In deze paragraaf wordt verstaan onder:
betrouwbaarheid:het zich onthouden van een of meer gedragingen die naar het oordeel van de Bank in de weg staan aan het vervullen van de functie van (mede)beleidsbepaler als bedoeld in artikel 5a van de wet.
gedragingen: een doen of nalaten dat blijk geeft van de afwezigheid van eigenschappen als:
waarheidslievendheid;
verantwoordelijkheidszin;
wetsgetrouwheid;
openheid;
oprechtheid;
prudentie;
punctualiteit;
onkreukbaarheid;
discretie;
rechtschapenheid.
antecedenten: voornemens, handelingen, en strafrechtelijke-, financiële-, toezichts- en overige antecedenten. De strafrechtelijke-, financiële-, toezichts- en overige antecedenten omvatten de in de bijlage 2 genoemde feiten en omstandigheden.
betrokkenen:beleidsbepalers bij onder toezicht staande pensioenfondsen.
Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede
lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van
de Nederlandse Antillen in werking treedt.
Paragraaf 2
Artikel 2
Betrouwbaarheid
Onderdeel van Regeling Pensioenwet BES· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 10 oktober 2010