Voor de toepassing van deze wet wordt onder echtgenoot mede verstaan de persoon met wie de verzekerde ongehuwd samenwoont of degene van wie de verzekerde het kind erkent. Er is sprake van ongehuwd samenwonen als twee ongehuwde meerderjarige personen een gezamenlijke huishouding voeren, tenzij er tussen deze personen bloedverwantschap bestaat in de eerste graad. Voor de toepassing van de tweede zin wordt mede als ongehuwd aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in de tweede zin is sprake indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.
Hoofdstuk I
Artikel 2a
Artikel 2a
Onderdeel van Wet algemene ouderdomsverzekering BES· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht