Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 6 › Afdeling 2

Artikel 6.19

Artikel 6.19

Onderdeel van Besluit toelating en uitzetting BES· Migratierecht

Deze tekst geldt sinds 10 oktober 2010

1. De ambtenaren belast met de grensbewaking of de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen, nemen op grond van artikel 22f, eerste lid, van de Wet het reis- of identiteitspapier van een persoon tijdelijk in bewaring: voorzover zulks nodig is voor het verkrijgen van de gegevens, bedoeld in artikel 6.41, of voor het stellen van een aantekening als bedoeld in artikel 6.20 tot en met artikel 6.31; indien de persoon ter vaststelling van zijn identiteit is staande gehouden en niet aanstonds blijkt dat het hem is toegestaan in de openbare lichamen te verblijven, terwijl de gelegenheid ontbreekt hem, met toepassing van artikel 22d, tweede of derde lid, van de Wet naar een plaats, bestemd voor verhoor, over te brengen; gedurende de tijd dat de persoon rechtens zijn vrijheid is ontnomen, of voorzover zulks nodig is met het oog op de uitzetting of de overgave aan de grensautoriteiten als bedoeld in artikel 22f, tweede lid, van de Wet. 2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt het reis- of identiteitspapier aan de persoon teruggegeven, indien hij aan de korpschef of de Commandant van de Koninklijke marechaussee de gegevens heeft verstrekt die deze in het belang van de toepassing van de Wet vraagt, tenzij er uit anderen hoofde gronden aanwezig zijn om het document in bewaring te houden. Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van het Koninkrijk.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel