendement op beursgenoteerde aandelen en indirect onroerend goed met een rekenkundig gemiddelde van maximaal 8,5% per jaar en een meetkundig gemiddelde van maximaal 7% per jaar; een verwacht rendement op overige zakelijke waarden met een rekenkundig gemiddelde van maximaal 9% per jaar en een meetkundig gemiddelde van maximaal 7,5% per jaar; een verwacht rendement op direct onroerend goed en grondstoffen met een rekenkundig gemiddelde van maximaal 7,5% per jaar en een meetkundig gemiddelde van maximaal 6% per jaar. 2. Een pensioenfonds kan na instemming van de Bank afwijken van de minimale verwachtingswaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, indien de specifieke omstandigheden van het pensioenfonds dat noodzakelijk maken. 3. De rendementscijfers, bedoeld in het eerste lid, betreffen bruto cijfers, voor aftrek van beleggingskosten. Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikel I, tweede lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen in werking treedt. Treedt voor zover het artikel niet dient ter uitvoering van artikel 16a van de wet in werking op 10-10-2010. Treedt voor zover het artikel dient ter uitvoering van artikel 16a van de wet in werking op 10-10-2013 (Stb. 2010/370).

Rechtspraak bij dit artikel