Naar hoofdinhoud

Titel I › Hoofdstuk III

Artikel 18

Artikel 18

Onderdeel van Onteigeningswet BES· Ruimtelijke ordening en milieu

Deze tekst geldt sinds 10 oktober 2010

1. Is hetgeen onteigend moet worden niet bij minnelijke overeenkomst verkregen, dan doet de onteigenende partij de in het besluit aangewezen eigenaar voor de rechter in eerste aanleg, op een aan deze ingediend verzoekschrift oproepen, teneinde de onteigening te horen uitspreken en het bedrag der schadeloosstelling te horen bepalen. Betreft de onteigening een recht, dan wordt zij ingesteld tegen de in het besluit aangewezen rechthebbende; van deze vordering wordt kennisgenomen door de rechter in eerste aanleg. 2. Bij onteigening van een onroerende zaak waarop blijkens de openbare registers, bedoeld in titel 1, afdeling 2, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES, een eeuwigdurende erfpacht rust, wordt ook de erfpachter opgeroepen. 3. De vordering tot onteigening moet op straffe van verval worden ingesteld binnen de termijn, bepaald bij de in artikel 11 bedoelde wet. 4. Het verzoekschrift wordt betekend aan degenen die als houder van op het te onteigenen goed rustende hypotheken in de openbare registers bedoeld in titel 1, afdeling 2, van Boek 3 van het Burgerlijke Wetboek BES zijn ingeschreven en aan de in die registers ingeschreven beslagleggers op het te onteigenen goed. Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van het Koninkrijk.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel