Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › § 2

Artikel 2.5

Artikel 2.5

Onderdeel van Besluit toelating en uitzetting BES· Migratierecht

Deze tekst geldt sinds 10 oktober 2010

1. De vreemdeling legt bij de in persoon ingediende aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf, bedoeld in artikel 2f, eerste lid, onder a, van de Wet, in ieder geval over een geldig document voor grensoverschrijding, alsmede, voor zover redelijkerwijs mogelijk, de gegevens en bescheiden op basis waarvan kan worden vastgesteld dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor verlening of wijziging. 2. Bij de door een referent ingediende aanvraag, bedoeld in artikel 2f, eerste lid, onder b, van de Wet, legt de referent afschriften over van de in het eerste lid bedoelde gegevens en bescheiden en legt hij op verzoek van Onze Minister de originelen over. 3. In afwijking van het eerste lid legt de vreemdeling die niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, voor zover redelijkerwijs mogelijk, gegevens en bescheiden over waarmee naar het oordeel van Onze Minister wordt aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld. In dat geval legt hij tevens aanvullende gegevens of bescheiden over omtrent zijn identiteit en nationaliteit. Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van het Koninkrijk.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel