Naar hoofdinhoud

Artikel 8

Artikel 8

Onderdeel van Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 toegespitst op het gebruik in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba· Migratierecht

Deze tekst geldt sinds 8 oktober 2010

1. Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker die meerderjarig is; tegen wiens verblijf voor onbepaalde tijd in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, geen bedenkingen bestaan; die tenminste sedert vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, toelating en hoofdverblijf heeft; die in het Koninkrijk en het land van ingezetenschap als ingeburgerd kan worden beschouwd op grond van het feit dat hij beschikt over een bij algemene maatregel van rijksbestuur te bepalen mate van kennis van de Nederlandse taal en – indien hij in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba hoofdverblijf heeft – de taal die op het eiland van het hoofdverblijf gangbaar is, alsmede van de staatsinrichting en maatschappij van het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, en hij zich ook overigens in een van deze samenlevingen heeft doen opnemen; en die verklaart bereid te zijn bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen. Het besluit tot verlening wordt niet bekend gemaakt dan nadat de verklaring daadwerkelijk is afgelegd. 2. Het eerste lid, onder c, geldt niet met betrekking tot de verzoeker die hetzij te eniger tijd het Nederlanderschap of de staat van Nederlands onderdaan-niet-Nederlander heeft bezeten, hetzij sedert tenminste drie jaren de echtgenoot is van en samenwoont met een Nederlander, hetzij tijdens zijn meerderjarigheid in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten is geadopteerd door ouders van wie in elk geval één het Nederlanderschap bezit. 3. De termijn bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt op twee jaren gesteld voor degene die in totaal ten minste tien jaren in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba toelating en hoofdverblijf heeft gehad. 4. De termijn bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt op drie jaren gesteld voor de verzoeker die hetzij ongehuwd tenminste drie jaren onafgebroken met een ongehuwde Nederlander in een duurzame relatie anders dan het huwelijk samenleeft, hetzij staatloos is, tenzij het Nederlanderschap eerder is ingetrokken op grond van artikel 14, eerste lid. 5. De termijn bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt eveneens op drie jaren gesteld voor de verzoeker die door erkenning of wettiging zonder erkenning het kind van een Nederlander is geworden. Voor de verzoeker die tijdens zijn minderjarigheid is erkend of gewettigd wordt de termijn van drie jaren verminderd met de onafgebroken periode gedurende welke hij onmiddellijk voorafgaande aan zijn meerderjarigheid na de erkenning of wettiging zonder erkenning, verzorging en opvoeding heeft genoten van de Nederlander door wie hij is erkend of wiens kind hij door wettiging zonder erkenning is geworden. 6. Een krachtens het eerste lid, onder d, vastgestelde algemene maatregel van rijksbestuur treedt niet eerder in werking dan vier weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan beide kamers der Staten-Generaal. RWN: artikelen 1.1b; 1.1f; 1.1g; 1.1h; 2; 7; 8; 9; 10; 11 en 14.1 RRWN: artikelen II en VII.2 BNT: artikelen 2; 3; 5 en 7 BON: artikel 3 en volgende BvvN: artikel 19; artikel 31 en 32 en artikel 72 Bdr: artikelen 5; 6; 8 en 9 BW-BES: artikel 1:30; 1:69 en 1:33; 1:63 WNI: artikel 7 Voor artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN geldt overgangsrecht. Zie de toelichting bij artikel 7 RWN, onder ‘Overgangsrecht’. Dit artikel omvat voorwaarden waaraan een verzoeker moet voldoen om in aanmerking te komen voor verlening van het Nederlanderschap. De overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap worden genoemd in artikel 9, eerste lid, RWN. Voor (mede)verlening aan minderjarige kinderen worden de voorwaarden genoemd in artikel 11 RWN. Om in aanmerking te komen voor verlening van het Nederlanderschap dient de verzoeker als hoofdregel niet alleen te voldoen aan de wettelijke voorwaarden en richtlijnen op het moment waarop het verzoek wordt ingediend, maar ook op het moment waarop Onze Minister (lees: IND-BES) beslist op het verzoek. Een verzoek van een persoon die ten tijde van de indiening van het verzoek nog voldeed aan de wettelijke voorwaarden en richtlijnen voor naturalisatie, maar die op het moment van de beslissing op het verzoek inmiddels niet meer voldoet aan deze vereisten, wordt dus afgewezen. Hierbij kan worden gedacht aan de omstandigheid dat de verblijfstitel na de indiening van het verzoek is gewijzigd of niet meer geldt, of aan de omstandigheid dat er inmiddels niet meer sprake is van een huwelijk of samenwoning met een Nederlander of aan mee te naturaliseren kinderen die na de indiening van het verzoek meerderjarig zijn geworden. Voorts kan worden gedacht aan de omstandigheid dat na de indiening van het verzoek ernstige vermoedens zijn ontstaan dat de verzoeker een gevaar oplevert voor de openbare orde. Een verzoeker die niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, c of d, RWN kan, uitsluitend in geval van zeer bijzondere omstandigheden, verzoeken om toepassing van de hardheidsclausule van artikel 10 RWN. Echter, toepassing van artikel 10 RWN is niet mogelijk als niet wordt voldaan aan de voorwaarde dat ‘geen bedenkingen mogen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in het Koninkrijk van verzoeker’ (artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN), dat de verzoeker ‘verklaart bereid te zijn bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen’ en dat ‘het besluit tot verlening niet wordt bekendgemaakt dan nadat de verklaring daadwerkelijk is afgelegd’ (artikel 8, eerste lid, aanhef en onder e, RWN), dat er geen ernstige vermoedens mogen bestaan dat verzoeker ‘gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk’ (artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN) en van de verplichting van de verzoeker om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit (artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN). Een verzoeker die een beroep doet op toepassing van artikel 10 RWN dient daarom bijvoorbeeld te allen tijde in het bezit te zijn van een verblijfsrecht dat naar zijn aard voor onbepaalde tijd is. Zie tevens de toelichting bij artikel 10. Wettekst: Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker die meerderjarig is. Op het moment dat een verzoek om naturalisatie wordt ingediend, moet de verzoeker meerderjarig zijn in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, RWN. Hij moet dus of de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, voordien in het huwelijk zijn getreden (of voordien in het Europese deel van Nederland een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan) of buiten het Europese deel van Nederland een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan als bedoeld in artikel 1, tweede lid, RWN. Onze Minister (lees: IND-BES) onderzoekt de meerderjarigheid van de verzoeker aan de hand van de gegevens in de basisadministratie persoonsgegevens . Indien de geboortedatum in de bij het verzoek om naturalisatie overgelegde stukken niet overeenstemt met de basisadministratie persoonsgegevens, bevordert de Onze Minister (lees: IND-BES) dat de basisadministratie persoonsgegevens zo mogelijk wordt aangepast. Is de verzoeker nog minderjarig, maar is naturalisatie gewenst op grond van zeer bijzondere omstandigheden, dan is verlening van het Nederlanderschap uitsluitend mogelijk met toepassing van artikel 10 RWN (zie de toelichting bij dat artikel). Zie echter voor medeverlening aan minderjarigen artikel 11, eerste lid, RWN. Zie voorts artikel 11, vierde lid, RWN, waarin een categorie minderjarigen wordt genoemd die zelfstandig voor naturalisatie in aanmerking komt. Wettekst: Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker tegen wiens verblijf voor onbepaalde tijd in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, geen bedenkingen bestaan. Dit artikellid strekt ertoe te waarborgen dat het (op grond van de WTU-BES gevoerde) vreemdelingenbeleid en het (op grond van de RWN gevoerde) naturalisatiebeleid met elkaar in overeenstemming zijn. De verlening van het Nederlanderschap mag het vreemdelingenbeleid immers niet doorkruisen. Onderstaand wordt aangegeven op welke wijze aan de hand van de verblijfsvergunning van de verzoeker kan worden beoordeeld of er in beginsel al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd (zie hierna paragraaf 3). Vervolgens wordt beschreven hoe te handelen indien verzoeker niet beschikt over een verblijfsvergunning, het verblijfsrecht behoort te worden ingetrokken, het verblijfsrecht van rechtswege is komen te vervallen. De openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba hebben hun eigen vreemdelingenrecht en -beleid, vastgelegd in de Wet Toelating en Uitzetting (WTU-BES) en het daarop gebaseerde Besluit Toelating en Uitzetting BES (BTU-BES), de Regeling Toelating en Uitzetting BES (RTU-BES) en de Circulaire Toelating en Uitzetting BES (CTU-BES). Dit zijn geen Rijksregelingen. De toepassing en interpretatie van de WTU-BES en de uitvoeringsregelingen in het kader van de uitvoering RWN dient echter zoveel mogelijk in harmonie te zijn met de daarin en in de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap toegespitst op het gebruik in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba verwoorde uitgangspunten op verblijfsrechtelijk terrein. Zoals opgenomen in de toelichting op artikel 1, lid 1 onder g RWN heeft het begrip ‘toelating voor onbepaalde tijd’ dezelfde betekenis als ‘geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd’ in dit artikel. Een vreemdeling tegen wiens verblijf voor onbepaalde tijd in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba geen bedenkingen bestaan, voldoet dan ook aan het vereiste ‘toelating voor onbepaalde tijd’. Om te voldoen aan dit artikellid moet een vreemdeling dan ook in het bezit zijn van verblijfsrecht dat naar zijn aard geen tijdelijk karakter heeft. Vreemdelingen die in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba verblijven, hebben toelating van rechtswege of toelating bij vergunning verleend. Toelating van rechtswege krijgt een vreemdeling op grond van: het behoren tot één van de categorieën opgenomen in artikel 3 BTU-BES; of verblijf in de zogenoemde ‘vrije termijn’ (in principe 3 maanden en in geval van verlenging door Onze Minister van de termijn wegens bijzondere omstandigheden 6 maanden (artikel 4.4, lid 1 sub c, BTU-BES) op grond van artikel 5a WTU-BES. Als een vreemdeling niet bij of krachtens artikel 3 of 5a van de WTU-BES tot één van de openbare lichamen van rechtswege is toegelaten dan moet hij in het bezit zijn van: een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd; of een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. (Zie artikel 6, lid 1, WTU-BES) De verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd wordt verleend door Onze Minister. Onze Minister kan aan de vreemdeling, die toelating van rechtswege (alleen o.g.v. artikel 3, lid 3 BTU-BES) of bij vergunning verleend heeft, een document of schriftelijke verklaring verschaffen waaruit die toelating blijkt (artikel 7, lid 1, WTU-BES) Ad 1) Van rechtswege toelating tot verblijf in de openbare lichamen op grond van artikel 3, lid 1 WTU-BES hebben in ieder geval: vreemdelingen van overheidswege uitgezonden, zolang zij in overheidsdienst zijn; vreemdelingen, die in dienst zijn geweest van een openbaar lichaam en uit dien hoofde pensioen of uitkering bij wijze van pensioen genieten, alsmede de niet hertrouwde weduwen van zodanige vreemdelingen; in de openbare lichamen als zodanig toegelaten beroepsconsuls, beroepsconsulaire ambtenaren en ander consulair personeel; militairen, gedurende de tijd dat zij in de openbare lichamen zijn gestationeerd; opvarenden van tot de zee- of luchtmacht van enige mogendheid behorende schepen of luchtvaartuigen, gedurende de tijd, dat de openbare lichamen met toestemming van de bevoegde autoriteit worden aangedaan; de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot en minderjarige kinderen van de onder a, b, c en d genoemde vreemdelingen; en vreemdelingen, in een openbaar lichaam geboren, mits zij de leeftijd van zestien jaar hebben bereikt, en sedert hun geboorte onafgebroken in de openbare lichamen zijn toegelaten geweest. Aan vreemdelingen die voldoen aan de omschrijving in artikel 3, lid 1 a t/m g WTU-BES wordt desgevraagd door Onze Minister een verklaring verstrekt waaruit blijkt dat zij van rechtswege toelating tot verblijf in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba hebben (artikel 3, lid 3 WTU-BES). Ad 2) Van rechtswege toelating tot verblijf in de openbare lichamen op grond van artikel 5a WTU-BES en hoofdstuk 4 Toelating van rechtswege BTU-BES hebben in ieder geval: Toeristen (zie artikel 4.2, lid 1 BTU-BES); en Houders van een doorreisvisum of vreemdelingen aan wie voor dooreis een bijzonder doorlaatbewijs is afgegeven (zie artikel 4.4, lid 1 BTU-BES). Deze vreemdelingen mogen maximaal 3 maanden zonder toelating bij vergunning in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba verblijven (artikel 4.2, lid 1 en artikel 4.4, lid 1 BTU-BES). Deze termijn kan echter wegens bijzondere omstandigheden door Onze Minister verlengd worden tot 6 maanden (artikel 4.4, lid 1 sub c, BTU-BES) Let op: Een vreemdeling die op grond van artikel 5a WTU-BES toelating van rechtswege in de openbare lichamen heeft (op grond van de vrije termijn) is slechts niet uitzetbaar (artikel 5.1 BTU-BES). Deze termijn van toelating telt niet mee in de beoordeling of een vreemdeling voldoet aan een bepaalde termijn van toelating op grond van de RWN. De termijn van toelating van rechtswege op grond van artikel 3 WTU-BES telt wel mee in de beoordeling of een vreemdeling voldoet aan voldoet aan een bepaalde termijn van toelating op grond van de RWN. Deze toelating moet dan echter wel worden aangetoond op grond van een door Onze Minister afgegeven schriftelijke verklaring waaruit de van rechtswege toelating tot verblijf in de openbare lichamen blijkt (artikel 3, lid 3 WTU-BES). Van personen die op grond van artikel 3 WTU-BES toelating van rechtswege hebben, heeft het verblijfrecht een tijdelijk karakter. Dit staat in artikel 5.3, vierde lid, BTU-BES. Ondanks dit tijdelijke karakter kan een aantal categorieën personen die genoemd zijn in artikel 3 WTU-BES toch het Nederlanderschap verkrijgen. Hoewel op grond van de BTU-BES sprake is van een tijdelijk verblijfrecht, bestaan op grond van de Rijkswet op het Nederlanderschap (artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN) géén bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba ten aanzien van een aantal categorieën genoemd in artikel 3 WTU-BES. Dit betekent dat de volgende personen die toelating van rechtswege hebben toch door naturalisatie Nederlander kunnen worden: vreemdelingen van overheidswege uitgezonden, zolang zij in overheidsdienst zijn (artikel 3, eerste lid onder a, WTU-BES); vreemdelingen, die in dienst zijn geweest van een openbaar lichaam en uit dien hoofde pensioen of uitkering bij wijze van pensioen genieten, alsmede de niet hertrouwde weduwen van zodanige vreemdelingen; (artikel 3, eerste lid onder b, WTU-BES) vreemdelingen, in een openbaar lichaam geboren, mits zij de leeftijd van zestien jaar hebben bereikt, en sedert hun geboorte onafgebroken in de openbare lichamen zijn toegelaten geweest (artikel 3, eerste lid onder g, WTU-BES); Personen die toelating van rechtswege hebben op grond van artikel 3, eerste lid onder f, WTU-BES kunnen ook Nederlander worden, maar alléén als tegen het verblijf van de hoofdpersoon door wie zij verblijf hebben géén bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. Dit geldt dus voor de categorieën genoemd in artikel 3, eerste lid onder a en b, WTU-BES. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt altijd verleend onder beperkingen verband houdende met het doel waarvoor het verblijf wordt toegestaan (artikel 7, lid 7 WTU-BES). De beperkingen waaronder een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend houden verband met: gezinshereniging of gezinsvorming; verblijf ter adoptie of als pleegkind; het verrichten van arbeid in loondienst; het verrichten van arbeid als zelfstandige; voortgezet verblijf; verblijf als gepensioneerde of rentenier; wedertoelating; het volgen van studie; verblijf als stagiair; verblijf als praktikant; vervolging van mensenhandel; verblijf als investeerder; verblijf als vrijwilliger. (zie artikel 5.2, lid 1 BTU-BES) Daarnaast kan op grond van artikel 12a van de WTU-BES een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend om redenen verband houdend met bescherming. Deze verblijfsvergunning kan worden verleend aan de vreemdeling die: verdragsvluchteling is; aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; als echtgenoot of echtgenote of minderjarig kind feitelijk behoort tot het gezin van de vreemdeling, bedoeld onder a of b, die dezelfde nationaliteit heeft als die vreemdeling en gelijktijdig met deze vreemdeling de openbare lichamen is ingereisd; of die als partner of als meerderjarig kind zodanig afhankelijk is van de vreemdeling, bedoeld onder a of b, dat hij om die reden behoort tot het gezin van deze vreemdeling, die dezelfde nationaliteit heeft als deze vreemdeling en gelijktijdig met deze vreemdeling de openbare lichamen is ingereisd. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt in de regel voor ten hoogste één jaar verleend en kan telkens met ten hoogste één jaar worden verlengd (artikel 5.25 BTU-BES). Voor uitzonderingen zie artikel 5.26 t/m 5.29 BTU-BES. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend voor ten hoogstens vijf achtereenvolgende jaren (artikel 6, lid 2 WTU-BES). Het verblijfsrecht van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is tijdelijk indien de verblijfsvergunning is verleend onder een bepaling verband houdend met: gezinsvorming of gezinshereniging met of verblijf ter adoptie of als pleegkind bij een persoon met tijdelijk verblijfsrecht; het volgen van studie; verblijf als stagiair of praktikant; vervolging van mensenhandel; verblijf als investeerder; verblijf als vrijwilliger verblijf verband houdend met bescherming als bedoeld in artikel 12a van de Wet. (Zie artikel 5.3, lid 2, BTU-BES) Indien een verblijfsvergunning is verleend onder een van de hierboven genoemde bepalingen, is het verblijfsrecht op grond van de verblijfsvergunning tijdelijk van aard. Daarom bestaan bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in de zin van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN en komen vreemdelingen die in het bezit zijn van deze verblijfsvergunning niet in aanmerking voor verlening van het Nederlanderschap. Het verblijfsrecht is in principe niet tijdelijk indien de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend is onder een andere beperking dan hierboven genoemd, tenzij dit bij de verlening van de verblijfsvergunning anders is bepaald (zie artikel 5.3, lid 3, BTU-BES). Hiervoor moet de beschikking van de toelatingsorganisatie in de openbare lichamen (lees: IND-BES) die ten grondslag ligt aan het verlenen van de verblijfsvergunning worden bekeken. Een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt niet onder beperkingen verleend. Bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd Het verblijfsrecht op grond van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd is nooit tijdelijk van aard, daarom bestaan er in principe geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in de zin van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN. De verzoeker dient bij de indiening van het verzoek om naturalisatie de gegevens en bescheiden te verschaffen die voor de beslissing op het verzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs kan beschikken. Hij verstrekt bij de indiening van het verzoek de tegenwoordige en, voor zoveel nodig, de gegevens met betrekking tot de eerdere verblijfsrechtelijke status (artikel 31, eerste lid aanhef en onder f, BvvN). Hij zal dan ook het verblijfsdocument moeten overleggen op grond waarvan zijn verblijfsrechtelijke status kan worden beoordeeld. Daarnaast kan de verzoeker gevraagd worden een schriftelijke verklaring van Onze Minister over te leggen waaruit de eerdere van rechtswege toelating tot verblijf in de openbare lichamen blijkt . Het gaat overigens te ver om in de naturalisatieprocedure zelfstandig te onderzoeken of verzoeker in aanmerking zou kunnen komen voor een verblijfsvergunning die naar zijn aard al dan niet tijdelijk is. De naturalisatieprocedure is daar niet op ingericht en is daar ook niet voor bedoeld. Inzet van de naturalisatieprocedure is evenmin de vraag of de verblijfsvergunning die de verzoeker bezit al dan niet moet worden ingetrokken dan wel niet moet worden verlengd. Vragen omtrent de verlening, de intrekking dan wel de niet-verlenging van een verblijfsvergunning behoren in beginsel inzet te zijn van een vreemdelingenrechtelijke procedure op grond van de WTU-BES, het Besluit Toelating en Uitzetting BES (BTU-BES), de Regeling Toelating en Uitzetting BES (RTU-BES) en de Circulaire Toelating en Uitzetting BES (CTU-BES). Daarom wordt in het kader van de behandeling van een verzoek om naturalisatie in het algemeen geen fictietoets toegepast, waarbij wordt bekeken of de verzoeker die niet in het bezit is van een verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd, daarvoor wel in aanmerking zou kunnen komen indien daarom zou worden gevraagd. Bij de toelatingorganisatie (lees: IND-BES) kan de verzoeker een aanvraag indienen om een (andere) verblijfsvergunning. In gevallen waarin een verzoeker in het geheel niet in het bezit is van een verblijfsvergunning, niet bereid is om een verblijfsvergunning te verkrijgen en niettemin een verzoek om naturalisatie wil indienen, kan het verzoek door Onze Minister (lees: IND-BES) worden afgewezen. Er zijn ook situaties denkbaar waarin de verzoeker niet (langer) beschikt over de juiste verblijfsrecht om voor naturalisatie in aanmerking te komen (bijvoorbeeld op grond van artikel 3 of 5a WTU-BES), waarin de verblijfsvergunning behoort te worden ingetrokken (op grond van artikel 14 WTU-BES), waarin het verblijfsrecht van rechtswege is komen te vervallen (bijvoorbeeld op grond van artikel 10 en artikel 12 WTU-BES). Voor die gevallen geldt het navolgende. Hoewel de verzoeker bij de indiening van het verzoek het verblijfsdocument moet overleggen waaruit moet blijken of er al dan niet bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd bestaan, is uiteindelijk doorslaggevend of er op het moment van de beslissing op het verzoek om naturalisatie dergelijke bedenkingen bestaan. Indien er ten tijde van het verzoek wel, maar op het moment van de beslissing geen bedenkingen bestaan, kan het verzoek toch worden ingewilligd (alleen als ook aan de andere voorwaarden wordt voldaan). Ook omgekeerd geldt: als er ten tijde van het verzoek geen, maar op het moment van de beslissing wel bedenkingen bestaan, komt de verzoeker niet in aanmerking voor naturalisatie. Indien de verzoeker bij de indiening van het verzoek niet kan aantonen dat er tegen zijn verblijf voor onbepaalde tijd geen bedenkingen bestaan, wordt hem ontraden een verzoek in te dienen en wordt hij verwezen naar de toelatingorganisatie (lees: IND-BES). Indien de verzoeker er niettemin op staat een verzoek in te dienen, zal Onze Minister (lees: IND-BES) het verzoek in ontvangst nemen. Het verdient aanbeveling een woordelijk verslag op te maken en dit door verzoeker te laten ondertekenen. Verzoeker wordt erop gewezen dat, in het geval zijn verzoek tot naturalisatie buiten behandeling wordt gesteld dan wel wordt afgewezen, hij de voor naturalisatie betaalde leges niet terugkrijgt. Onze Minister (lees: IND-BES) kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in model 2.21. Het bovenstaande neemt niet weg dat een verzoeker (met uitzondering van een verzoeker als bedoeld in artikel 8, tweede lid, RWN) op grond van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, RWN op het moment van indiening van het verzoek om naturalisatie een onafgebroken periode van vijf jaar ‘toelating’ moet hebben in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN (zie de toelichting bij dat artikel) en dat die ‘toelating’ moet voortduren tot en met het moment van beslissen op het verzoek om naturalisatie. N.B: Op grond van artikel 14, derde lid Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap (RvvN) worden de tijdvakken van toelating in de Nederlandse Antillen, gelegen voor de inwerkingtreding van de Rijkswet aanpassing rijkswetten aan de oprichting van de nieuwe landen, in aanmerking genomen als ware het toelating in Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Bij het indienen van een verzoek om naturalisatie en tijdens de behandeling van dat verzoek kunnen omstandigheden aan het licht komen die grond kunnen vormen om de verblijfsvergunning voor bepaalde of voor opbepaalde tijd in te trekken dan wel niet te verlengen. In artikel 14 van de WTU-BES worden de gronden aangegeven die tot intrekking van de verblijfsvergunning voor bepaalde of voor onbepaalde tijd door Onze Minister kunnen leiden. Indien er aanwijzingen bestaan dat een verblijfsvergunning dient te worden ingetrokken dan wel niet dient te worden verlengd bijvoorbeeld op grond van een onherroepelijk geworden veroordeling terzake van een misdrijf tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van drie maanden of langer, kunnen – ondanks dat verzoeker (nog) in het bezit is van een geldig verblijfsdocument – wél bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. De verzoeker wordt ontraden een verzoek in te dienen en hij wordt verwezen naar de toelatingorganisatie (lees: IND-BES). Houdt verzoeker niettemin vast aan indiening van het verzoek, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in paragraaf 3.1 bij de toelichting op dit artikellid. Vóór 1 april 2003 kon aan minderjarige kinderen het Nederlanderschap worden verleend op grond van artikel 10 RWN (de zogenaamde na-naturalisatie) dan wel op grond van artikel 11 RWN (medeverlening). In beide gevallen was vereist dat er geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten en in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba van het kind mochten bestaan. Dit vereiste is na 1 april 2003 opgenomen in artikel 11 RWN, waarin is bepaald dat het kind voor wie (mede)naturalisatie wordt verzocht ‘toelating voor onbepaalde tijd’ in het Koninkrijk moet hebben (zie de toelichting bij artikel 11 RWN). Het begrip ‘toelating voor onbepaalde tijd’ heeft dezelfde betekenis als ‘geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd’ (zie ook de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN). ALTIJD bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd (geen toelating voor onbepaalde tijd) Soort toelating Verband houdend met Codes (1e en 2e) op document Artikel Toelating van rechtswege Toelating van rechtswege (verklaring van Onze Minister) In de openbare lichamen als zodanig toegelaten beroepsconsuls, beroepsconsulaire ambtenaren en ander consulair personeel R (GB) Artikel 3, eerste lid onder c WTU-BES Militairen, gedurende de tijd dat zij in de openbare lichamen zijn gestationeerd R (GB) Artikel 3, eerste lid onder d WTU-BES Opvarenden van tot de zee-of luchtmacht van enige mogendheid behorende schepen of luchtvaarttuigen, gedurende de tijd, dat de openbare lichamen met toestemming van de bevoegde autoriteit worden aangedaan R (GB) Artikel 3, eerste lid onder e WTU-BES De niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot en minderjarige kinderen van de onder c en d genoemde vreemdelingen R (GB) Artikel 3, eerste lid onder f WTU-BES (let op, alleen bij artikel 3, eerste lid onder c en d WTU-BES) (R) Artikel 5a WTU-BES en artikelen 4.1 t/m 4.4. BTU-BES Toelating bij vergunning verleend Verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verband houdend met: Gezinsvorming of gezinshereniging met of verblijf ter adoptie of als pleegkind bij een persoon met tijdelijk verblijfsrecht B GE Artikel 5.2 en 5.3, lid 2 onder a BTU BES het volgen van studie B ST Artikel 5.2 en 5.3, lid 2 onder a BTU-BES verblijf als stagiair of praktikant B SG of B VP Artikel 5.2 en 5.3, lid 2 onder a BTU-BES vervolging van mensenhandel B VM Artikel 5.2 en 5.3, lid 2 onder a BTU-BES verblijf als investeerder B IN Artikel 5.2 en 5.3, lid 2 onder a BTU-BES verblijf als vrijwilliger B Artikel 5.2 en 5.3, lid 2 onder a BTU-BES verblijf verband houdend met bescherming als bedoeld in artikel 12a in de Wet B BE Artikel 5.2 en 5.3, lid 2 onder a BTU-BES NOOIT bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd (toelating voor onbepaalde tijd) Soort toelating Verband houdend met Codes (1e en 2e) op document Artikel Toelating bij vergunning verleend Verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd O Artikel 6 en 7, lid 9 WTU-BES Toelating van rechtswege (verklaring van Onze Minister) Vreemdelingen van overheidswege uitgezonden, zolang zij in overheidsdienst zijn R (GB) Artikel 3, eerste lid onder a WTU-BES Vreemdelingen, die in dienst zijn geweest van een openbaar lichaam en uit dien hoofde pensioen of uitkering bij wijze van pensioen genieten, alsmede die niet hertrouwende weduwen van zondanige vreemdelingen R (GB) Artikel 3, eerste lid onder b WTU-BES De niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot en minderjarige kinderen van de onder a en b genoemde vreemdelingen R (GB) Artikel 3, eerste lid onder f WTU-BES (let op, alleen bij artikel 3, eerste lid onder a en b WTU-BES) Vreemdelingen, in een openbaar lichaam geboren, mits zij de leeftijd van zestien jaar hebben bereikt, en sedert hun geboorte onafgebroken in de openbare lichamen zijn toegelaten geweest R (GB) Artikel 3, eerste lid onder g WTU-BES SOMS bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd (wel/geen toelating voor onbepaalde tijd) Soort toelating Bedenkingen indien Codes (1e en 2e) op document Artikel Toelating bij vergunning verleend Verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verband houden met: gezinshereniging of gezinsvorming Alleen bedenkingen indien de verblijfsvergunning is verleend bij een persoon met tijdelijk verblijfsrecht zoals opgenomen in artikel 5.3, lid 2, BTU-BES. Het verblijfsrecht kan ook tijdelijk zijn wanneer dit bij de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is bepaald. Dit blijkt uit de beschikking van de IND-BES. B GE Artikel 5.3, lid 2 BTU-BES Artikel 5.3, lid 3, BTU-BES verblijf ter adoptie of als pleegkind Alleen bedenkingen indien de verblijfsvergunning is verleend bij een persoon met tijdelijk verblijfsrecht zoals opgenomen in artikel 5.3, lid 2, BTU-BES. Het verblijfsrecht kan ook tijdelijk zijn wanneer dit bij de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is bepaald. Dit blijkt uit de beschikking van de IND-BES. B AP Artikel 5.3, lid 2 BTU-BES Artikel 5.3, lid 3 BTU-BES het verrichten van arbeid in loondienst Alleen bedenkingen indien bij de verlening van de verblijfsvergunning is bepaald dat het verblijfsrecht op grond van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd tijdelijk is. B AR Artikel 5.2 en artikel 5.3, lid 3 BTU-BES het verrichten van arbeid als zelfstandige Alleen bedenkingen indien bij de verlening van de verblijfsvergunning is bepaald dat het verblijfsrecht op grond van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd tijdelijk is. B ZE Artikel 5.2 en artikel 5.3, lid 3 BTU-BES voortgezet verblijf Alleen bedenkingen indien bij de verlening van de verblijfsvergunning is bepaald dat het verblijfsrecht op grond van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd tijdelijk is. B VO Artikel 5.2 en artikel 5.3, lid 3 BTU-BES verblijf als gepensioneerde of rentenier Alleen bedenkingen indien bij de verlening van de verblijfsvergunning is bepaald dat het verblijfsrecht op grond van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd tijdelijk is. B PR Artikel 5.2 en artikel 5.3, lid 3 BTU-BES wedertoelating Alleen bedenkingen indien bij de verlening van de verblijfsvergunning is bepaald dat het verblijfsrecht op grond van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd tijdelijk is. B WE Artikel 5.2 en artikel 5.3, lid 3 BTU-BES Wettekst: Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker die tenminste sedert vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, toelating en hoofdverblijf heeft. Vóór 1 april 2003 was in dit artikellid als voorwaarde opgenomen dat een verzoeker voor naturalisatie in aanmerking kon komen, indien hij of zij ten minste vijf jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek woonplaats of werkelijk verblijf in het Koninkrijk had. De vraag of verzoeker in deze periode was toegelaten, speelde daarbij geen rol (ook niet-rechtmatig verblijf werd meegeteld). In het kader van de integratie van het vreemdelingenbeleid in de RWN is met ingang van 1 april 2003 in het onderhavige artikellid bepaald dat verzoeker gedurende de vereiste periode van vijf jaar in één van de landen van het Koninkrijk ‘toelating en hoofdverblijf’ moet hebben. Deze bepaling is bedoeld om te voorkomen dat een vreemdeling rechten opbouwt in een periode dat hij geen recht heeft om in één van de landen van het Koninkrijk te verblijven. Van ‘toelating’ in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba als bedoeld in deze Rijkswet op het Nederlanderschap is sprake indien verzoeker toelating heeft op grond van artikel 3 (toelating van rechtswege) of artikel 6, artikel 7 en artikel 12a van de WTU-BES (toelating bij vergunning verleend). Verzoeker dient deze toelating aan de hand van een verblijfsdocument en/of schriftelijke verklaring aan te tonen (zie de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN). Een vreemdeling die op grond van artikel 5a WTU-BES (vrije termijn) toelating van rechtswege in de openbare lichamen heeft is slechts niet uitzetbaar (artikel 5.1 BTU-BES). Deze termijn van toelating telt niet mee in de beoordeling of een vreemdeling voldoet aan een bepaalde termijn van toelating op grond van de RWN. De termijn van toelating van rechtswege op grond van artikel 3 WTU-BES telt wel mee in de beoordeling of een vreemdeling voldoet aan een bepaalde termijn van toelating op grond van de RWN. Deze toelating moet wel worden aangetoond op grond van een door Onze Minister afgegeven schriftelijke verklaring waaruit de van rechtswege toelating tot verblijf in de openbare lichamen blijkt (artikel 3, lid 3 WTU-BES). Let op: indien een vreemdeling enkel in het bezit is van een verklaring van toelating van rechtswege en niet van een verblijfsvergunning met een niet tijdelijk verblijfsrecht, bestaan bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in de openbare lichamen op grond van artikel 8, lid 1 onder b RWN. Op grond van artikel 14, derde lid Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap (RvvN) worden de tijdvakken van toelating in de Nederlandse Antillen, gelegen voor de inwerkingtreding van de Rijkswet aanpassing rijkswetten aan de oprichting van de nieuwe landen, in aanmerking genomen als ware het toelating in Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Het vereiste van vijf jaar ‘hoofdverblijf’ in één van de landen van het Koninkrijk is opgenomen om enige garantie te verschaffen dat een bepaalde mate van inburgering tot stand is gekomen en dat de verzoeker in één van de landen van het Koninkrijk wil blijven wonen. Of sprake is van hoofdverblijf wordt getoetst aan de hand van de gegevens uit de basisadministratie persoonsgegevens. Indien deze gegevens niet afdoende blijken uit de basisadministratie persoonsgegevens, dient de verzoeker zijn hoofdverblijf gedurende de afgelopen vijf jaar zelf aan te tonen door middel van andere bewijsstukken. Het begrip ‘hoofdverblijf’ is gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN (zie de toelichting bij dat artikellid). Op grond van artikel 29 RWN telt de periode van hoofdverblijf in de toenmalige Nederlandse Antillen die is doorgebracht vóór 10 oktober 2010 mee bij de vraag of wordt voldaan aan de vereiste termijn van hoofdverblijf in de openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint Eustatius. In het onderhavige artikellid staat uitdrukkelijk dat de vijf jaren toelating en hoofdverblijf onmiddellijk vooraf dienen te gaan aan de indiening van het verzoek. Het heeft daarom geen zin om voortijdig een verzoek in te dienen in de veronderstelling dat in de loop van de procedure de termijn van vijf jaar zal worden gehaald. Uit de tekst van de wet vloeit voort dat een voortijdig ingediend verzoek wordt afgewezen. Uit de wettekst vloeit ook voort dat gedurende de vijf jaren vóór het indienen van zijn verzoek om naturalisatie het verblijfsrecht van verzoeker niet onderbroken mag zijn. Het woord ‘sedert’ duidt erop dat het vereiste van ononderbroken toelating en hoofdverblijf eveneens geldt voor de periode vanaf het moment van indiening van het verzoek tot en met de beslissing op het verzoek. Gedurende de periode van vijf jaar onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek én gedurende de periode vanaf de indiening van het verzoek tot en met de beslissing op het verzoek mogen er derhalve geen zogenaamde ‘verblijfsgaten’ voorkomen. Een verblijfsgat leidt tot een onderbreking van de termijn. Na de onderbreking begint opnieuw een termijn van vijf jaar te lopen. Of wordt voldaan aan de vereiste periode van onafgebroken toelating zal Onze Minister (lees: IND-BES) afleiden uit het (verblijfs)document en/of schriftelijke verklaring van Onze Minister waaruit de van rechtswege toelating tot verblijf in de openbare lichamen blijkt en de gegevens in de vreemdelingenadministratie Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker die in het Koninkrijk en het land van ingezetenschap als ingeburgerd kan worden beschouwd op grond van het feit dat hij beschikt over een bij algemene maatregel van rijksbestuur te bepalen mate van kennis van de Nederlandse taal en – indien hij in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, hoofdverblijf heeft – de taal die op het eiland van het hoofdverblijf gangbaar is, alsmede van de staatsinrichting en maatschappij van het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, en hij zich ook overigens in een van deze samenlevingen heeft doen opnemen. In het onderhavige artikellid beschrijft de wetgever wat hij onder inburgering verstaat. Dit geschiedt aan de hand van een tweedeling: de vreemdeling die in Bonaire verblijft, moet beschikken over kennis van de Nederlandse taal en het Papiaments, en de vreemdeling die in Sint Eustatius of Saba verblijft, moet beschikken over kennis van de Nederlandse taal en het Engels. Bovendien moeten alle vreemdelingen, ongeacht hun woonplaats, zich hebben doen opnemen in de samenleving van respectievelijk Bonaire, Sint Eustatius of Saba. De vreemdeling moet zich kennis van de staatsinrichting en maatschappij hebben eigen gemaakt. Hij moet de onderwerpen taal, staatsinrichting en maatschappij op een zodanig niveau beheersen dat hij zelfstandig in de samenleving van Bonaire, Sint Eustatius dan wel Saba kan functioneren. Dit algemeen geformuleerde niveau is bepaald door een algemene maatregel van rijksbestuur. Artikel 2, vierde lid Regeling Naturalisatietoets openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba 2011 concretiseert dit niveau als niveau A2 van het Europese Raamwerk voor moderne talen. Dit is ook in het Europese deel van Nederland het vereiste van de naturalisatietoets. Vanaf 1 januari 2011 bestaat de naturalisatietoets uit drie onderdelen, die elk worden getoetst: Kennis van de staatsinrichting en maatschappij (deel I); Spreek-, luister-, schrijf- en leesvaardigheid in het Papiaments (Bonaire) of Engels (Saba en Sint Eustatius) (deel II); Spreek-, luister-, schrijf- en leesvaardigheid in het Nederlands (deel III). Het vereiste van kennis van de Nederlandse taal naast het Papiaments dan wel Engels geldt vanaf 1 januari 2011 (Stbl. 2010, 292). Vanaf deze datum is ook de taalkeuze vervallen voor de toetsing van deel I; de kennis van de staatsinrichting en maatschappij van de openbare lichamen wordt in Bonaire uitsluitend getoetst in het Papiaments en in Saba en Sint Eustatius in het Engels (artikel 2, tweede lid Regeling Naturalisatietoets openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba 2011). Op naturalisatieverzoeken die zijn ingediend voor 1 januari 2011 blijft het oude artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d RWN van toepassing. Voor deze verzoeken geldt dus dat de verzoeker slechts ingeburgerd hoeft te zijn in een van beide talen, of te wel in het Nederlands of in het Papiaments (Bonaire) of Engels (Saba en Sint Eustatius). Let op! Voor vreemdelingen die na 1 januari 2011 een verzoek om naturalisatie indienen en die vóór 1 januari 2011 al deel II of de gehele naturalisatietoets hebben afgelegd zoals deze gold vóór 1 januari 2011, gelden gedeeltelijke vrijstellingen. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 2.2.2. Soms komt een verzoeker in aanmerking voor volledige vrijstelling of ontheffing van de naturalisatietoets. Artikel 3 Besluit naturalisatietoets verleent van rechtswege volledige vrijstelling van de naturalisatietoets. De beoordeling daarvan ligt volledig bij de IND. Er is hierover geen advies van de gezaghebber nodig. Dit geldt ook bij een volledige ontheffing op grond van artikel 4 en onder a Besluit naturalisatietoets. De beoordeling daarvan ligt volledig bij de IND. Aan de hand van de door de verzoeker overgelegde stukken beoordeelt de IND of sprake is van volledige ontheffing. Er is hierover geen advies van de gezaghebber nodig. Alleen bij een beroep op ‘geleverde inspanningen’ (artikel 4, en onder b Besluit naturalisatietoets) moet ex artikel 11 Regeling naturalisatietoets openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba 2011 sprake zijn van een advies van de gezaghebber. De IND informeert de vreemdeling over de beleidscriteria die de Minister hanteert om voor een geslaagd beroep op ‘geleverde inspanningen’ in aanmerking te komen. De vreemdeling die na de ontvangen informatie in aanmerking wil komen voor toepassing van artikel 4 en onder b Besluit naturalisatietoets vraagt vervolgens zelf het advies aan bij de gezaghebber. Aan de indiening van het verzoek om naturalisatie gaat een voorlichtingsfase vooraf, waarin Onze Minister (lees: IND-unit Caribisch Nederland) de aspirant-verzoeker informeert over de voorwaarden voor naturalisatie, waaronder het afleggen van de naturalisatietoets. In dit stadium kan en hoeft de aspirant-verzoeker nog geen verzoek om naturalisatie in te dienen en dus ook nog geen naturalisatiegelden te voldoen. Onze Minister (lees: IND-unit Caribisch Nederland) legt dan ook geen dossier aan totdat het verzoek om naturalisatie daadwerkelijk wordt ingediend. In de regel gebeurt dat pas nadat betrokkene de naturalisatietoets heeft gehaald en het Certificaat Naturalisatietoets over kan leggen. De gezaghebber is bevoegd de naturalisatietoets af te nemen en om de uitslag daarvan vast te stellen (zie artikel 3 Regeling Naturalisatietoets openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba 2011). Tegen het oordeel over de resultaten van de naturalisatietoets staat geen separaat rechtsmiddel open. De examenuitslag is alleen van belang in het kader van de uiteindelijke beslissing op het ingediende verzoek om naturalisatie. Tegen de beslissing op het verzoek om naturalisatie staat wel bezwaar en beroep open. In het geval van digitale examinering van een taalvaardigheid waarbij het examensysteem de mogelijkheid kent tot het verlengen van de standaard examentijd stelt de examinator deze verlengingsmogelijkheid bij alle kandidaten in. Een verlenging van maximaal 30 minuten is op deze manier toegestaan. Als de toetsresultaten positief zijn beoordeeld, wordt aan de aspirant-verzoeker het Certificaat Naturalisatietoets uitgereikt. Als de kandidaat deel I of (één of meer onderdelen van) deel II en deel III niet heeft behaald, kan hij deze herkansen. De aan de herkansing verbonden kosten moeten voorafgaande aan het afleggen van het betreffende toetsonderdeel worden voldaan. De examengelden bedragen zijn opgenomen in de Regeling Naturalisatietoets openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba 2011. Voorheen paragraaf 2.1. De verzoeker legt bij zijn verzoek om naturalisatie het Certificaat Naturalisatietoets, model 2011 over (artikel 5 BNT) tenzij hij voor volledige vrijstelling of volledige ontheffing van het afleggen van de naturalisatietoets in aanmerking komt (artikel 40, eerste lid Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap). Als de verzoeker niet voor volledige vrijstelling of volledige ontheffing van het afleggen van de naturalisatietoets in aanmerking komt (of er moet in het geval van ontheffing nog nader onderzoek plaatsvinden), noch het Certificaat Naturalisatietoets, model 2011 kan overleggen, ontraadt Onze Minister (lees: IND-unit Caribisch Nederland) hem een verzoek om naturalisatie in te dienen. Staat hij er toch op een verzoek in te dienen, dan wordt zijn verzoek in ontvangst genomen. In dit geval wijst Onze Minister verzoeker erop dat zijn verzoek om naturalisatie zal worden afgewezen en dat hij de voor naturalisatie te betalen leges niet terug zal ontvangen. Onze Minister kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in model 2.21. Indien verzoeker het Certificaat Naturalisatietoets overlegt, neemt de IND-BES dit op in zijn advies en voegt een kopie van het origineel in het dossier dat aan de IND wordt gezonden. Een kopie conform origineel behoudt hij voor zichzelf. Het diploma wordt weer aan verzoeker overhandigd. In artikel 3 BNT zijn de gronden voor vrijstelling van de naturalisatietoets opgenomen. Deze zijn ontleend aan de in Europees Nederland geldende Wet inburgering, maar van toepassing in het gehele Koninkrijk. In de praktijk zullen verschillende van hieronder genoemde gronden niet voorkomen bij verzoeken in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De verzoeker kan een beroep doen op een vrijstellingsgrond als genoemd in artikel 3 BNT. Hij moet aantonen dat hij behoort tot één van de volgende categorieën vrijgestelde personen: Molukkers, die op grond van de Wet van 9 september 1976 (Stb. 1976, 468) bij de toepassing van de Nederlandse wetgeving worden behandeld als Nederlander en op grond daarvan als voldoende ingeburgerd worden beschouwd; Degene die, na onderwijs te hebben gevolgd in de Nederlandse taal of in de taal die daarnaast op Bonaire, Sint Eustatius of Saba gangbaar is, te weten Papiaments op Bonaire en Engels op Sint Eustatius en Saba, en in het bezit is van een op wettelijke basis uitgereikt diploma of getuigschrift van afronding van een opleiding van wetenschappelijk onderwijs, hoger onderwijs, algemeen voortgezet onderwijs, beroepsonderwijs of leerlingwezen. De verzoeker die onderwijs heeft gevolgd in het Papiaments op Bonaire of in het Engels in Sint Eustatius en Saba, is slechts volledig vrijgesteld van de naturalisatietoets als hij tevens heeft aangetoond dat hij in een vak Nederlands is onderwezen en voor dat vak een voldoende heeft behaald (artikel 3, eerste lid onder b BNT). De verzoeker bezit dan bijvoorbeeld een: getuigschrift Wetenschappelijk Onderwijs of Hoger beroepsonderwijs, uitgereikt op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; diploma voortgezet (middelbaar) onderwijs, uitgereikt op grond van de Wet op het voortgezet onderwijs; diploma beroepsonderwijs, uitgereikt op grond van de Wet educatie beroepsonderwijs; diploma leerlingwezen, uitgereikt op grond van de Wet educatie beroepsonderwijs of de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs; diploma of getuigschrift, uitgereikt op een wettelijke basis anders dan een onderwijswet, nadat onderwijs is gevolgd in de Nederlandse taal of het Papiaments op Bonaire of het Engels op Sint Eustatius en Saba; Degene die in het bezit is van een diploma staatsexamen Nederlands als Tweede taal, programma I of II; Degene die in het bezit is van een Certificaat Inburgering als bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de (voormalige) Wet inburgering nieuwkomers (WIN-certificaat). Het WIN-certificaat is alleen vrijstellend als zowel voor de vier taalonderdelen als voor het onderdeel Maatschappij Oriëntatie een voldoende resultaat is behaald. Hierbij is het volgende van belang: De vier taalonderdelen Voor elk van de onderdelen ‘Luisteren’, ‘Spreken’, ‘Lezen’ en ‘Schrijven’ moet ten minste minimaal niveau 2 van de eindtermen Referentiekader Nederlands als Tweede Taal zijn gehaald. Staat er, al is het maar één keer, ‘op weg naar 2’ (of een lager of helemaal geen niveau), dan is niet het vereiste niveau gehaald. De niveaus moeten in ieder geval zijn vermeld op de bij het WIN-certificaat over te leggen ROC-verklaring. De niveaus van de vier taalonderdelen kunnen ook nog op het WIN-certificaat zelf zijn vermeld. In dat laatste geval moeten de niveaus op de ROC-verklaring en op het WIN-certificaat exact hetzelfde zijn. Het onderdeel Maatschappij Oriëntatie Naast ten minste niveau 2 voor elk van de vier taalonderdelen moet voor het onderdeel Maatschappij Oriëntatie niveau 2 van de Kwaliteitsstructuur Educatie (KSE) zijn gehaald. Voor Maatschappij Oriëntatie kan een niveau zijn aangegeven, maar meestal wordt een scoringspercentage vermeld. De verzoeker moet dit altijd aantonen met de bij het WIN-certificaat behorende ROC-verklaring. Op het certificaat staat soms het niveau, soms het scoringspercentage, en soms is helemaal niets ingevuld. Als op de onderliggende verklaring van het ROC geen niveau wordt vermeld voor het onderdeel Maatschappij Oriëntatie, maar wel een scoringspercentage, dan geldt het volgende. Niveau 2 KSE is in de periode tot en met 31 augustus 2001 behaald bij een percentage van 85 of hoger. Vanaf 1 september 2001 is niveau 2 KSE behaald bij een percentage van 80 of hoger. Omdat WIN-certificaten soms erg laat na de verklaring van het ROC zijn afgegeven, is de datum van de ROC-verklaring bepalend voor de vaststelling welk percentage moet zijn behaald om niveau 2 KSE te hebben gehaald. Degene die beschikt over een beschikking van het College van Burgemeesters en Wethouders als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de (voormalige) Wet inburgering nieuwkomers. De verzoeker moet hiertoe de originele beschikking overleggen. In deze beschikking wordt ten aanzien van de verzoeker besloten het vaststellen van een inburgeringsprogramma achterwege te laten, omdat tijdens het inburgeringsonderzoek aannemelijk was geworden dat de verzoeker de kennis, het inzicht en de vaardigheden die hij door het deelnemen aan een inburgeringsprogramma zou kunnen verwerven, al in voldoende mate op een andere wijze heeft verworven (artikel 3, eerste lid, aanhef en onder e, BNT). Degene die een toets als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de (voormalige) Wet inburgering nieuwkomers met goed gevolg heeft afgelegd, als gevolg waarvan hij beschikt over een besluit inhoudende dat de vaststelling van het inburgeringsprogramma achterwege wordt gelaten (artikel 3, eerst lid, aanhef en onder f, BNT). Degene die beschikt over een beschikking van het College van Burgemeesters en Wethouders als bedoeld in artikel 3, derde lid, onder a, van de (voormalige) Wet inburgering nieuwkomers. De verzoeker moet hiertoe de originele beschikking overleggen. In deze beschikking wordt ten aanzien van de verzoeker vastgesteld dat hij wegens psychische of lichamelijke redenen voor onbepaalde duur is ontheven van de verplichting een inburgeringsprogramma te volgen (artikel 3, eerste lid, aanhef en onder g, BNT). Degene die beschikt over een inburgeringsdiploma (alle onderdelen minimaal op niveau A2) als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de Wet inburgering, zoals dat luidde tot 1 januari 2013 of een diploma (alle onderdelen minimaal op niveau A2) als bedoeld in artikel 7, vierde lid, aanhef en onder g, van de Wet inburgering. Degene die in het bezit is van het document dat wordt uitgereikt nadat de Korte Vrijstellingstoets, bedoeld in artikel 2.7 van het Besluit inburgering met goed gevolg is afgelegd, zoals die tot 1 januari 2013 gold. Hieruit moet blijken dat betrokkene niveau B1 van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde talen heeft gehaald. Degene die tenminste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in het Europese deel van Nederland heeft verbleven. De leerplichtige leeftijd vangt aan op de eerste schooldag van de maand volgend op die waarin de leeftijd van vijf jaar is bereikt en eindigt aan het einde van het schooljaar waarin de leeftijd van 16 jaar is bereikt. Voor de onderhavige vrijstelling van de naturalisatietoets is het voldoende als wordt vastgesteld dat de verzoeker in de periode die is gelegen tussen zijn vijfde en zestiende verjaardag, ten minste acht jaar in Europees Nederland heeft gewoond. Betrokkene kan dit aantonen door een afschrift uit de BRP of een daaraan voorafgaande bevolkingsboekhouding (bijvoorbeeld het Vestigingsregister) waaruit blijkt dat hij ten minste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd woonachtig was in Europees Nederland. Voor de toepassing van deze vrijstellingsgrond is niet vereist dat het hierbij om een ononderbroken inschrijving van acht jaar gaat; ook de betrokken persoon die tijdens de leerplichtige leeftijd bijvoorbeeld twee perioden van vier jaar ingeschreven was, is vrijgesteld. Ook is niet vereist dat het om legaal verblijf gaat. Degene die in het bezit is van een diploma of getuigschrift, vergelijkbaar diploma of een ander document zoals genoemd onder punt 2, behaald in het Nederlandstalig onderwijs in België, mits een voldoende is behaald voor het vak Nederlands. Degene die in het bezit is van een diploma of getuigschrift, vergelijkbaar diploma of een ander document zoals genoemd onder punt 2, behaald in het Nederlandstalig onderwijs in Suriname, mits een voldoende is behaald voor het vak Nederlands. Degene die in het bezit is van het diploma van het Europees baccalaureaat van de Europese school (Trb. 1957, 246), voorzover dat baccalaureaat het vak Nederlands als eerste of tweede taal omvat en voor dat vak een voldoende is behaald. Degene die in het bezit is van het getuigschrift International baccalaureaat Middle Years Certificate, International General Certificate of Secondary Education (IGCSE Certificaat)of International Baccalaureaat, als daartoe een cursus Engels-Nederlandstalig of een cursus Internationaal Baccalaureaat met daarin het vak Nederlands is gevolgd en voor het vak een voldoende is behaald. Bij het IGCSE Certificaat betekent de waardering A t/m G een voldoende voor het vak Nederlands. De vermelding Ungraded betekent een onvoldoende voor het vak Nederlands. Degene die in het bezit is van het certificaat Naturalisatietoets als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van het Besluit naturalisatietoets, zoals dit luidde voor 1 april 2007. Hieruit moet blijken dat betrokkene is geslaagd voor de volgende vijf onderdelen: kennis van staatsinrichting en maatschappij; spreek-, luister-, schrijf- en leesvaardigheid. Om voor bovengenoemde vrijstellingsgronden in aanmerking te komen, overlegt de verzoeker bij het indienen van zijn verzoek om naturalisatie het gevraagde diploma en in het geval vereist is dat voor het vak Nederlands een voldoende is behaald, een door de onderwijsinstelling gewaarmerkte cijferlijst waaruit blijkt dat een voldoende is behaald voor dat vak. De verzoeker is zelf verantwoordelijk voor het verkrijgen van de documenten en, indien van toepassing, voor de vertalingen en legalisatie of apostille van de stukken. Als de documenten zijn opgesteld in een andere taal dan het Nederlands of Engels dan moet de verzoeker zelf ervoor zorgen dat de stukken worden vertaald door een beëdigd vertaler. Deze vertaling moet gehecht zijn aan (een afschrift van) het originele document. De op dit moment geldige legalisatiecirculaire is van toepassing. Voorafgaand aan het in behandeling nemen van het verzoek om naturalisatie beoordeelt Onze Minister (lees: IND-unit Caribisch Nederland) summier of het overgelegde document dat recht op vrijstelling kan geven origineel is, of de personalia overeenkomen met die van verzoeker en of de inhoud juist is. Als hij van oordeel is dat het document origineel is, de inhoud klopt en de personalia juist zijn, neemt hij deze stukken in ontvangst. Het verzoek wordt op dat moment in behandeling genomen. Onze Minister (lees: IND-unit Caribisch Nederland) maakt een kopie van het document en voegt die met de gedateerde en door of namens hem ondertekende aantekening ‘kopie van origineel’ in het naturalisatiedossier. Het origineel geeft hij terug aan verzoeker. In deze gevallen wordt uiteraard geen Certificaat Naturalisatietoets verlangd. Als Onze Minister (lees: IND-unit Caribisch Nederland) in dit stadium twijfelt aan de echtheid van het overgelegde document of aan de juistheid van de personalia of de inhoud, deelt hij dit mee aan verzoeker en stelt hem ervan in kennis dat hij het document en de gegevens, ná het in behandeling nemen van het verzoek om naturalisatie, nader zal onderzoeken. Onze Minister (lees: IND-unit Caribisch Nederland) neemt het verzoek – als de verzoeker dit nog steeds wenst in te dienen – wel in behandeling. Als Onze Minister (lees: IND-unit Caribisch Nederland) onmiddellijk vaststelt dat het overgelegde document niet origineel is of de personalia niet overeenkomen met die van verzoeker, wordt hem ontraden een verzoek in te dienen. In dat geval wordt er conform paragraaf 2.1.2 gehandeld. In het geval Onze Minister (lees: IND-unit Caribisch Nederland), ná het in behandeling nemen van het verzoek, de echtheid van het document of de juistheid van de gegevens op het overgelegde document nader wil onderzoeken, wint hij advies in bij de betreffende instantie. In dat geval wordt het originele document tijdelijk ingenomen. Als het contact leidt tot de vaststelling dat de gegevens op het document niet juist zijn of het document zelf niet authentiek is, maakt hij hiervan een aantekening in het naturalisatiedossier. Als het contact leidt tot de vaststelling dat de gegevens juist zijn en het document echt is bevonden, maakt de IND-unit Caribisch Nederland een kopie van het door de verzoeker overgelegde document en voegt hij die kopie met de gedateerde en door of namens hem ondertekende aantekening ‘kopie van origineel’ in het naturalisatiedossier van verzoeker. In het geval dat verzoeker alleen een kopie van de hierboven genoemde documenten kan overleggen, komt hij alleen in aanmerking voor vrijstelling als hij een recente verklaring van de leiding van het betrokken onderwijsinstituut overlegt waaruit blijkt dat de kopie overeenstemt met het door dat instituut afgegeven originele getuigschrift of diploma. In het geval van een overgelegde verklaring als hiervoor bedoeld, neemt de IND-unit Caribisch Nederland ter verificatie contact op met het instituut dat de verklaring heeft afgegeven. Als de IND-unit Caribisch Nederland tot de conclusie komt dat de kopie of de verklaring (of beide documenten) niet authentiek zijn, maakt hij hiervan een aantekening in het naturalisatiedossier. Als het contact met het instituut waar de opleiding is gevolgd leidt tot de vaststelling dat de gegevens juist zijn en het document echt is, neemt de IND-unit Caribisch Nederland de kopie van het document en de begeleidende verklaring van het desbetreffende instituut op in het naturalisatiedossier. Wordt door het betrokken onderwijsinstituut een dergelijke verklaring niet afgelegd, dan moet de verzoeker alsnog de naturalisatietoets afleggen. Artikel 3, derde lid BNT bepaalt dat bij ministeriële regeling kan worden voorzien in gedeeltelijke vrijstelling van de naturalisatietoets op grond van andere diploma’s of certificaten dan de hiervoor genoemde. Artikel 6 van de Regeling naturalisatietoets openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba 2011 geeft hieraan uitwerking. Van het afleggen van het deel dat de mate van kennis van de Nederlandse taal (deel III) toetst is vrijgesteld de verzoeker die beschikt over één van de volgende certificaten van het Certificaat Nederlands als Vreemde Taal: Certificaat Maatschappelijk Informeel (niveau A2); dit certificaat kende tot 2015 de benaming Certificaat Profiel Toeristische en Informele Taalvaardigheid (niveau A2); Certificaat Profiel Taalvaardigheid Praktische Beroepen (niveau A2); dit certificaat wordt sinds 2016 niet meer verstrekt; Certificaat Maatschappelijk Formeel (niveau B1); dit certificaat kende tot 2015 de benaming Certificaat Profiel Maatschappelijke Taalvaardigheid (niveau B1); Certificaat Zakelijk Professioneel (niveau B2); dit certificaat kende tot 2015 de benaming Certificaat Profiel Professionele Taalvaardigheid (niveau B2); Certificaat Educatief Startbekwaam (niveau B2); dit certificaat kende tot 2015 de benaming Certificaat Profiel Taalvaardigheid Hoger Onderwijs (niveau B2); Certificaat Educatief Professioneel (niveau C1); dit certificaat kende tot 2015 de benaming Certificaat Profiel Academische Taalvaardigheid (niveau C1). Verzoekers om naturalisatie die na 1 januari 2011 een verzoek om naturalisatie indienen, kunnen al in het bezit zijn van een bewijs van slagen voor deel I (kennis van de staatsinrichting en maatschappij) of van het Certificaat Naturalisatietoets afgegeven vóór 1 januari 2011. Voor deze verzoekers gelden gedeeltelijke vrijstellingen. De volgende situaties kunnen zich voordoen: Verzoeker is in het bezit van een Certificaat Naturalisatietoets Nederlandse Antillen uitgereikt vóór 1 januari 2011 en de toets is afgelegd in het Papiaments dan wel Engels: Deze verzoeker is vrijgesteld van het afleggen van het deel dat de kennis van de staatsinrichting en maatschappij (deel I) toetst. Vermeldt het Certificaat Naturalisatietoets Nederlandse Antillen van deze verzoeker dat de naturalisatietoets is afgelegd in het Papiaments dan wel het Engels dan is deze verzoeker naast deel I tevens vrijgesteld van het deel beheersing van het Papiaments (voor Bonaire) dan wel het Engels (voor Sint Eustatius en Saba) (deel II). Deze verzoeker moet dus nog wel het deel beheersing van de Nederlandse taal (deel III) afleggen. Verzoeker is in het bezit van een Certificaat Naturalisatietoets Nederlandse Antillen uitgereikt vóór 1 januari 2011 en de toets is afgelegd in het Nederlands: Deze verzoeker is vrijgesteld van het afleggen van het deel dat de kennis van de staatsinrichting en maatschappij (deel I) toetst. Vermeldt het Certificaat Naturalisatietoets Nederlandse Antillen van deze verzoeker dat de naturalisatietoets is afgelegd in de Nederlandse taal dan is deze verzoeker naast deel I tevens vrijgesteld van het deel beheersing van de Nederlandse taal (deel III). Deze verzoeker moet dus nog wel het deel beheersing van het Papiaments (voor Bonaire) dan wel van het Engels (Sint Eustatius en Saba) (deel II) afleggen. Verzoeker is in het bezit van een bewijs van slagen voor deel I van de naturalisatietoets, afgelegd vóór 1 januari 2011 en in het Papiaments dan wel het Engels: Deze verzoeker is vrijgesteld van het afleggen van het deel dat de kennis van de staatsinrichting en maatschappij toetst (deel I). Deze verzoeker moet nog wel de delen II (beheersing van het Papiaments (Bonaire) dan wel het Engels (Sint Eustatius en Saba) en III (beheersing van het Nederlands) afleggen. Verzoeker is in het bezit van een bewijs van slagen voor deel I van de naturalisatietoets, afgelegd vóór 1 januari 2011 en in het Nederlands: Deze verzoeker is slechts tot 1 januari 2013 vrijgesteld van het afleggen van het deel dat de kennis van de staatsinrichting en maatschappij toetst (deel I). Ook deze verzoeker moet nog wel de delen II (beheersing van het Papiaments (Bonaire) dan wel het Engels (Sint Eustatius en Saba) en III (beheersing van het Nederlands) afleggen. De reden voor deze beperking in de tijd van een in het Nederlands behaald deel I is dat deze verzoeker strikt genomen niet voldoet aan de per 1 januari 2011 geldende eisen van de naturalisatietoets. Voor degenen die bij invoering van de eis, dat deel I in de taal van het eiland van inwoning wordt afgelegd, bezig zijn aan het examen is met deze maatregel een overgangsperiode ingevoerd. Verzoeker is in het bezit van een bewijs van slagen voor deel I van de naturalisatietoets, afgelegd vóór 1 januari 2011 in het Papiaments dan wel Engels of het Nederlands en enkele taalvaardigheden van deel II: Deze verzoeker kan na 1 januari 2011 zijn lopende taaltraject afmaken in de taal waarin hij dit traject gestart was d.w.z. de restende delen van de taal waarin hij bezig was afronden. Er geldt na 1 januari 2011 geen wachttermijn voor herkansingen meer. Deze verzoeker moet na 1 januari 2011 daarnaast nog wel voor het deel (II dan wel III) slagen in de taal waarin hij nog geen toets heeft afgelegd. Nadat de verzoeker, die recht heeft op een gedeeltelijke vrijstelling van de naturalisatietoets als bedoeld in paragraaf 2.2.1 en 2.2.2, geslaagd is voor het deel of de delen die hij nog wel moet afleggen, ontvangt hij van het hoofd van de instantie die de naturalisatietoets afneemt een Certificaat naturalisatietoets waarop is aangetekend welk deel of welke onderdelen hij niet heeft afgelegd (artikel 9 Regeling naturalisatietoets openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba 2011). Deze aantekening gebeurt alleen op verzoek van degene aan wie het Certificaat wordt afgegeven. De instantie die de naturalisatietoets afneemt treedt niet in een beoordeling of de verzoeker terecht afziet van het afleggen van een deel van de naturalisatietoets. Daarover oordeelt uiteindelijk immers de IND. De verzoeker overlegt bij de indiening van zijn verzoek om naturalisatie aan Onze Minister (lees: IND-unit Caribisch Nederland) dit Certificaat en de bewijsstukken op grond waarvan hij gedeeltelijke vrijstelling heeft. Een naturalisatieverzoek wordt niet afgewezen wegens het niet behalen van de naturalisatietoets, als de verzoeker ten behoeve van Onze Minister heeft aangetoond dat: de verzoeker door een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap, niet binnen vijf jaar in staat is de naturalisatietoets te behalen; of het op grond van door de verzoeker geleverde inspanningen voor hem redelijkerwijs niet mogelijk is de naturalisatietoets te behalen (zie artikel 4 BNT). Voor het toepassen van artikel 4 BNT moet de verzoeker aantonen dat: hij door een lichamelijke of psychische belemmering dan wel een verstandelijke handicap, niet in staat is om binnen vijf jaar de naturalisatietoets te halen (paragraaf 2.3.1 / medische belemmering); of het ondanks geleverde inspanningen voor hem redelijkerwijs niet mogelijk is om op niveau A2 van het Europees Raamwerk voor moderne vreemde talen te leren schrijven en lezen in het Latijnse schrift en derhalve de naturalisatietoets te halen (paragraaf 2.3.2/ geleverde inspanningen). Relevante bepaling: Artikel 10 van de Regeling naturalisatietoets openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba 2011. De verzoeker om naturalisatie die aantoont dat hij een zodanige psychische of lichamelijke belemmering dan wel een zodanige verstandelijke handicap heeft, dat hij binnen vijf jaar niet in staat is de naturalisatietoets af te leggen, is ontheven van het afleggen van de naturalisatietoets. Verzoeker is ontheven van de volledige toets (zie Stb. 2007, nr. 15, blz. 10), als hij fysiek niet in staat is om (een of meer delen van) de naturalisatietoets af te leggen en/of binnen vijf jaar te halen vanwege een: medische belemmering (bijvoorbeeld doofheid, blindheid, spraakstoornis); of geestelijke belemmering (bijvoorbeeld een psychische belemmering zoals schizofrenie dan wel een verstandelijk handicap zoals bijvoorbeeld een laag IQ). Tot heden is geen uitwerking gegeven aan artikel 10, eerste lid, Regeling naturalisatietoets openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba 2011. Dit betekent dat de procedure uit artikel 10, vierde en vijfde lid, Regeling van kracht is. Voor de verzoeker om naturalisatie houdt dit in dat hij bij de indiening van een naturalisatieverzoek een verklaring overlegt van een huisarts, medisch specialist of andere deskundige, inhoudende dat sprake is van een zodanige psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijk handicap als gevolg waarvan een of meer onderdelen van de naturalisatietoets niet kunnen worden afgelegd. Bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend na 1 april 2021 moet de medische verklaring afkomstig zijn van een arts – niet zijnde een behandelend arts van betrokkene – die: ingeschreven in het BIG-Register (het conform de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gehouden register); of vermeld staat op de lijst die wordt bijgehouden door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport met betrekking tot de BES- ontheffingen. In de Openbare Lichamen zijn er zowel BIG geregisterde specialisten als NIET BIG geregistreerde specialisten werkzaam. Een specialist die NIET BIG geregistreerd is, moet ontheffing van het verbod om de geneeskunst uit te oefenen hebben gekregen van de Commissie Buitenland Gediplomeerden Volksgezondheid (CBGV). De Commissie toetst of zijn diploma aan de Nederlandse normen voldoet. Indien ja, wordt er een BES ontheffing verleend aan de specialist waardoor uitoefenen van zijn beroep mogelijk is in de openbare lichamen. Na de ontheffing/positief besluit blijft de specialist ‘niet BIG geregistreerd’ maar op grond van artikel 3, eerste lid van het Besluit uitoefenen beroep BES is zij bevoegd om een medisch beroep uit te oefenen. Zowel het BIG-Register als de ontheffingslijst zijn raadpleegbaar (www.overheid.nl/staatscourant voor een ontheffingsbesluit en https://www.rijksdienstcn.com/gezondheid-zorg/zorgverleners voor de ontheffingslijst). De verzoeker overlegt de verklaring bij de indiening van zijn verzoek om naturalisatie. De verklaring mag bij de indiening van het verzoek om naturalisatie niet ouder zijn dan zes maanden. In de voorlichtende sfeer wijst de IND betrokkene op het feit dat er een medische verklaring moet worden overgelegd, afkomstig van een huisarts, medisch specialist of andere deskundige (niet zijnde een behandelend arts van betrokkene), inhoudende dat sprake is van een zodanige psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap als gevolg waarvan een of meer onderdelen van de naturalisatietoets niet kunnen worden afgelegd. Voor de verklaring wordt model 2.26 gebruikt. Overleg met de IND over model 2.26 is voor de arts altijd mogelijk. Relevante bepaling: Artikel 11 van de Regeling naturalisatietoets Bonaire, Sint Eustatius en Saba 2011. Het gaat hier alleen om een verzoeker: die niet-gealfabetiseerd is in zijn eigen taal/schrift; en die op Bonaire, Sint Eustatius of Saba in de drie jaar voorafgaand aan dit beroep op geleverde inspanningen ten minste 600 uur heeft deelgenomen aan een taalcursus Papiaments (Bonaire) of Engels (Sint Eustatius of Saba) en op die wijze heeft geprobeerd te leren lezen en schrijven in het Latijnse schrift; en van wie, gezien zijn leeftijd en overige omstandigheden, in een gesprek bij het (kabinet van) de gezaghebber is beoordeeld dat niet kan worden verwacht dat hij (nog) Papiaments, respectievelijk Engels, leert lezen en schrijven op niveau A2 van het Europees Raamwerk voor moderne vreemde talen. Is betrokkene 65 jaar of ouder dan blijft het gesprek achterwege. Let op! De voorwaarden 1 en 2 worden hier direct onder nader toegelicht. Voorwaarde 3 wordt nader toegelicht in paragraaf 2.3.2.3 ‘Rol van en procedure bij de Gezaghebber.’ Betrokkene is ontheven van de volledige naturalisatietoets (zie Stb. 2007, nr. 15, blz. 10). Iemand is ‘niet-gealfabetiseerd’ in het kader van de naturalisatietoets als hij zijn eigen taal niet heeft leren schrijven en lezen omdat hij in zijn herkomstland niet naar school is geweest of de laagste schoolopleiding daar niet heeft volgemaakt. Het laatste wordt aangenomen als iemand voor of op zijn twaalfde jaar van school is gegaan. Met de laagste schoolopleiding is het basisonderwijs van een land bedoeld. Beheerst iemand wel het schrift van zijn eigen taal (bijvoorbeeld betrokkene kan Arabisch, Chinees of Urdu schrijven), maar beheerst hij niet het Latijnse schrift, dan kan hij niet als ‘niet-gealfabetiseerd’ worden beschouwd. Betrokkene beheerst immers de kunst van het schrijven. Onderwijsdeskundigen spreken in dat geval van ‘anders’ gealfabetiseerd zijn. Een verzoeker die ‘anders’ gealfabetiseerd is, kan geen ontheffing krijgen van de naturalisatietoets. Er hoeft dan ook geen gesprek plaats te vinden naar het vermogen van deze verzoeker om het Papiaments nog op het niveau voor de naturalisatietoets te leren lezen en schrijven, want betrokkene komt niet in aanmerking voor deze regeling. Heeft iemand in zijn eigen land niet de aldaar gebruikelijke basisopleiding (lagere school) afgerond, dan wordt hij in het kader van de naturalisatietoets als niet-gealfabetiseerd beschouwd. Om die reden verklaart betrokkene op model 2.27 dat hij in het herkomstland (of het land/de landen waar hij woonde tussen zijn zesde en dertiende jaar) niet naar school is geweest dan wel voor zijn dertiende van school te zijn gegaan. Onder deze omstandigheden moet een ‘beperkt leervermogen’ in de zin van ‘beperkte studievaardigheden als gevolg van gebrek aan educatie’ worden verondersteld. Iemand die nooit geleerd heeft om ‘te leren’ bezit, in deze context, een ‘beperkt leervermogen’. Mogelijkerwijs kan betrokkene enigszins in zijn eigen taal en (al dan niet) in het Papiaments (Bonaire), Engels (Sint Eustatius of Saba) en/of het Nederlands enige woorden lezen en schrijven, toch is betrokkene te beschouwen als niet-gealfabetiseerd. Van een ieder die op model 2.27 aangeeft dat hij tussen zijn zesde en dertiende jaar in het herkomstland in het geheel niet naar school is geweest of dat hij voor zijn dertiende van school is gegaan, wordt als uitgangspunt aangenomen dat hij in zijn eigen taal niet kan lezen en schrijven. Betrokkene hoeft hiervoor geen stukken te overleggen. Let op! Mogelijk is de verzoeker tijdens de jeugd niet of kort naar school zijn geweest, als gevolg van een nog steeds voortdurende psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap. In dat geval dient betrokkene een beroep te doen op een medische belemmering, zoals bedoeld in artikel 10 van de Regeling naturalisatietoets openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba 2011. De eigen verklaring van ongeletterdheid door betrokkene moet natuurlijk wel stroken met de dagelijkse activiteit van betrokkene en daarnaar zal dan ook worden gevraagd. De vraag of het aannemelijk is dat een ongeletterde een goede invulling kan geven aan het type verblijfsrecht dat betrokkene heeft, komt ook aan de orde. Alleen als aannemelijk is dat betrokkene in het dagelijkse leven functioneert zonder daarbij te hoeven lezen en schrijven wordt model 2.27 ingevuld. Blijkt evenwel later toch dat betrokkene in een eerdere procedure anders heeft verklaard of indien anderszins blijkt dat betrokkene toch niet voldeed aan de hierboven vermelde beleidscriteria, dan wordt bij de beslissing op het verzoek om naturalisatie gemotiveerd van het advies van de gezaghebber afgeweken. Ook bestaat tot twaalf jaar na de naturalisatie de mogelijkheid om op grond van artikel 14, 1 RWN het Nederlanderschap in te trekken. Betrokkene moet bij de IND CN aan de hand van certificaten of verklaringen van (bij voorkeur onderwijs-)instellingen aantonen dat hij zich heeft ingespannen om gealfabetiseerd in het Latijnse schrift te raken. Het moet wel ten minste gaan om één of meer leergangen of cursussen Papiaments (Bonaire) of Engels (Sint Eustatius of Saba), inclusief lezen en schrijven, in georganiseerd verband, bij voorkeur bij een onderwijsinstelling, maar het kan ook gaan om welzijnswerk, een cursus bij of via het arbeidsbureau of een cursus bij buurt- of clubhuis. Alleen als betrokkene aantoont dat hij/zij in de drie voorafgaande jaren één of meer leergangen of cursussen heeft gevolgd, wordt model 2.27 ingevuld. Uit de stukken moet tevens blijken dat het gaat om ten minste in totaal 600 les- en leeruren taalcursus Papiaments (Bonaire) of Engels (Sint Eustatius of Saba). Het aantal uren dat een leergang of cursus bevat, staat vaak in het onderwijsmateriaal van de cursusinstelling. De stukken die betrokkene hiervoor overlegt, worden later bij het naturalisatieverzoek gevoegd. Er is gekozen voor een periode van drie jaren voorafgaande aan het moment waarop model 2.27 wordt ingevuld voor de vraag, wanneer de te leveren inspanning van ten minste 600 uur deelname aan een alfabetiseringscursus moet hebben plaatsgehad. Daarmee is niet gezegd dat in ieder van die drie jaar een of meer alfabetiseringsuren moeten zijn gevolgd. De ten minste 600 uren kunnen ook in het jaar van of direct voorafgaande aan het invullen van model 2.27 zijn volgemaakt. De reden voor het stellen van deze voorwaarde is dat in het geval van een alfabetiseringspoging van langer dan drie jaar geleden het niet plausibel is dat aan de alfabetisering is gewerkt met het oog op het kunnen halen van de naturalisatietoets en het daarmee op reguliere wijze kunnen voldoen aan een wettelijke voorwaarde tot naturalisatie. Onder die omstandigheid ontbreekt het directe verband tussen de (ooit) geleverde inspanning en de naturalisatietoets, zoals deze is bedoeld in artikel 4, eerste lid en onder b BNT. Sprake moet zijn van ten minste 600 uur deelname aan een alfabetiseringscursus in de taal die op het eiland van hoofdverblijf gangbaar is. Ook om beter in de samenleving te kunnen functioneren, mag worden verwacht dat de alfabetiseringscursus in het Papiaments (Bonaire) of Engels (Sint Eustatius of Saba) zal worden gevolgd. Het volgen van een eventuele alfabetiseringscursus in het Nederlands, een taal die in het dagelijkse leven en de samenleving niet wordt gesproken of gelezen, betekent een keuze die minder snel zal leiden naar het op A2 kunnen lezen en schrijven van een van de talen van de naturalisatietoets. Om te kunnen spreken van een serieuze inspanning om toch te kunnen voldoen aan de naturalisatietoets moet daarom sprake zijn van een inspanning tot het leren lezen en schrijven in de in de taal die op het eiland van hoofdverblijf gangbaar is. De in paragraaf 2.3.2.1 genoemde voorwaarden zijn relevant op het moment dat bij de IND CN tezamen met betrokkene moet worden bezien of model 2.27 moet worden ingevuld. Een beroep op deze ontheffingsmogelijkheid vangt alleen aan met een bij de IND samen met betrokkene ingevuld model 2.27. Model 2.27 wordt bij de IND ingevuld en door betrokkene ondertekend. Bij het invullen van model 2.27 komt aan de orde: De vraag of betrokkene in het herkomstland (of het land/de landen waar hij woonde voor de vestiging op Bonaire, Sint Eustatius of Saba) niet naar school is geweest dan wel voor zijn dertiende jaar van school is gegaan; Hoe hij/zij zich ondanks dat beweegt en functioneert in de samenleving van Bonaire, Sint Eustatius of Saba, welke maatschappelijke positie betrokkene daarin heeft, of zijn ongeletterdheid in overeenstemming kan zijn met zijn verblijfsrecht, rijdt betrokkene zelf auto? Hoe heeft hij zijn rijbewijs gehaald en hoe leest hij geschreven verkeersborden? Etc.; en De geleverde inspanning in de afgelopen drie jaar om het Latijnse schrift (beter) te leren lezen en schrijven en de overgelegde bewijsstukken daarvan. Als niet is aan te nemen dat betrokkene voldoet aan de hiervoor bij Ad1 en Ad2 gestelde beleidscriteria en/of betrokkene kan niet bewijzen dat hij aan zijn cursusverplichting heeft voldaan, dan wordt model 2.27 niet verstrekt. Is betrokkene 65 jaar of ouder en voldoet hij aan de beleidsregels om model 2.27 naar juistheid in te vullen, dan wordt dat model ingevuld. Met de bewijsstukken erbij dat betrokkene op Bonaire, Sint Eustatius of Saba in de drie jaar voorafgaand aan dit beroep op geleverde inspanningen ten minste 600 uur heeft deelgenomen aan een taalcursus Papiaments (Bonaire) of Engels (Sint Eustatius of Saba) en op die wijze heeft geprobeerd te leren lezen en schrijven in het Latijnse schrift kan het naturalisatieverzoek worden ingediend. Een advies van de gezaghebber blijft in dat geval achterwege. De reden hiervoor is dat mag worden aangenomen dat onder deze omstandigheden en bij deze leeftijd het advies van de gezaghebber altijd zal luiden dat betrokkene niet voldoende leervermogen bezit om nog het Papiaments of Engels op niveau A2 van het Europees Raamwerk voor moderne vreemde talen te leren schrijven en lezen en derhalve niet in staat moet worden geacht de naturalisatietoets in een van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba te kunnen halen. De IND CN kan op de checklist naturalisatie Caribisch Nederland bij ‘inburgering’ aantekenen: ontheffing naturalisatietoets wegens ongeletterdheid, leeftijd en aantoonbaar geleverde inspanningen. De gezaghebber is aangewezen om te adviseren over ontheffing ingeval een verzoeker zich beroept op geleverde inspanningen als bedoeld in artikel 4, eerste lid onder b, BNT (artikel 11 Regeling naturalisatietoets Bonaire, Sint Eustatius en Saba 2011). Met het ingevulde model 2.27 meldt betrokkene (die jonger is dan 65 jaar) zich binnen een jaar bij de gezaghebber voor een gesprek over zijn leervermogen (studievaardigheden). Komt betrokkene later dan dat jaar, dan is model 2.27 niet meer geldig. Een ingevuld model 2.27 betekent voor de gezaghebber dat het hier gaat om iemand die niet-gealfabetiseerd is in zijn eigen taal/schrift en die op Bonaire, Sint Eustatius of Saba ten minste in de drie jaar voorafgaand aan dit beroep op geleverde inspanningen heeft geprobeerd te leren lezen en schrijven in het Latijnse schrift. Naar deze twee aspecten doet de gezaghebber dan ook geen onderzoek. Wel houdt de gezaghebber met betrokkene een gesprek. Aan de hand van dit gesprek wordt ingeschat of betrokkene (ondanks alles) toch het leervermogen (studievaardigheden) bezit om nog op het niveau voor de naturalisatietoets te leren lezen en schrijven in het Papiaments of het Engels. Indien gewenst kan de gezaghebber het te houden gesprek laten houden door of in samenwerking met een in volwassene-educatie en alfabetisering gespecialiseerde organisatie. Beleidsregel 3 luidt: ‘gezien zijn leeftijd en overige omstandigheden, in een gesprek bij de gezaghebber is beoordeeld dat niet kan worden verwacht dat hij (nog) Papiaments of Engels leert lezen en schrijven op niveau A2 van het Europees Raamwerk voor moderne vreemde talen’. De vormgeving van het gesprek met de vreemdeling is niet nader bepaald. Dit betekent dat naast aanwezigheid van een medewerker die betrokken is bij het examineren van de naturalisatietoets het mogelijk is om bijvoorbeeld een psycholoog of een deskundige in volwasseneneducatie en/of alfabetiseringsvraagstukken te betrekken. In de situatie dat de betrokken specialisten kosten in rekening brengen voor hun werkzaamheden komen deze kosten voor rekening van de vreemdeling. In het gesprek moet worden onderzocht of van betrokkene nog kan worden verwacht dat hij nog leert lezen en schrijven in het Latijnse schrift op een niveau, dat het halen van een taalexamen Papiaments of indien van toepassing Engels, op taalbeheersingsniveau A2 van het Europees Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen mogelijk maakt. Minimaal 30, maximaal 60 minuten. In de afweging om te komen tot een advies voor de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid worden in ieder geval betrokken: de leeftijd van betrokkene; de leeftijd waarop betrokkene in het openbaar lichaam is komen wonen; de tijdsduur dat betrokkene inmiddels in het openbaar lichaam woont; de afstand die betrokkene naar inschatting nog moet overbruggen om op A2 niveau te leren lezen en schrijven in het Latijnse schrift. Daarnaast kan aan andere aspecten worden gedacht, zoals de fysieke gezondheid van betrokkene, diens verdere leefomstandigheden en indien van toepassing of er een deskundigenoordeel is. Let op! Niet in de afweging hoort thuis dat dat de vreemdeling wegens een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap ontheven zou moeten zijn van de naturalisatietoets. In het geval van een beroep door een vreemdeling om wegens een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap te zijn ontheven, heeft de gezaghebber géén rol. Dat geldt ook voor het geval dat de reden voor het tijdens de jeugd niet of kort naar school zijn geweest, werd veroorzaakt door de psychische of lichamelijke belemmering, dan wel het verstandelijke handicap. Na het gesprek stelt de gezaghebber een advies op voor de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Er zijn twee adviesmogelijkheden [A) of B)]: Advies ontheffing te verlenen van de naturalisatietoets op grond van artikel 4, eerste lid en onder b Besluit naturalisatietoets. mogelijke standaard motivering daarbij: Dit advies is tot stand gekomen aan de hand van een gesprek op datum met naam vreemdeling Uit het gesprek moet worden geconcludeerd dat betrokkene onvoldoende studievaardigheden bezit om nog het Latijnse schrift te leren schrijven en lezen en derhalve niet in staat moet worden geacht de naturalisatietoets te halen. Toelichting van het advies: een uitgeschreven motivering van het advies is noodzakelijk. Advies geen ontheffing van de naturalisatietoets op grond van artikel 4, eerste lid en onder b Besluit naturalisatietoets te verlenen. mogelijke standaard motivering daarbij: Dit advies is tot stand gekomen aan de hand van een gesprek op datum met naam vreemdeling Uit het gesprek moet worden geconcludeerd dat betrokkene voldoende studievaardigheden bezit om nog het Latijnse schrift te leren schrijven en lezen en derhalve in staat moet worden geacht op enig moment de naturalisatietoets te halen. Toelichting van het advies: een uitgeschreven motivering van het advies is noodzakelijk. Een advies A) kan betrokkene gebruiken in zijn te starten naturalisatieprocedure. Ontvangt betrokkene advies B) dan krijgt hij geen ontheffing van de naturalisatietoets. Het origineel van het advies geeft de gezaghebber aan de vreemdeling. Een kopie van het advies stuurt de gezaghebber per mail aan de IND-locatie waar betrokkene het naturalisatieverzoek indient (of zou indienen) en de gezaghebber bewaart de verstuurde mail. Naast het in zijn bezit hebben van een door de wet bepaalde mate van kennis van de Nederlandse taal, staatsinrichting en maatschappij dient de verzoeker die in aanmerking wil komen voor naturalisatie zich te hebben doen opnemen in de Nederlandse samenleving (hiermee wordt bedoeld de samenleving van Bonaire, Sint Eustatius of Saba). Deze voorwaarde wordt onder andere getoetst aan de hand van een monogaam huwelijk. Voor wat betreft polygamie (of bigamie) kan worden opgemerkt dat er sprake is van opneming in de Nederlandse samenleving (hiermee wordt bedoeld de samenleving van Bonaire, Sint Eustatius of Saba) wanneer verzoeker zijn situatie in overeenstemming heeft gebracht met de geldende rechtsbeginselen in Bonaire, Sint Eustatius of Saba, waaronder dat van monogamie. Het rechtsbeginsel van monogamie komt onder andere tot uiting in artikel 1:33 BW-BES en artikel 1:69 BW-BES. Deze artikelen bepalen respectievelijk dat een man slechts met één vrouw, de vrouw slechts met één man kan zijn gehuwd en dat een polygaam huwelijk nietig kan worden verklaard. De Nederlandse openbare orde (hiermee wordt bedoeld de openbare orde van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba) verzet zich dan ook tegen het voortbestaan of het aangaan van een polygaam huwelijk van een vreemdeling op het moment waarop deze het Nederlanderschap heeft verkregen. Onder inburgering valt dus ook dat verzoeker slechts met één persoon door het huwelijk verbonden kan zijn. Als een verzoeker zich niet wenst te conformeren aan de geldende fundamentele rechtsbeginselen in Bonaire, Sint Eustatius of Saba, is hij in wezen niet voldoende ingeburgerd. Bovendien is zijn situatie dan niet in overeenstemming met de civielrechtelijke openbare (rechts)orde in Bonaire, Sint Eustatius of Saba (zie bij artikel 6 en 9 RWN). De vraag of een verzoeker monogaam gehuwd is, doet zich het meest voor bij personen afkomstig uit islamitische landen die polygamie kennen, alsmede huwelijksontbinding door verstoting. Zie voor een overzicht van landen met een mogelijke indicatie van de mogelijkheid van polygamie en verstoting: bijlage 1 bij paragraaf 2.2 bij de toelichting op artikel 6, vierde lid RWN. Als verzoeker de nationaliteit bezit van een land waar polygamie mogelijk is, zal Onze Minister (lees: IND-unit Caribisch Nederland) aan de hand van de gegevens in de basisadministratie persoonsgegevens nagaan of er sprake is (geweest) van eerdere huwelijken. Als uit de basisadministratie persoonsgegevens blijkt dat sprake is (geweest) van eerdere huwelijken zal onderzocht moeten worden of de ontbinding van het huwelijk naar het recht van Bonaire, Sint Eustatius of Saba kan worden erkend. Het ligt op de weg van de verzoeker om aan de hand van documenten aan te tonen dat een eerdere echtgenote heeft ingestemd met de verstoting. Zo is de omstandigheid dat de verstoting lang geleden heeft plaatsgevonden geen reden om aan te nemen dat de vrouw stilzwijgend heeft ingestemd met de verstoting. Onze Minister (lees: IND-unit Caribisch Nederland) zal bij de indiening van het verzoek aan een verzoeker als hier bedoeld vragen of er nog sprake is van eerdere huwelijken die niet in de basisadministratie persoonsgegevens zijn opgenomen (zie model 2.1). Als dat het geval is zal aan de hand van de door verzoeker overlegde documenten onderzocht moeten worden of dat huwelijk is ontbonden op een erkende wijze naar het recht van Bonaire, Sint Eustatius of Saba. Het komt voor dat bij de inschrijving in de basisadministratie persoonsgegevens van eenzijdige verstotingen, in het verleden veelal is nagelaten na te gaan of de vrouw met de verstoting in het buitenland heeft ingestemd dan wel zich daarbij heeft neergelegd. De omstandigheid dat een verstoting in de basisadministratie persoonsgegevens staat ingeschreven als ontbinding van een huwelijk levert dan ook geen bewijs op dat de verstoting rechtsgeldig tot stand is gekomen. Dit kan tot gevolg hebben dat de ongeldigheid van een verstoting jaren na inschrijving alsnog aan de betrokken persoon wordt tegengeworpen. Het kan dan voor hem moeilijk zijn na zo lange tijd nog een bewijs van de berusting van de vrouw te verkrijgen. Mede teneinde een adequate afhandeling van verzoeken om naturalisatie te bevorderen, moet steeds aan de hand van het Internationaal Privaatrecht (IPR) in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba te toetsen of de vrouw met de verstoting heeft ingestemd ofwel zich daarbij heeft neergelegd. De instemming of berusting van de vrouw kan worden afgeleid uit onder meer de volgende omstandigheden: de vrouw heeft zelf om inschrijving van de verstotingsakte in de basisadministratie persoonsgegevens gevraagd, of zij heeft verzocht om op haar huwelijksakte een latere vermelding betreffende de huwelijksontbinding te plaatsen; de vrouw is blijkens een huwelijksakte – of een ander officieel document – hertrouwd. Let op! Een islamitische vrouw mag zelf geen polygaam huwelijk aangaan; uit de vrouw zijn na de verstoting natuurlijke kinderen geboren, hetgeen blijkt uit het feit dat deze kinderen in de buitenlandse geboorteakte onder haar naam, althans niet onder de naam van de gewezen echtgenoot, staan vermeld; de vrouw heeft een authentieke akte overgelegd, waaruit blijkt dat zij instemt met de verstoting. De handtekening van de vrouw moet zijn gelegaliseerd door een autoriteit van het land waar de vrouw de verklaring heeft afgelegd (eventueel kan – ter vergelijking met de handtekening op de verklaring van instemming – een kopie van de handtekening van de vrouw in haar paspoort worden meegestuurd). Een verklaring van de vrouw dat zij op de hoogte is van de verstoting is in dit verband overigens onvoldoende; de man is hertrouwd ten overstaan van een ambtenaar van de burgerlijke stand in één van de landen van het Koninkrijk van de burgerlijke stand. In dit geval wordt ervan uitgegaan dat die ambtenaar de verstoting op geldige grond heeft erkend; de verstotingsakte vermeldt dat de vrouw om verstoting heeft verzocht én voor die verstoting is een vergoeding (‘khul’) aan de man toegezegd. Die vergoeding kan bijvoorbeeld blijken uit de omstandigheid dat zij afstand heeft gedaan van bepaalde rechten die zij gewoonlijk na de verstoting heeft, zoals het recht op betaling van het restant van de bruidsgift (‘mahr’ of ‘sadaq’ geheten), het recht op alimentatie, zij kan de feitelijke zorg voor de kinderen aan de man hebben overgedragen, zij kan ook verplichtingen op zich hebben genomen, zoals de betaling van het onderhoud van de kinderen. In geval van een ‘khul’ is de verstoting steeds onherroepelijk; de verstotingsakte vermeldt dat de vrouw, optredend als vertegenwoordiger van de man, zichzelf verstoot. De hierboven gegeven criteria zijn uiteraard vatbaar voor rechterlijke toetsing. De hierboven genoemde lijst van omstandigheden, waaruit de instemming of de berusting blijkt, is niet limitatief. Er kunnen andere feitelijke omstandigheden zijn die er mede op wijzen dat de vrouw zich bij de verstoting heeft neergelegd. Met betrekking tot de in deze paragraaf genoemde buitenlandse documenten geldt ook hier dat deze pas na legalisatie (eventueel inhoudelijke verificatie) of voorzien van een apostille in het Nederlands rechtsverkeer kunnen worden gebruikt en geaccepteerd (zie toelichting op artikel 7 RWN, paragraaf 3.5.3 en 3.5.4). Inburgering veronderstelt in algemene zin een zekere aanvaarding van de Nederlandse samenleving (hiermee wordt bedoeld de samenleving van Bonaire, Sint Eustatius of Saba). Inburgering wordt met name getoetst aan de hand van de naturalisatietoets en het vereiste van een monogaam huwelijk. Als verzoeker aan deze voorwaarden voldoet, wordt in beginsel aangenomen dat hij de Nederlandse rechtsorde (hiermee wordt bedoeld de rechtsorde van Bonaire, Sint Eustatius of Saba) in algemene zin heeft aanvaard. Echter, indien duidelijk blijkt dat verzoeker zich buiten deze vereisten om opzettelijk afzijdig houdt van – of afzet tegen – alles wat betrekking heeft op Bonaire, Sint Eustatius of Saba, of bijvoorbeeld weigert zijn kinderen naar school te laten gaan, zal hij niet kunnen worden beschouwd als te zijn opgenomen in de Nederlandse samenleving (hiermee wordt bedoeld de samenleving van Bonaire, Sint Maarten of Saba) en zal zijn verzoek om naturalisatie worden afgewezen. Gedacht wordt hier bijvoorbeeld ook aan het doen van uitlatingen die zich richten tegen de democratische rechtsorde of oproepen tot feitelijk handelen in strijd met de geldende wet- en regelgeving, of die een gevaar opleveren voor de goede betrekkingen van Nederland met andere mogendheden. Er moeten in het geval van weigering tot opneming dus omstandigheden zijn die blijk geven van onvoldoende inburgering van contra-indicaties als het ware. Sharifa is in 1981 gehuwd met een Nederlandse man, woont sindsdien in Saba en is in het bezit van een verblijfsvergunning. Sharifa dient een verzoek om naturalisatie in bij Onze Minister (lees: de IND-BES). Zij spreekt geen Nederlands en geen Engels, maar wil wel naturaliseren tot Nederlander. Om te kunnen naturaliseren tot Nederlander moet Sharifa wel de naturalisatietoets afleggen waarbij ook haar kennis van de Nederlandse of Engelse taal wordt getoetst en daarnaast ook haar kennis van de staatsinrichting en maatschappij van Saba. Echter, Sharifa zou ook in aanmerking kunnen komen voor de verkrijging van het Nederlanderschap door optie. Immers, zij is al sinds 1981 gehuwd met een Nederlander en sindsdien heeft zij toelating en hoofdverblijf in Saba. Daarom kan zij voldoen aan optievoorwaarden van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g, RWN. Indien iemand via optie het Nederlanderschap wil verkrijgen, geldt niet de optie van inburgering. Daarom hoeft Sharifa niet de naturalisatietoets af te leggen om Nederlander te worden. Kent polygamie Polygamie alleen voor moslims Kent geen polygamie Polygamie onbekend Verstoting (talaq) mogelijk Geen verstoting Verstoting onbekend Afghanistan x x Algerije x x Bahrein x x Bangladesh x x Benin x x Botswana x x Brunei x x Burkina Faso x x Centraal Afrikaanse Republiek x x China x x Congo (Brazzaville) x x Djibouti x x Egypte x x Equatoriaal Guinea x x Eritrea x x Ethiopië x x Gabon x x Gambia x x Ghana x x Guinee (Conakry) x x Guinee Bissau x x India x x Indonesië x x Irak x x Iran x x Israël x x Ivoorkust x x Jemen x x Jordanië x x Kameroen x x Kenia x x Koeweit x x Libanon x x Liberia x x Libië x x Maleisië x x Malediven x x Mali x x Marokko x x Mauritanië x x Mongolië x x Myanmar x x Niger x x Nigeria x x Oeganda x x Oman x x Pakistan x x Palestijnse gebieden (West-bank en Gaza) x x Qatar x x Rusland x x Saudi-Arabië x x Senegal x x Sierra Leone x x Singapore x x Soedan x x Somalië x x Sri Lanka x x Suriname x x Syrië x x Tanzania x x Tsjaad x x Tunesië x x Turkije x x Ver. Arab. Emiraten x x Zambia x x Zuid-Afrika x x Zuid-Soedan x x Voorheen bijlage 1. Wettekst: Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker die verklaart bereid te zijn bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen. Het besluit tot verlening wordt niet bekend gemaakt dan nadat de verklaring daadwerkelijk is afgelegd. Met ingang van 1 maart 2009 is de verklaring van verbondenheid een nieuwe voorwaarde voor verkrijging van het Nederlanderschap door naturalisatie en een verplicht onderdeel van de naturalisatieceremonie. Niet alleen is het ondertekenen van de bereidverklaring bij de indiening van het verzoek om naturalisatie een vereiste voor het verkrijgen van het Nederlanderschap, maar ook het daadwerkelijk afleggen van deze verklaring. De eis om een bereidverklaring te ondertekenen en vervolgens de verklaring van verbondenheid af te leggen, geldt alleen als het verzoek om naturalisatie op of ná 1 maart 2009 wordt ingediend. Het Nederlanderschap wordt niet verkregen indien de verklaring van verbondenheid niet wordt afgelegd. (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid) De verplichting tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid rust op de meerderjarige naturalisandus. Daarnaast geldt de verplichting tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid ook voor de minderjarige die op het tijdstip waarop het verzoek om naturalisatie, op grond van artikel 11, derde of vierde lid, RWN wordt ingediend zestien jaar of ouder is. (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid) Vanaf 1 maart 2009 moet zowel de meerderjarige naturalisandus als de minderjarige die een verzoek om naturalisatie op grond van artikel 11, derde en vierde lid, RWN indient en ten tijde van de indiening van dat verzoek zestien jaar of ouder is, zich bij de indiening van het verzoek om naturalisatie bereid verklaren de verklaring van verbondenheid af te leggen bij de bekendmaking van het naturalisatiebesluit. Betrokkene verklaart bereid te zijn de verklaring van verbondenheid af te leggen, door het ondertekenen van de ‘Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid’ (model 2.30). De verklaring van verbondenheid legt hij vervolgens in persoon, in beginsel op een naturalisatieceremonie, doorgaans mondeling af voordat het uittreksel van het naturalisatiebesluit aan hem wordt uitgereikt (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN paragraaf 3.13.3 Afleggen verklaring van verbondenheid). Van de verplichting van het ondertekenen van de bereidverklaring en het vervolgens afleggen van de verklaring van verbondenheid kan geen vrijstelling worden gegeven, tenzij het afleggen van de verklaring van verbondenheid redelijkerwijs niet gevraagd kan worden (zie daarvoor toelichting bij artikel 60b, vijfde lid en zesde lid, BVVN). Er zijn omstandigheden denkbaar waarin het voor de verzoeker niet mogelijk is om de bereidverklaring in te vullen en te ondertekenen. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat de verzoeker wel bereid is de verklaring van verbondenheid af te leggen, maar vanwege zijn fysieke of psychische toestand model 2.30 niet zelf kan invullen of dat bij het indienen van zijn verzoek om naturalisatie duidelijk is dat de verzoeker niet in staat zal zijn de verklaring van verbondenheid mondeling af te leggen. Zie de toelichting op artikel 7 RWN, paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30) hoe met deze uitzonderingssituaties moet worden omgegaan. (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.13.3 Afleggen verklaring van verbondenheid) Uitgangspunt is dat de verklaring van verbondenheid in persoon wordt afgelegd tijdens de naturalisatieceremonie waarbij de bevestiging tot verkrijging van het Nederlanderschap wordt uitgereikt. De verklaring van verbondenheid wordt in het Nederlands en doorgaans mondeling afgelegd. Voor een enkele verzoeker kan echter een uitzondering gemaakt worden. Indien van de verzoeker door omstandigheden redelijkerwijs niet verlangd kan worden dat hij de verklaring van verbondenheid mondeling uitspreekt tegenover de bevoegde autoriteit, wordt een schriftelijke verklaring van verbondenheid ondertekend. De beoordeling of sprake is van de hier bedoelde omstandigheden, ligt bij Onze Minister (lees: IND-BES) en wordt gestaafd door ten minste één door of namens de verzoeker overgelegd bewijsstuk. Daarnaast zijn omstandigheden denkbaar waarbij de verzoeker vanwege zijn fysieke of psychische toestand in het geheel niet in staat is om de verklaring van verbondenheid af te leggen. Dan wordt de verklaring van verbondenheid niet afgelegd. Het zal hier zeer uitzonderlijke gevallen betreffen. De onmogelijkheid tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid, wordt beoordeeld door Onze Minister. (zie tevens artikel 60b, derde lid, BvvN en de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.13.3 Afleggen verklaring van verbondenheid) Wordt de toezegging een verklaring van verbondenheid af te leggen niet nagekomen en er is geen ontheffing van het mondeling of schriftelijk afleggen verleend, dan wordt de bekendmaking niet uitgereikt en het Nederlanderschap niet verkregen. Immers, pas door de bekendmaking kan iemand Nederlander worden door naturalisatie. Wettekst: Het eerste lid, onder c, geldt niet met betrekking tot de verzoeker die hetzij te eniger tijd het Nederlanderschap of de staat van Nederlands onderdaan-niet-Nederlander heeft bezeten, hetzij sedert tenminste drie jaren de echtgenoot is van en samenwoont met een Nederlander, hetzij tijdens zijn meerderjarigheid in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten is geadopteerd door ouders van wie in elk geval één het Nederlanderschap bezit. Op grond van dit artikellid geldt géén termijn van toelating en hoofdverblijf indien de verzoeker: te eniger tijd Nederlander of Nederlands onderdaan-niet-Nederlander is geweest. Tenzij de verzoeker de Nederlandse nationaliteit heeft verloren op grond van artikel 14, eerste lid, RWN; ten minste drie jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek onafgebroken is gehuwd én gedurende die drie jaren onafgebroken heeft samengewoond met één-en-dezelfde Nederlander. Op het moment van de indiening van het verzoek dient de echtgenoot van de verzoeker in het bezit te zijn van de Nederlandse nationaliteit. Het huwelijk en de samenwoning dienen voort te duren op het moment van de beslissing op het verzoek; als meerderjarige binnen één van de landen van het Koninkrijk is geadopteerd door ouders, van wie ten tijde van de adoptie in elk geval één Nederlander was. Echter, indien de verzoeker hoofdverblijf heeft in het land waarvan hij onderdaan is, wordt het verzoek om naturalisatie afgewezen (zie de toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, RWN). Hieronder worden de eerste en tweede categorie nader toegelicht. Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld: personen die het Nederlanderschap hebben verloren op grond van hoofdstuk 5 RWN of op grond van artikel 7 WNI; vrouwen die door of in verband met hun huwelijk de Nederlandse nationaliteit hebben verloren en niet binnen een jaar na de ontbinding van dit huwelijk de optie ex artikel 28 RWN hebben uitgebracht; personen die zich zonder Koninklijk verlof hebben begeven in vreemde krijgs- of staatsdienst (artikel 7, aanhef en onder 4°, WNI (zoals gewijzigd bij verschillende wetten) en op wie de Wet van 2 juli 1986, tot aanpassing van enige wetten aan de Rijkswet op het Nederlanderschap, artikel 5 niet wordt toegepast; personen die de Nederlandse nationaliteit hebben verloren, omdat zij meer dan tien achtereenvolgende jaren buiten één van de landen van het Koninkrijk woonplaats hebben en voor het verstrijken van die termijn voor 1 januari 1985 hebben verzuimd aan de Nederlandse autoriteiten mee te delen dat zij Nederlander willen blijven (artikel 7, aanhef en onder 5°, WNI); personen die op grond van de toescheidingsovereenkomst met Indonesië (TOI) respectievelijk Suriname (TOS) de nationaliteit van dat land hebben verkregen. N.B. Een persoon van wie het Nederlanderschap is ingetrokken op grond van artikel 14, eerste lid, RWN komt niet in aanmerking voor versnelde naturalisatie met toepassing van het onderhavige artikellid (en evenmin voor optie krachtens artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN). Immers, artikel II, tweede lid, RRWN bepaalt dat een persoon van wie het Nederlanderschap is ingetrokken, geacht wordt het Nederlanderschap niet te hebben bezeten. Hij kan daarom géén aanspraak maken op de rechten die de RWN in het algemeen verbindt aan de status van oud-Nederlander. Zie ook de toelichting bij artikel 14, eerste lid, RWN en artikel II, RRWN. Indien de verzoeker in de afgelopen drie jaar onafgebroken is gehuwd met een Nederlander (of in geval van drie jaar geregistreerd partnerschap, vergelijk artikel 1, tweede lid, RWN) én beide partners tijdens deze periode drie jaar onafgebroken samenwonen, geldt géén termijn van toelating en hoofdverblijf. Het huwelijk en de samenwoning mogen gedurende deze periode van drie jaar niet onderbroken zijn geweest, aangezien een onderbreking afbreuk doet aan de bij een huwelijk met een Nederlander veronderstelde versnelde inburgering. Deze onderbreking wordt niet tegengeworpen als deze is ontstaan door het overlijden van de echtgeno(o)t(e) tussen de datum van het verzoek om naturalisatie en de datum van de beslissing op het naturalisatieverzoek. Op het moment van de indiening van het verzoek dient de echtgenoot van de verzoeker in het bezit te zijn van de Nederlandse nationaliteit. Niet vereist is dat de Nederlandse echtgenoot van de verzoeker reeds drie jaar het Nederlanderschap bezit. Het is dus niet zo dat pas drie jaren na de naturalisatie van de één, de ander een verzoek mag indienen. Een periode van ongehuwd samenwonen binnen één van de landen van het Koninkrijk, onmiddellijk voorafgaand aan het huwelijk, mag worden meegerekend voor de toepassing van het onderhavige artikellid. Echter, een periode waarin de verzoeker buiten één van de landen van het Koninkrijk ongehuwd heeft samengewoond met een Nederlander, telt niet mee. De samenwoning binnen één van de landen van het Koninkrijk kan worden aangetoond door inschrijving op een zelfde adres in de BRP, PIVA of de bevolkingsregistratie. Indien de samenwoning niet afdoende blijkt uit de BRP, PIVA of de bevolkingsregistratie, dient de verzoeker de samenwoning te bewijzen door middel van andere bewijsstukken. Samenwoning tijdens het huwelijk buiten één van de landen van het Koninkrijk kan in sommige gevallen worden aangetoond met een bewijs van inschrijving in de bevolkingsadministratie van het land van samenwoning. Overigens heeft niet ieder land een gemeentelijke of centrale bevolkingsadministratie. In die gevallen zal de verzoeker met andere bewijsstukken moeten aantonen dat sprake is geweest van onafgebroken samenwoning met de Nederlandse echtgenoot. Voorbeeld 1 Rogelio is geboren in 1968 geboren in Suriname als zoon van Nederlandse ouders. Op 25 november 1975 heeft hij de Nederlandse nationaliteit verloren op grond van de toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Suriname (TOS). Rogelio kan als oud-Nederlander onmiddellijk na vestiging op Bonaire een verzoek om naturalisatie indienen. Hij hoeft voorafgaand aan de indiening van zijn verzoek geen toelating en hoofdverblijf in één van de landen van het Koninkrijk te hebben gehad. Uiteraard dient hij wel aan alle overige voorwaarden voor naturalisatie te voldoen. Zodra Rogelio een jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf op Bonaire heeft gehad, kan hij er overigens ook voor kiezen om een optieverklaring af te leggen. Zie hiervoor artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f RWN. Voorbeeld 2 Dolores heeft de Spaanse nationaliteit en woont met haar Nederlandse echtgenoot in Spanje. Na drie jaar huwelijk vestigt Dolores zich met haar echtgenoot op Sint Eustatius. Als Dolores kan aantonen dat zij gedurende haar huwelijk ten minste drie jaren in Spanje heeft samengewoond met haar Nederlandse echtgenoot, kan zij onmiddellijk na vestiging op Sint Eustatius een verzoek om naturalisatie indienen. Zij hoeft voorafgaand aan de indiening van haar verzoek geen toelating en hoofdverblijf in het Koninkrijk te hebben gehad. Uiteraard moet Dolores wel aan alle overige voorwaarden voor naturalisatie voldoen om in aanmerking te komen voor verlening van het Nederlanderschap. Wettekst: De termijn bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt op twee jaren gesteld voor degene die in totaal ten minste tien jaren in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius of Saba toelating en hoofdverblijf heeft gehad. Op grond van deze bepaling geldt een – verkorte – termijn van twee jaar toelating en hoofdverblijf indien de verzoeker in totaal ten minste tien jaar toelating en hoofdverblijf binnen één van de landen van het Koninkrijk heeft gehad maar zijn hoofdverblijf in één van de landen van het Koninkrijk heeft onderbroken doordat hij in een ander land woonde of geen aaneengesloten periode van toelating heeft gehad in de periode dat hij hoofdverblijf in één van de landen van het Koninkrijk had. De duur van de onderbreking van de toelating dan wel het hoofdverblijf is niet relevant. De onafgebroken termijn van twee jaren toelating en hoofdverblijf binnen één van de landen van het Koninkrijk dient onmiddellijk vooraf te gaan aan de indiening van het verzoek. Vervolgens dienen de toelating en het hoofdverblijf onafgebroken voort te duren tot aan het moment waarop op het verzoek wordt beslist. Op grond van artikel 14, derde lid Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap (RvvN) worden de tijdvakken van toelating in de Nederlandse Antillen, gelegen voor de inwerkingtreding van de Rijkswet aanpassing rijkswetten aan de oprichting van de nieuwe landen, in aanmerking genomen als ware het toelating in Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Of sprake is van in totaal ten minste tien jaren toelating en hoofdverblijf waarvan de laatste twee jaren onafgebroken en direct voorafgaande aan het verzoek om naturalisatie kan in de meeste gevallen worden afgeleid uit het verblijfsdocument en de vreemdelingenadministratie. Zie voor uitleg van de begrippen ‘toelating’ en ‘hoofdverblijf’ de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g en h, RWN. Ook voor artikel 8, derde lid geldt het overgangsrecht (zie de paragraaf ‘Overgangsrecht’) in de toelichting onder artikel 7. Het overgangsrecht is ook beschreven in de toelichting onder artikel VII, tweede lid RRWN. Carlos is 20 jaar en bezit de Colombiaanse nationaliteit. Van zijn 5e tot zijn 12e woonde hij in Sint Maarten bij zijn ouders. Zijn moeder was in die tijd aaneengesloten in het bezit van een vergunning tot verblijf bij zijn vader. Ook Carlos had deze vergunning tot verblijf (bij vader). Van zijn 12e tot zijn 17e woonde Carlos met zijn moeder in Colombia. Sinds zijn 17e woont hij weer in Sint Maarten. Gedurende een jaar was hij in het bezit van een vergunning tot verblijf (bij vader) en vervolgens vergat hij om een nieuwe verblijfsvergunning tijdig aan te vragen. Drie maanden na het verstrijken van de geldigheidsduur werd hij alsnog in het bezit gesteld van een vergunning tot tijdelijk verblijf, met een geldigheidsduur van een jaar. Carlos heeft in totaal 7 jaar + 2 jaar + 3 maanden + een jaar = 10 jaar en drie maanden hoofdverblijf in Sint Maarten gehad. Carlos kan, als hij aansluitend nog een jaar in Sint Maarten hoofdverblijf heeft en hij zijn vergunning tot verblijf tijdig laat verlengen, een verzoek om naturalisatie indienen. Hij heeft dan immers in totaal meer dan 10 jaar toelating en hoofdverblijf in Sint Maarten, waarvan 2 jaar toelating en hoofdverblijf direct voorafgaand aan het verzoek om naturalisatie. Of het verzoek van Carlos wordt ingewilligd, hangt uiteraard ook af van de vraag of hij voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap. Evelyn is van Dominicaanse nationaliteit. Zij woont en werkt in totaal al 15 jaar op Saba, maar zij heeft pas sinds twee jaar een vergunning tot tijdelijk verblijf. Evelyn komt dus niet in aanmerking voor de verkorte termijn van twee aar en toelating en hoofdverblijf. Weliswaar heeft zij in totaal meer dan tien jaar hoofdverblijf op Saba, maar zij heeft in totaal nog geen tien jaar toelating op Saba. Als Evelyn haar hoofdverblijf op Saba houdt en haar vergunning tot verblijf steeds tijdig laat verlengen, kan zij over drie jaar een verzoek om naturalisatie indienen. Zij heeft dan direct voorafgaand aan een verzoek om naturalisatie vijf jaar toelating en hoofdverblijf op Saba. Of het verzoek van Evelyn wordt ingewilligd, hangt uiteraard ook af van de vraag of zij voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap. Wettekst: De termijn bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt op drie jaren gesteld voor de verzoeker die hetzij ongehuwd tenminste drie jaren onafgebroken met een ongehuwde Nederlander in een duurzame relatie anders dan het huwelijk samenleeft, hetzij staatloos is, tenzij het Nederlanderschap eerder is ingetrokken op grond van artikel 14, eerste lid. Op grond van deze bepaling geldt een – verkorte – termijn van drie jaar toelating en hoofdverblijf binnen één van de landen van het Koninkrijk indien de verzoeker voorafgaand aan de indiening van het verzoek ten minste drie jaar onafgebroken ongehuwd samenwoont binnen één van de landen van het Koninkrijk met een en dezelfde ongehuwde Nederlandse partner. De toelating en de samenwoning met die ongehuwde Nederlandse partner dienen op het moment van de beslissing op het verzoek voort te duren. De samenwoning kan worden aangetoond door inschrijving op eenzelfde adres in de basisadministratie persoonsgegevens. Een periode van samenwoning buiten één van de landen van het Koninkrijk telt niet mee. De (niet-Nederlandse) ongehuwde partner van een ongehuwde en tot Nederlander genaturaliseerde vreemdeling komt in aanmerking voor toepassing van dit artikellid, mits onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek en sedert deze relatie sprake is van ten minste drie jaar onafgebroken samenwoning binnen één van de landen van het Koninkrijk. Op het moment van de indiening van het verzoek dient de partner van de verzoeker in het bezit te zijn van de Nederlandse nationaliteit. Niet vereist is dat de Nederlandse partner reeds drie jaar het Nederlanderschap bezit. Het is dus niet zo dat pas drie jaren na de naturalisatie van de één, de ander een verzoek kan indienen. Eveneens geldt een – verkorte – termijn van drie jaar toelating en hoofdverblijf voor de verzoeker die staatloos is. Zie voor uitleg van het begrip ‘staatloze’ de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f, RWN. Voor artikel 8, vierde lid geldt het overgangsrecht (zie de paragraaf ‘Overgangsrecht’) in de toelichting onder artikel 7. Als het Nederlanderschap eerder is ingetrokken op grond van artikel 14, eerste lid, RWN, dan geldt de verkorte termijn van drie jaar niet. Dit geldt voor zaken van personen die vanaf 1 oktober 2023 een naturalisatieverzoek hebben ingediend. Als een naturalisatieverzoek, bezwaarschrift of beroepschrift is ingediend voor 1 oktober 2023 dan geldt nog het oude artikel 8 lid 4 RWN en is dus de verkorte termijn nog van toepassing. Eveneens geldt een – verkorte – termijn van drie jaar toelating en hoofdverblijf voor de verzoeker van wie de staatloosheid is vastgesteld. Zie voor uitleg van het begrip ‘staatloze’ de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f, RWN. De Franse E woont in Frankrijk tien jaar ongehuwd samen met een Nederlandse vrouw, die geboren is in Bonaire. Beiden vestigen zich vervolgens in Bonaire. Na enkele dagen wordt Eugène in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning voor verblijf bij Nederlandse partner. Na anderhalf jaar gaan beiden in Nederland een geregistreerd partnerschap aan. E kan, na nog eens anderhalf jaar onafgebroken samenwonen met zijn Nederlandse partner, en mits hij gedurende die periode onafgebroken in het bezit blijft van een geldige verblijfsvergunning, een verzoek om naturalisatie indienen. Hij voldoet dan aan de verkorte termijn van drie jaar toelating en hoofdverblijf. De termijn van anderhalf jaar ongehuwd samenwonen in Nederland en de termijn van anderhalf jaar samenwonen in geregistreerd partnerschap (dat ingevolge artikel 1, tweede lid, RWN is gelijkgesteld met een huwelijk) in Nederland, mogen bij elkaar worden opgeteld. De termijn van tien jaar ongehuwd samenwonen in het buitenland telt niet mee. Of het verzoek van E wordt ingewilligd hangt uiteraard ook af van de vraag of hij voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap. Als het Nederlanderschap van E eerder ingetrokken is op grond van artikel 14, eerste lid, RWN, dan geldt de verkorte termijn van artikel 8, vierde lid, RWN niet. Wettekst: De termijn bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt eveneens op drie jaren gesteld voor de verzoeker die door erkenning of wettiging zonder erkenning het kind van een Nederlander is geworden. Voor de verzoeker die tijdens zijn minderjarigheid is erkend of gewettigd wordt de termijn van drie jaren verminderd met de onafgebroken periode gedurende welke hij onmiddellijk voorafgaande aan zijn meerderjarigheid na de erkenning of wettiging zonder erkenning, verzorging en opvoeding heeft genoten van de Nederlander door wie hij is erkend of wiens kind hij door wettiging zonder erkenning is geworden. Op grond van deze bepaling geldt een – verkorte – termijn van drie jaar toelating en hoofdverblijf voorafgaand aan het verzoek, indien de verzoeker door erkenning of wettiging zonder erkenning het kind van een Nederlander is geworden. De toelating en het hoofdverblijf dienen op het moment van de beslissing op het verzoek voort te duren. Of sprake is van drie jaren onafgebroken toelating en hoofdverblijf kan in de meeste gevallen worden afgeleid uit het verblijfsdocument en de vreemdelingenadministratie. Zie voor uitleg van de begrippen ‘toelating’ en ‘hoofdverblijf’ de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g en h, RWN.) De erkenning of wettiging kan plaats hebben gevonden tijdens de meer- of minderjarigheid van het kind. Voor de meerderjarige verzoeker die tijdens zijn minderjarigheid is erkend of gewettigd, mag de onafgebroken periode dat hij door zijn juridische vader is verzorgd en opgevoed na de erkenning of wettiging worden afgetrokken van de termijn van drie jaar toelating en hoofdverblijf. Dit kan echter alleen indien in deze periode van verzorging en opvoeding direct vooraf is gegaan aan de meerderjarigheid van de verzoeker. De periode van verzorging en opvoeding moet dus direct vooraf zijn gegaan aan zijn achttiende jaar, zijn voordien gesloten huwelijk of zijn voordien in Nederland geregistreerde partnerschap of buiten Nederland geregistreerde partnerschap als bedoeld in artikel 1, tweede lid, RWN. Het begrip ‘verzorging en opvoeding’ in deze bepaling komt overeen met het begrip ‘verzorging en opvoeding’ in de zin van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN. Voor de wijze waarop de verzoeker moet aantonen dat aan deze voorwaarde is voldaan, wordt hier verwezen naar de toelichting bij die bepaling. Als de erkenning of wettiging zonder erkenning heeft plaatsgevonden tijdens de minderjarigheid van het kind, moet dit, voor toepassing van dit artikellid, na 1 april 2003 zijn gebeurd. Vóór die datum kreeg een minderjarig kind immers de Nederlandse nationaliteit van rechtswege op grond van artikel 4 RWN (oud) als het door erkenning of door wettiging zonder erkenning het kind van een Nederlandse vader werd. Artikel 4 RWN bepaalt sinds 1 maart 2009 dat een minderjarige door erkenning of door wettiging zonder erkenning het Nederlanderschap verkrijgt of kan verkrijgen. Ingevolge artikel 4, tweede en derde lid RWN verkrijgt de minderjarige vreemdeling die na zijn geboorte door een Nederlander wordt erkend en jonger is dan zeven jaar, dan wel de minderjarige vreemdeling die door een Nederlander wordt gewettigd zonder erkenning, het Nederlanderschap van rechtswege. Ingevolge artikel 4, vierde lid RWN verkrijgen minderjarige vreemdelingen die door een Nederlander worden erkend als zij zeven jaar of ouder zijn, het Nederlanderschap als de Nederlandse erkenner zijn biologische vaderschap bij of binnen een jaar na de erkenning aantoont via DNA-bewijs dat voldoet aan de eisen zoals gesteld in het Besluit DNA-onderzoek vaderschap. Zie voor meer informatie de toelichting op artikel 4 RWN in deze Handleiding. Bij toepassing van artikel 8, vijfde lid RWN is het goed om te letten op het op 1 maart 2009 gewijzigde recht met betrekking tot verkrijging van het Nederlanderschap als minderjarige door een erkenning of een wettiging. Geadviseerd wordt dat voordat een naturalisatieverzoek ex art. 8, vijfde lid RWN wordt ingediend, eerst wordt bekeken of niet ná 1 maart 2009 het Nederlanderschap van rechtswege is verkregen door artikel 4 RWN, dan wel dat gebruik kan worden gemaakt van het optierecht uit artikel II, Staatsblad 2008, 270. Artikel 8, vijfde lid, RWN is een nogal ingewikkelde bepaling waarin twee elementen samenkomen. Er wordt tot uitdrukking gebracht dat een familierechtelijke betrekking tussen een Nederlandse vader en zijn al dan niet minderjarige kind een band met het Koninkrijk doet ontstaan die verkorting van de termijn van vijf jaar toelating en hoofdverblijf rechtvaardigt, ook wanneer de juridische vader niet de biologische vader van het kind is. Daarnaast wordt in dit artikel bewerkstelligd dat een minderjarig kind dat ouder is dan vijftien jaar op het moment dat het door erkenning in een familierechtelijke betrekking tot de niet-biologische vader komt te staan en door die vader wordt verzorgd en opgevoed, rechten opbouwt. Hetzelfde wordt bewerkstelligd voor een minderjarig kind dat op het moment van wettiging zonder erkenning ouder was dan vijftien jaar, dat tussen 1 april 2003 en 1 maart 2009 door wettiging in een familierechtelijke betrekking tot de vader is komen te staan en dat door die vader wordt verzorgd en opgevoed. Bovengenoemde kinderen kunnen namelijk nooit door optie op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN, de Nederlandse nationaliteit verkrijgen. Zij zullen immers nooit kunnen voldoen aan de uit die bepaling voortvloeiende eis van drie jaar ononderbroken opvoeding en verzorging door de Nederlandse vader vóórafgaand aan de meerderjarigheid. Voor kinderen die tussen 1 april 2003 en 1 maart 2009 zijn erkend of gewettigd, maar die geen gebruik kunnen maken van het optierecht in artikel II, Staatsblad 2008, 270, biedt artikel 8, vijfde lid eveneens een mogelijkheid om versneld Nederlander te worden. Het gaat dan bijvoorbeeld om minderjarige kinderen die tussen 1 april 2003 en 1 maart 2009 op 7-jarige leeftijd of ouder zijn erkend, terwijl de erkenner niet de biologische vader is of waarbij de erkenner vanwege het kostenaspect geen DNA-onderzoek wil/kan laten uitvoeren. Ook kan gedacht worden aan kinderen die als meerderjarige zijn erkend. Met wettiging zonder erkenning wordt, evenals in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN gedoeld op de gevallen, waarin in het Koninkrijk een wettiging zonder voorafgaande erkenning moet aanvaarden op grond van de Overeenkomst van Rome van 10 september 1970 inzake wettiging door huwelijk (Trb. 1972, 61). De erkenning of wettiging kan plaatshebben gevonden tijdens de meer- of minderjarigheid van het kind. Deze overeenkomst is op 31 juli 1977 voor Nederland in werking getreden. Dit betekent dat een buitenlandse wettiging op of na 31 juli 1977 in Nederland op grond van deze Overeenkomst geaccepteerd moet worden, ongeacht of het land waar de wettiging plaatsvond partij is bij de Overeenkomst. Sinds de hierboven beschreven wijziging van artikel 4 RWN van 1 maart 2009 verkrijgt een naar vreemd recht door een Nederlander zonder erkenning gewettigd zonder erkenning. Voor kinderen gewettigd tijdens hun minderjarigheid tussen 1 april 2003 en 1 maart 2009 geldt deze verkrijgingsgrond niet. Zie voor hen het optierecht in paragraaf 6 in de toelichting op artikel 6 RWN. Zie de oudere Handleidingen voor een toelichting op de regelgeving vóór 1 april 2003. Jennifer is de dochter van een Jamaicaanse ongehuwde moeder en een juridisch onbekende vader. Zij is uitsluitend in het bezit van de Jamaicaanse nationaliteit. Als Jennifer 22 jaar is, wordt zij erkend door een Nederlander. Zij verkrijgt hierdoor niet de Nederlandse nationaliteit. Als Jennifer 40 is, gaat zij in Sint Eustatius wonen. Na vijf maanden wordt zij in het bezit gesteld van een vergunning tot verblijf. Als Jennifer daarna nog eens drie jaar ononderbroken haar hoofdverblijf in Sint Eustatius houdt en in het bezit blijft van een vergunning tot verblijf, kan zij een verzoek om naturalisatie indienen. Of het verzoek van Jennifer wordt ingewilligd, hangt uiteraard ook af van de vraag of zij voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap. Rodrigo is de zoon van een Ecuadoraanse ongehuwde moeder en een juridisch onbekende vader. Hij is uitsluitend in het bezit van de Ecuadoraanse nationaliteit. Als Rodrigo 14 jaar is, gaat zijn moeder samenwonen met een Nederlander. Rodrigo woont bij hen in. Ze wonen alledrie in Ecuador. Als Rodrigo 15 jaar en 4 maanden is, wordt hij erkend door de Nederlander. Als Rodrigo 18 jaar en 3 maanden is, verlaat hij de ouderlijke woning om te gaan werken in Bonaire. Bij aankomst wordt hij direct in het bezit gesteld van een vergunning tot tijdelijk verblijf. Zodra Rodrigo vier maanden toelating en hoofdverblijf in Bonaire heeft, kan hij een verzoek om naturalisatie indienen. Hij heeft immers voor zijn 18 jaar al twee jaar en acht maanden in gezinsverband met zijn Nederlandse vader gewoond. Deze twee jaar en acht maanden mogen afgetrokken worden van de drie jaar termijn. De drie maanden na zijn 18e verjaardag mogen niet van die termijn afgetrokken worden. De jaren dat hij deel uitmaakte van het gezin van de Nederlander voordat hij werd erkend, evenmin. Of het verzoek van Rodrigo wordt ingewilligd, hangt uiteraard ook af van de vraag of hij voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap. Wettekst: Een krachtens het eerste lid, onder d, vastgestelde algemene maatregel van rijksbestuur treedt niet eerder in werking dan vier weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan beide kamers der Staten-Generaal. Het Besluit naturalisatietoets, houdende regels ter uitvoering van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN is op 25 april 2002 in Stb. 2002, 197 geplaatst. Deze algemene maatregel van rijksbestuur is in werking getreden op 1 april 2003.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel