Wanneer een der vennoten, voor zijn eigen rekening, een opeisbare som te vorderen heeft van iemand, die mede een insgelijks opeisbare som verschuldigd is aan de maatschap, moet de betaling, welke hij ontvangt, op de inschuld der maatschap en op die van hemzelf, naar evenredigheid van beide die vorderingen, toegerekend worden, al ware het ook dat hij, bij de kwijting, alles in mindering of voldoening van zijn eigen inschuld mocht gebracht hebben; maar indien hij bij de kwijting bepaald heeft, dat de gehele betaling zoude strekken voor de inschuld der maatschap, zal deze bepaling worden nagekomen.
Boek 7a › Titel Achtste › Afdeling Tweede
Artikel 1640 Burgerlijk Wetboek BES Boek 7a
Onderdeel van Burgerlijk Wetboek BES Boek 7a· Contracten, schade en aansprakelijkheid
Deze tekst geldt sinds 10 oktober 2010
Bewaren kan ook zonder account
Houd art. 1640 bij de hand
Met een gratis account kun je dit artikel bewaren, tekst markeren en jezelf overhoren. Dat werkt op je laptop en op je telefoon.
- Geen reclame
- Je markeringen blijven van jou
- Werkt op je telefoon