Naar hoofdinhoud

Boek Vijfde › Titel IV › Afdeling Tweede

Artikel 325

Artikel 325

Onderdeel van Wetboek van Strafvordering BES· Procesrecht

Deze tekst geldt sinds 10 oktober 2010

1. De getuige wordt het eerst ondervraagd door degene, die hem heeft gedagvaard of op wiens verzoek hij is gedagvaard. Daarna geschiedt de ondervraging door de verdachte of diens raadsman of door de procureur-generaal in de volgorde en op de wijze door de voorzitter te bepalen. 2. De voorzitter en de andere rechters kunnen te allen tijde, doch bij voorkeur na de ondervraging bedoeld in het eerste lid, vragen stellen. De voorzitter kan, indien het belang van een goede procesorde dat nodig maakt, de ondervraging op de voet van het eerste lid beëindigen en zelf de getuige ondervragen. 3. In ieder geval geeft de voorzitter aan de verdachte en diens raadsman de gelegenheid om tegen de getuige en diens verklaring in te brengen wat tot verdediging kan dienen en aan de procureur-generaal die tot het maken van opmerkingen. Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van het Koninkrijk.

Rechtspraak bij dit artikel