Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 4.4

Artikel 4.4

Onderdeel van Besluit toelating en uitzetting BES· Migratierecht

Deze tekst geldt sinds 10 oktober 2010

1. Onverminderd de artikelen 4.2 en 4.3 is de termijn gedurende welke het aan vreemdelingen krachtens artikel 5a van de Wet is toegestaan in de openbare lichamen te verblijven: voor houders van een doorreisvisum en voor vreemdelingen aan wie uitsluitend voor doorreis een bijzonder doorlaatbewijs is afgegeven: de tijd welke voor de voortzetting van hun reis noodzakelijk is; voor houders van een doorreisvisum met bevoegdheid tot oponthoud of van een reisvisum: de duur waarvoor het visum is afgegeven of verlengd dan wel, voorzover het een visum voor meer reizen betreft, de in het visum aangegeven duur waarvoor ononderbroken verblijf is toegestaan; voor vreemdelingen die voor een verblijf van niet langer dan drie maanden naar de openbare lichamen zijn gekomen: drie maanden of, in geval van verlenging door Onze Minister van de termijn wegens bijzondere omstandigheden, zes maanden; voor andere vreemdelingen: acht dagen. 2. De in het eerste lid, onder b en c, bedoelde termijn verstrijkt in geen geval later dan op de achtste dag nadat zich omstandigheden hebben voorgedaan, waaruit kan worden afgeleid dat de vreemdeling het voornemen heeft langer dan drie maanden binnen een tijdvak van zes maanden in de openbare lichamen te verblijven. 3. In afwijking van het tweede lid verstrijkt de termijn, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, in geval van verlenging wegens bijzondere omstandigheden, niet later dan op de achtste dag nadat zich feiten of omstandigheden hebben voorgedaan, waaruit kan worden afgeleid dat de vreemdeling het voornemen heeft langer dan zes maanden in de openbare lichamen te verblijven. Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van het Koninkrijk.

Rechtspraak bij dit artikel